Van eenzaamheid naar alleenzijn

Surendra Narayan

Ik denk dat wij allemaal wel weten wat eenzaamheid betekent, want wij hebben het in verschillende stadia ervaren, bij verschillende gelegenheden en situaties in de loop van ons leven in deze wereld. Een kind voelt zich eenzaam wanneer zijn moeder uit werken gaat; ook wanneer hij geen broertje of zusje heeft, of buurkinderen van dezelfde leeftijd om mee te spelen. Evenzo voelt een moeder zich eenzaam wanneer haar kind voor het eerst naar school gaat en verscheidene uren van huis is. Eenzaamheid ontstaat als men op school of op de academie zit en niet in staat is vrienden te maken, en ook later wanneer men er niet in slaagt een langdurige levenspartner te vinden. Men voelt zich eenzaam wanneer men zijn man of vrouw verliest, of zelfs een dierbare vriend.

De ervaring van eenzaamheid op oudere leeftijd is een veel voorkomend aspect bij de meeste mensen, wanneer de kinderen van wie men gehouden heeft en voor wie men met zoveel liefde gezorgd heeft groot zijn, getrouwd zijn en hun eigen, afgescheiden leven zijn gaan leiden. Vaak vermijden zij het gezelschap van de ouders omdat zij niets hebben wat hen beiden interesseert. Ook ouderen, jammer genoeg, beginnen vaak alleen maar over hun ouderdomskwalen of over ‘die goede oude tijd’, waarvoor de jeugd geen belangstelling heeft.

Er bestaat ook een ander soort eenzaamheid – van omringd zijn door honderden mensen en zich toch geïsoleerd voelen. Velen die in politiek en zaken zijn lijden aan zulke eenzaamheid. De mensen stromen op hen af, maar uit angst of om gunsten te vragen, niet uit liefde voor hen; en de geslepen politicus of zakenman weet meestal dat zij niet zullen aarzelen om hem zonder gewetenswroeging in de steek te laten op het moment dat hij zijn positie van macht verliest. Ook onder gelijken aan de top is er zelden diep respect voor elkaar, laat staan hechte vriendschap. In plaats daarvan ziet men vaak rivaliteit, jaloezie en de behoefte de ander te vernederen om zelf een treetje hoger te komen. Ik herinner mij dat de oudste geschiedenisprofessor op mijn universiteit ons vaak voorhield, met enige emotie en een zweempje pijn: ‘Jongens, er bestaat geen vriendschap aan de top!’ Men vraagt zich af wat voor leiderschap zulke mensen een land of de wereld te bieden hebben.

Een andere naam voor eenzaamheid is totale absorptie in eigenbelang. Men raakt zo gepreoccupeerd met zijn eigen zelf dat iedereen – zelfs het meest nabije familielid of vriend – geacht wordt al zijn tijd of aandacht aan hem te geven, en omdat dit niet gebeurt, voelt men zich onbemind, gekwetst, teleurgesteld, zelfs boos en pathetisch eenzaam. Zo lang er het idee is van ‘mij’ en ‘ik’, moet er wel eenzaamheid bestaan. Zulke geïsoleerdheid met het ik als middelpunt leidt tot conflicten, pijn en verval.

Eenzaamheid komt dientengevolge voort uit afgescheidenheid, exclusiviteit, het zich niet bewust zijn van zijn verbondenheid met anderen en het niet begrijpen dat allen onderling verbonden zijn, onontwarbaar met elkaar verweven, in feite Een. In de theosofische literatuur lezen wij over de Meesters van Wijsheid. Wij bestuderen hun leringen, zoals overgebracht door middel van de brieven aan A.P. Sinnett en anderen, geschreven vanuit hun meestal ontoegankelijke ashrams in de Himalaya’s, waar zij leven zonder gezelschap in de zin die wij daaronder verstaan. Zij wonen al tientallen jaren op deze manier, misschien al eeuwen. Maar niemand krijgt ooit zelfs maar een suggestie dat zij zich ooit eenzaam voelen. Aan de andere kant is er wel altijd de idee van glorieuze harmonie en compassie die zij uitstralen. Dat komt omdat zij één zijn met de hele natuur. Wij zijn natuurlijk niet bij benadering zo ver als zij waar het onze spirituele evolutie betreft, maar toch kunnen wij misschien vaag begrijpen dat eenzaamheid niet bestaat in het zuivere zelf.

En wat betekent alleenzijn? Er zijn verschillende vormen van alleenzijn en die kunnen verwijzen naar verschillende bewustzijnstoestanden. Soms benadert het eenzaamheid, een toestand van zelfbewustzijn die zichzelf beschouwt als exclusief en superieur aan anderen, zelfs in spiritueel ontwaken. Wij vinden een vermelding van zo’n toestand in een van de Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett. Onder verwijzing naar een in andere opzichten oprechte aspirant, schrijft de Mahatma: ‘De arme vrouw is van nature goed en moreel, maar juist die zuiverheid is zo bekrompen … dat deze niet in staat is zichzelf weerspiegeld te zien in iemand anders dan haar eigen zelf. Alleen zij is goed en zuiver. Alle anderen moeten en zullen verdacht zijn.’

Het alleenzijn kan vanuit nog een ander oogpunt bekeken worden – dat van de moed van onze eigen overtuiging, vasthoudend aan de juiste opvattingen en de juiste dingen doende, niet bang voor de meningen van veel of zelfs van de meeste mensen met wie wij toevallig samenwonen. Aan des Meesters Voeten adviseert ons geen gedachte te koesteren alleen maar omdat vele anderen die koesteren, noch omdat men deze al eeuwenlang gelooft of omdat zij geschreven staat in een of ander boek dat men als heilig beschouwt. Het vervolgt: ‘Bedenk dat ook al zijn duizend mensen het eens over een onderwerp, als zij er niets over weten is hun mening van geen enkele waarde. Hij die het pad wil betreden moet leren voor zichzelf te denken.’ Hieruit volgt dat men als dat nodig is, dapper genoeg moet zijn om alleen voort te gaan.

Hierbij is grote zorgvuldigheid nodig bij het beoordelen wat juist is, opdat men niet in de destructieve sleuven van het eng fundamentalisme terecht komt – religieus of anderszins. Misschien is een goed criterium voor het beoordelen van de juistheid van een mening of doelstelling – bevordert deze liefde, alles doordringende liefde, voor allen en niet haat, verachting of het tekort doen van anderen?

Maar er is een alleen zijn van een veel verfijnder soort dat een staat van niet-zelfbewustheid en zuiverheid weergeeft. Dit komt voor op bewustzijnsniveaus ver boven het ‘zelf’ en wordt daarom niet aangedaan, beïnvloed of bewogen door de gedachte aan een ‘ik’. Men raakt niet ondersteboven door wat er buiten gebeurt of door het lagere bewustzijn. ‘De takken van een boom worden bewogen door de wind; de stam blijft onbewogen.’ Er is geen binding en ook geen aversie, omdat beide terugverwijzen naar het lagere ‘Ikbewustzijn’. Het ‘ik’ verdampt en er ontstaat stralende sereniteit. Samyutta-nikaya verhaalt:

Ananda zag Sariputra in de verte aankomen en zei tegen hem: ‘Sereen en zuiver en stralend is uw gezicht. In welke toestand hebt u vandaag verkeerd?’ Sariputra antwoordde: ‘Ik ben alleen geweest in dhyana; en nooit kwam de gedachte in mij op: Ik ben het aan het bereiken! Ik heb het bereikt! Ik ben er uit tevoorschijn gekomen!’

Dit alleenzijn is echter geen toestand van onverschilligheid, isolatie of het zich afsnijden van deze wereld van pijn en lijden, zoals soms ten onrechte wordt verondersteld, maar een toestand van actief, onpersoonlijk, mededogend handelen, van een ‘krachtige medewerker van de natuur’ zijn. In deze staat van alleenzijn ontstaat de eeuwigdurende vreugde van het één zijn met alle leven. De mystieke dichter Rabindranath Tagore zingt in een van zijn gedichten:

‘Dezelfde levensstroom die dag en nacht door mijn aderen stroomt, stroomt door de wereld en danst in ritmische maten. Het is hetzelfde leven dat vreugdevol door het stof van de aarde schiet in talloze grassprieten en dat uitbarst in tumultueuze golven van bladeren en bloemen…
Ik voel dat mijn ledematen glorieus worden door de aanraking van deze levenswereld.’

Alleenzijn begint aldus ‘éénzijn’ te worden. Ik heb de neiging hier Krishnaji (Jiddu Krishnamurti) aan te halen, uit zijn Commentaries on Living:

‘Het denken was volkomen alleen. Het was niet eenzaam, geïsoleerd, ingesloten binnen zijn eigen gedachten, maar alleen, onaangeraakt, onbesmet. Het was niet afzijdig en veraf, afgezonderd van de dingen van de aarde. Het was alleen, en toch samen met alles. Omdat het alleen was, was alles er (deel) van. …Dit alleenzijn kende geen afgescheidenheid, geen verdeeldheid. De bomen, de stroom, de dorpelingen die elkaar in de verte toeriepen, alles bevond zich binnen dit alleenzijn.’

Zulk alleenzijn is een staat van uiterste zuiverheid. St. Alphonsus Liguri heeft eens geschreven: De zilversmid wist wanneer het proces van zuivering voltooid was doordat hij zijn eigen beeltenis in het zilver weerspiegeld zag. Proberen wij onszelf te zuiveren om de Opperste Zilversmid in staat te stellen Zijn eigen beeltenis in ons te zien? Blijvende vreugde wacht geduldig op ons allen.