‘O Hidden Life ...’, an Exposition by Joy Mills, Adyar 1994, Ook verschenen in The Theosophist, juni 1976. Vertaling Louis Geertman. Theosofia, augustus 1997, p. 94-98.

'O verborgen leven...'

Een beschouwing

Joy Mills

Ergens in het begin van 1923 schreef dr. Annie Besant, in die tijd Internationaal Presidente van de Theosofische Vereniging, enkele regels die sindsdien vertrouwd geworden zijn voor haar leden overal ter wereld, regels die in allerlei talen vertaald zijn en die werkelijk een haast onmisbaar onderdeel zijn geworden van het taalgebruik van iedere theosoof.

De woorden zijn op muziek gezet, ze zijn gereciteerd en gezongen; en er is sinds dat jaar vrijwel geen bijeenkomst geweest van de Vereniging die niet geopend is met het reciteren van deze woorden. Bij iedere Internationale Conventie hebben opeenvolgende presidenten van de Vereniging de bijeenkomst geopend met het, bij wijze van beurtzang, reciteren van wat bekend is ge- worden als het `Universele Gebed' of de `Universele Aanroep'. In hun uiterste eenvoud bezitten de woorden ervan de magische kracht van een mantram:

O Verborgen Leven, trillend in elk atoom;
O Verborgen Licht, stralend in ieder wezen;
O Verborgen Liefde, alles omvattend in Een Zijn;
Moge ieder die zich een voelt met U,
Zich daarom een weten met elk ander.

Zo vertrouwd zijn deze woorden geworden, dat het belang en de diepte van hun innerlijke betekenis ons misschien zouden kunnen ontgaan. Wanneer we aan iets gewend raken, of dat nu een mens is, een situatie, of een idee dat in woorden wordt uitgedrukt, dan is er altijd het gevaar dat we het als vanzelfsprekend gaan beschouwen.

In tijden van spanning kunnen we zelfs woorden in de mond nemen die we in onze jeugd geleerd hebben als de simpele gebeden van ons geloof; het is bekend dat mensen dit in crisistijden volkomen automatisch doen. Het is voorgekomen dat zelfs overtuigde atheisten gebeden lieten horen die ze zeiden niet te kennen of zich te herinneren.

Maar woorden zijn kostbare en vaak broze voertuigen, niet alleen voor het denken, maar ook voor de aspiraties van het hart; zij kunnen niet alleen wereldse betekenissen overbrengen die ons vooruithelpen in de wereld en ons met elkaar in contact brengen, maar ook uiting geven aan de honger van de ziel en de schoonheid van de geest in hun reiken naar het ondefinieerbare en daarom onzegbare dat boven het menselijke uitgaat.

Laten we daarom even stilstaan bij deze woorden die dr. Besant aan de Vereniging en aan de wereld schonk en ze nader beschouwen. Welke innerlijke betekenissen, welke diepere werkelijkheden schuilen achter de woorden zelf; tot wat voor nieuwe inzichten kunnen we gebracht worden, steeds wanneer we deze woorden uitspreken en de afzonderlijke zinnen opzeggen?

Zijn we gehecht geraakt aan deze woorden, omdat ze afkomstig zijn van die heroische ziel Annie Besant? Zou het iets uitmaken als een ander individu als kanaal had gediend voor het doorgeven ervan aan de wereld? Ongetwijfeld heeft het voortdurend herhalen van deze regels er een zekere innerlijke betekenis aan gegeven, een heiligheid, als we dat zo mogen noemen, maar herhaling kan ook de geest afstompen en van buiten geleerde zinnen kunnen met weinig aandacht van hart of denken opgezegd worden.

Voordat we iets van de innerlijke betekenis van de aanroep gaan onderzoeken, kan het van belang zijn te weten waar precies de oorsprong ervan ligt. In haar `Watch Tower' -bijdrage in The Theosophist van juni 1923, schreef dr. Besant dat deze regels ontstaan waren als gevolg van een verzoek van een aantal leden die meehielpen om de `Broederschap-campagne' in Zuid-India te organiseren. Deze campagne was enige tijd daarvoor in Engeland gestart en werd toen juist in India overgenomen.

Haar commentaar vervolgt: `Ik schreef... een paar regels voor dagelijks gebruik,'s morgens en 's avonds, daar ik dacht geen meditatie te kunnen schrijven zoals ze me gevraagd hadden te doen. Meditatie lijkt me iets heel persoonlijks, het laten inwerken van het eigen denkvermogen op een speciaal thema; het beste wat ik kon doen was een thema voor te stellen. Hier is het zoals het zichzelf presenteerde...' Dan volgt de aanroep zoals die hiervoor al gegeven is.

`Verder', voegt ze eraan toe, `zenden de regels opeenvolgende golven van kleur uit, die uitstralen vanuit de spreker wanneer zij ritmisch worden voorgedragen of gescandeerd, of dat nu door de uiterlijke of door de innerlijke stem gebeurt, en als enige duizenden ze zouden uitzenden over opeenvolgende gebieden, dan konden we een zeer krachtig effect op de mentale atmosfeer teweegbrengen...'

Het feit dat dr. Besant ons vertelt dat de aanroep `zich vanzelf aan haar voordeed' kan erop duiden dat de ware bron ervan in een dieper of hoger gebied buiten haar eigen bewuste denken ligt, misschien zelfs komt hij uit die Bron waarvoor zij zelf altijd de diepste verering had en waaraan zij ten diepste gehoorzaamde. We kunnen het er in ieder geval over eens zijn dat de woorden zoals ze die gaf zo'n schoonheid en majesteitelijke impact hebben, dat het niet gepast zou zijn om er ook maar enige wijziging in aan te brengen. Men kan slechts gissen wat het effect ervan is op de omgeving of de gemeenschap en op het individu dat de woorden van de aanroep uitspreekt, hoewel velen zeggen dat ze er innerlijke rust en zelfs werkelijke genezing door hebben verkregen.

Naar begin van document.

O, verborgen Leven

Laten we nu naar de aanroep zelf gaan, en deze zin voor zin bekijken om er sommige van de erin verborgen betekenissen uit naar voren te halen. Allereerst `O Verborgen Leven, trillend in elk atoom... ' De vraag die zich onmiddellijk voordoet is: waarom verborgen? Is het leven niet duidelijk overal om ons heen aanwezig? Het leven is zeker niet verborgen! Maar waar hier naar verwezen wordt, wat hier wordt aangeroepen, moet buiten of boven het duidelijk zichtbare liggen.

Dr. I.K. Taimni herinnert ons er in zijn werk, Glimpses into the Psychology of Yoga, aan dat: `De Uiteindelijke Werkelijkheid slechts bestaat in het Eeuwig-Ongemanifesteerde en de bron is van alle relatieve werkelijkheden die binnen het bereik van de menselijke ervaring liggen...' Het hoogste principe is dus alomtegenwoordig en gaat tegelijkertijd al het bestaande te boven: het is waarlijk het `verborgen leven' dat ten grondslag ligt aan al het gemanifesteerde.

Eigen aan die Werkelijkheid is haar eigen dynamiek, als het ware, die de schepping van alle dingen, van al het bestaande, mogelijk maakt. Want daar, in het hart van de Werkelijkheid, is het kloppend verlangen tot scheppen. Zonder dat kan er niets bestaan; het is alomtegenwoordig en bevat in zichzelf het vermogen om alles wat ooit was, is, of zal zijn, geheel te doordringen. En dat vermogen ligt besloten in elk atoom, in elk element van het gemanifesteerde universum; werkelijk, het `trilt in elk atoom'.

Zo pulseert de hele natuur met het ritme van het Eeuwig Ene, voor altijd verborgen, maar kenbaar door zijn talloze manifestaties, wanneer het Ene het vele wordt en toch steeds Een blijft. Deze eerste regel is dus een aanroep tot dat eeuwige, onzichtbare principe, de Opperste Werkelijkheid die buiten de cycli van manifestatie staat, maar die tegelijkertijd zonder ophouden met haar trillingen het gemanifesteerde universum doordringt. In termen van menselijk bewustzijn is het een aanroep tot dat atman dat verborgen is in onze eigen aard, even aanwezig hier in het stoffelijke als op zijn eigen niveau, omdat zijn vibratie naar buiten treedt via de atomen van al onze voertuigen - dragers van dat atman - van buddhi tot het stoffelijke.

Naar begin van document.

`O Verborgen Licht, stralend in ieder wezen...'

Opnieuw kunnen we de vraag stellen: Waarom verborgen? Als er een licht is dat schijnt in ieder wezen, dan zou dat licht toch zeker waarneembaar moeten zijn; het kenmerkende van licht is dat het gloeit, en daarom gezien kan worden. Licht straalt naar buiten, maar er wordt een beroep op ons gedaan om een verborgen licht aan te roepen, een licht dat binnenin schijnt, maar dat niet op een zichtbare wijze naar buiten straalt.

Er moet dus impliciet een diepere betekenis in deze woorden schuilen. We kunnen zeggen dat de Ene Werkelijkheid licht wordt, wanneer zij zich manifesteert; het is dit innerlijk licht van de Hoogste Werkelijkheid, van Ishvara, de gemanifesteerde Godheid, die aanwezig is in ieder schepsel. Het leven is nu licht geworden; de trilling ervan straalt nu zelf met een innerlijke dynamiek. In de mens wordt buddhi - het `licht van de ziel' - nu verenigd met atma, klaar om zich nnaar buiten te richten en actief te worden. Het is dit licht dat de gehele aard van de mens moet verlichten; het is dit wat bewustzijn mogelijk maakt, een licht dat `verborgen' is, omdat het niet objectief is voor het bewustzijn, maar zelf uit zuiver bewustzijn bestaat. En dat licht is aanwezig en schijnt door elk atoom in de ruimte.

`O Verborgen Liefde, alles omvattend in Een-zijn...' 

Aan de polariteit van Leven en Iicht ontspringt nu scheppende activiteit, liefde. Overal waar polariteit is, ontstaat er een verbinding tussen de polen, en de zuiverste van alle verbindingen, de enige verbinding die niet op een of andere wijze wordt bezoedeld door enig voorwerp van gehechtheid of afkeer, is die van de liefde. Dit kunnen we de onderliggende lijm noemen die al het gemanifesteerde bijeenhoudt, alle onderdelen van het universum, alle elementen die bij de schepping tevoorschijn komen; het is dus Liefde die `alles omvat in Een-zijn'.

Het Ene is het vele geworden; uit eenheid is veelheid ontstaan. Maar toch, hoe groot die veelheid ook is, alles wordt bijeengehouden in de ene omarming van die zuivere verbinding, die Liefdesverbinding, die ontstaat wanneer Leven en Licht tot bestaan komen. Liefde is de kern van het scheppend proces; daarom is het het principe van de universele wet die ten grondslag ligt aan de evolutie.

Verborgen in de kern van het veelvoudige ligt dus de Liefde die het vele samenbindt tot de eenheid van het Ene. Dit is de wet en de vervulling van de wet die alles in volmaakt evenwicht brengt, want wat er ook maar ergens in het universum gebeurt heeft overat zijn gevolgen. Er is geen externe autoriteit, geen buitenkosmische godheid die de weegschaal van de gerechtigheid hanteert; Liefde is de kern van het universum en brengt evenwicht tot stand, omdat alles wat in het universum bestaat in haar omarming wordt gehouden.

Hier bevindt zich ook het scheppend principe: atma-buddhi verbonden met manas, nu naar buiten gericht op de grote involutionair-evolutionaire reis. Manus, of scheppencte activiteit, is waarlijk liefde in actie. Het denken omvat, wanneer het doordrenkt is met intuïtie, het universum, alles waarnemend zoals het in werkelijkheid is. Het denken, dat het Werkelijke kan fragmenteren (het Ware kan doden) om er de veelvoudige aard van te begrijpen of te realiseren, kan ook in een toestand van stilzijn worden gebracht, waarin de veranderingen van het denkend principe gestopt zijn; in die toestand is het waarnemen, het bewustzijn, ongedeeld. Deze ongedeelde toestand van het bewustzijn omvat `alles in een-zijn'.

De eerste drie regels van de mantram herinneren ons aan de grote drievoudigheid van de Opperste Werkelijkheid – Leven, Licht en Liefde. Maar deze drievoudigheid is ‘verborgen’, niet alleen omdat zij slechts op een subjectieve manier valt te kennen, maar veeleer omdat zij ten grondslag ligt aan het gehele proces van manifestatie. Zij is ‘verborgen’, omdat het denken alleen haar essentie niet kan doorgronden en evenmin kan zij worden ervaren door middel van de zintuigen. Zoals Dr. Taimni in zijn eerder genoemde werk duidelijk maakt: ‘Volgens de occulte filosofie is er een methode om de Werkelijkheid te kennen … en deze methode bestaat uit het volledig onderdrukken van de veranderingen van het denken.’ Die methode is natuurlijk de yoga. ‘Dan,’ gaat dr. Taimni verder, ‘wordt het individuele bewustzijn bevrijd van de sluier die het individuele bewustzijn gescheiden houdt van het universele bewustzijn en kent deze Werkelijkheid rechtstreeks door er één mee te worden.’

In de drie eerste regels van onze mantram roepen wij de drievoudige aard van de Ene Werkelijkheid aan, en in die aanroep kunnen we een opperste vorm van yoga van Zelf-verwerkelijking tot stand brengen. Onze aandacht wordt gericht op het sublieme feit dat aan de mens en aan het universum ten grondslag ligt, de Ene Werkelijkheid in haar drievoudig aspect van Leven, Licht en Liefde. De realisatie ervan ligt in een gebied buiten dat van het denken, maar door haar aan te roepen brengen wij die Werkelijkheid tot direct gewaarzijn in ons bewustzijn dat afgestemd is op en in harmonie is met het Ene. De laatste twee van de aanroep bevestigen dit besef.

‘Moge ieder die zich één voelt met U…’

Het gebruik van het woord ‘U’ geeft aan dat de drievoudigheid van Liefde, Licht en Leven inderdaad één is, de Ene Hoogste Werkelijkheid. Merk echter op dat de nadruk allereerst op ‘voelt’ ligt. Wat betekent het jezelf één te voelen met het Allerhoogste? Voelen is acuut gewaarzijn; gewaarzijn zonder enige storende invloed. Het is een bewustzijn dat totaal is, dat ons overweldigt en ons geheel en al in zijn greep neemt. Misschien kan het worden vergeleken met het ogenblik van pijn wanneer iemand zijn teen tegen een stenen obstakel stoot; op zo’n moment is er geen andere gewaarwording dan het bewustzijn van pijn. Op dat precieze moment is er geen plaats voor welke gedachte dan ook; pas later kunnen we zeggen; ‘Ik stootte mijn teen,’ of ‘ik voelde pijn in mijn teen.’ Het gevoel dat in de realisatie van eenheid moet ontstaan, moet worden bevestigd, is: totaal, geheel, compleet, zonder analyseren of redeneren of logisch herleiden. Slechts in zulk een toestand kan het ware weten ontstaan. In zekere zin kan dit vermogen om ‘zich één te voelen met U’ worden omschreven als de pijn van één-zijn, de last van één-zijn, die we allen moeten dragen als we de werkelijkheid van het leven zelf willen leren kennen. Het is, met andere woorden, geen selectief gevoel: ik zal me één voelen met jou,maar niet met die andere persoon; ik zal me één voelen met een boom, maar niet met een slang, enz. Wanneer we zeggen: ‘ Moge ieder … ’, dan roepen we in onszelf een bewustzijn aan dat geen verdeeldheid kent, geen grenzen; het is een bewustzijn dat doordrenkt is van Leven, Licht en Liefde, en daarom is het zuiver en héél.

‘Zich daarom één weten met elk ander.’

Uit dat acute gewaarzijn van het ‘voelen’ moet ‘weten’ volgen. ‘ Zich daarom één weten met elk ander. ’ Aldus besluit de mantram met een bevestiging van de zekerheid van het weten. Een mens moet niet alleen voelen, hij moet weten. Dit is de volle last van het zelf -bewustzijn. Dit weten berust echter niet alleen maar op veronderstellingen, een mening, een idee, een geloof dat kan worden gewijzigd wanneer er een ander idee komt. Het is veeleer een bewust handelen dat ontstaat omdat we ondergedompeld zijn geweest in een bewustzijn dat onbegrensd, ongedeeld, geheel en oorspronkelijk van aard was. Als gevolg van het contact met dat bewustzijn, van dat non-verbale gewaarzijn dat we één zijn met de Universele Werkelijkheid, dat we waarlijk atma-buddhi-manas zijn, moeten we kennis hebben van, ons volledig bewust zijn van ons één-zijn met alle andere levensvormen die eveneens doordrongen zijn van die Werkelijkheid, erin meetrillen, erin meeschitteren, en er door worden omvat.

In sommige versies van de mantram is het woord ‘daarom’ vervangen door het woord ‘ook,’ maar het is goed om te weten dat in Dr. Besants oorspronkelijke versie het woord ‘daarom’ wordt gebruikt. Er is een subtiel maar duidelijk verschil tussen deze twee woorden. ‘Ook’ is een toevoegsel, het betekent ‘bovendien’, ‘dit plus dat’, enz. ‘Daarom’ heeft de betekenis van ‘een gevolg’, van iets wat het resultaat is van iets anders; het is geen los toevoegsel. Wat in de mantram vast en zeker bedoeld wordt, is de realisatie dat, wanneer het gevoel van éénzijn aanwezig is, wanneer er een herkennen is van het één-zijn met de Hoogste Werkelijkheid die Licht en Leven en Liefde is, uit dit herkennen het bewustzijn volgt dat met onvermijdelijk verenigd is met alle schepselen. Want hoe kan men één zijn met het Allerhoogste en gescheiden, afgezonderd blijven van alle anderen die eveneens geworteld zijn in de Ene Werkelijkheid?

Er kunnen nog veel meer betekenissen worden ontdekt in deze prachtige aanroep die dr. Besant ons schonk. Hij is werkelijk een herbevestiging van het totale scheppende proces waarin wij – en al het leven – zijn gedompeld; een herbevestiging van het vermogen in ons, als zelfbewuste levenseenheden, om het leven als één geheel en in al zijn schoonheid waar te nemen.

Dit is de visie die we over de hele wereld kunnen laten schijnen; de visie waaraan we vleugels en klank en vorm kunnen geven; het is de visie die, iedere keer dat we de mantram citeren, onszelf en daarmee onze wereld kan herscheppen, transformeren. Alleen zulk een visie kan een nieuw bewustzijn in de wereld tot stand brengen, een bewustzijn van eenheid, van broederschap, van vrede en harmonie en héélheid en heiligheid. Wanneer we deze paar eenvoudige regels herhalen, hetzij alleen of in een groep, dan roepen we de Ene Werkelijkheid aan zich opnieuw te manifesteren, en dit vermag zeker alles in het universum om ons heen héél heilig te maken. Een mooiere daad kunnen we niet verrichten.

- Naar begin van document.