N. Sri Ram (uit de folder "de regeneratie van de mens, Theosofische Vereniging in Nederland/ Amsterdam, 1991, p. 2-9; vertaling van het boekje "Human Regeneration" door N. Sri Ram (engelse versie), The Theosophical Publishing House, Adyar, India 1985)

De Regeneratie van de Mens

N. Sri Ram

Alles wat goed is, verhelderend, wat bedoeld is om de moeilijkheden van een ander te verlichten en hem moed te geven, iedere verbetering van sociale en politieke omstandigheden en dergelijke is een deel van het evolutieprocess. Maar we moeten uitvinden wat het belangrijkste is voor ons om te doen, waar we naar zouden moeten streven, want de behoeften van de mensheid zijn zo gevarieerd.

Hoewel de Meesters van Wijsheid, die het evolutieproces helpen, in iedere verandering van de mensheid geïnteresseerd zijn die de vooruitgang bevordert, houden ze zich in het bijzonder bezig met de spirituele regeneratie van de mens, welke van fundamenteel belang is. Want als die plaats vindt, volgt al het andere. De krachten die in gang worden gezet voor de regeneratie zullen zelf een effect hebben op de uiterlijke omstandigheden. Maar als de veranderingen alleen uitwendig zijn, worden ze na een poosje weer teniet gedaan of gaan verloren. In de geschiedenis van de mensheid zijn verscheidene gouden eeuwen geweest, tijden waarin het leven rustig was en waarin de mensen gelukkig, vriendelijk en goed waren; maar die zijn allemaal verdwenen en we zijn in deze strijd terecht gekomen, de huidige verwarring en misère.

We zien dus dat het niet genoeg is om alleen een uiterlijke verandering te bewerkstelligen. Het is net zo iets als het aanleren van goede manieren. Er moet een fundamentele verandering in de mens plaatsvinden. Dit is precies waar Krishnamurti over spreekt en op doelt, een zekere fundamentele verandering, als gevolg waarvan alle noodzakelijke veranderingen in organisatie en gedrag automatisch en met het grootste gemak zullen plaatsvinden. Als je zelf inziet wat waarheid is, zul je in overeenstemming met die waarheid handelen. Je hebt dan geen richtlijn meer nodig, behalve die waarheid. Wat de Meesters willen, behalve het nuttige werk dat we nu misschien doen of zouden doen, is deze regeneratie, te beginnen met onszelf. De mogelijkheid van een dergelijke regeneratie, zelfs haar onvermijdelijkheid, is misschien de meest inspirerende waarheid van de theosofie.

In gebieden waar een wisseling van seizoenen bestaat, zoals in Europa, wordt een niet groen blijvende boom iedere herfst oud en laat zijn bladeren vallen. In de winter lijkt hij dood, maar dan wordt hij herboren in het voorjaar met frisse bladeren en bloemen. Dit is een verschijnsel dat zich steeds herhaalt. Met betrekking tot ieder mens gebeurt hetzelfde; want we sterven en worden herboren als fysieke en psychische wezens en met ieder sterven valt de verzameling voorgaande herinneringen die tot het vorige leven behoort, geheel weg en we komen fris en zuiver terug met een nieuwe aard. Maar we zijn niet in staat om deze aard te houden; we blijven niet even schoon of fris of teer als bij de geboorte. Weldra zijn we overladen met indrukken, we worden verwrongen en op verschillende manieren gekleurd en houden op te zijn wat we waren met de onschuld en charme van onze kindertijd. Ofschoon het verleden dood is, komen de neigingen van het verleden weer tot leven; zij zijn zo diep geworteld dat ze nog geruime tijd niet zullen afsterven, zij blijven verborgen in de bodem van onze aarde. Zelfs wanneer aan de oppervlakte alles is afgestorven, volharden zij en groeien opnieuw. Zij worden actief zodra de voorwaarden gunstig zijn. Je kunt je een kind voorstellen dat heel bekoorlijk is, met prachtige mogelijkheden, maar op een of andere manier is na enkele jaren de bekoorlijkheid verdwenen. Kijk naar het zelfde individu, opgegroeid tot man of vrouw, of nog later wanneer de middelbare leeftijd is bereikt of overschreden. Hij of zij is zo hard en onbeweeglijk vastgeroest, de schoonheid van de kindertijd is slechts een herinnering, misschien zelfs verdwenen, met een duidelijk verval van de persoon. Maar indien de omgeving gunstig is, zouden de ongewenste neigingen, zelfs gedurende een heel leven latent kunnen blijven. Dit is begrijpelijk door onze eigen ervaring met mensen. Een persoon kan innerlijk bepaalde begeerten of neigingen hebben, maar zonder de mogelijkheid om eraan toe te geven, lijken ze niet te bestaan. Door de afwezigheid van verleiding kunnen velen van ons deugdzaam zijn. De neigingen blijven als modder op de bodem van de rivier liggen. Het water stroomt over de modder, het water is schoon en bruikbaar, maar indien er een storm, een overstroming of een andere verstoring komt, wordt het plotseling modderig, belast met alle onzuiverheden die tot dan rustig in de rivierbedding gelegen hadden.

In ons moderne leven, waarin tot op zekere hoogte alles omgewoeld wordt, is er geen gebrek aan mogelijkheden om enige latente neiging tot ontwaken te brengen. Soms lijkt het minste zuchtje van beïnvloeding voldoende om iets in gang te zetten, zoals de vage lucht van sterke drank voldoende is om de hunkering van de dronkaard te doen herstellen. Omdat er in deze tijd zoveel plaats vindt dat de mensen op verschillende manieren aandoet, door gedachten, activiteiten en ontspanning, zijn de invloeden veel verwarrender dan tevoren. Daarom gaat de ontaarding sneller; de bekoorlijkheid, frisheid en onschuld die, onder meer natuurlijke omstandigheden, langer zouden blijven, slijten al vroeg.

Maar er komt een moment in de lange rij van levens - niet vanzelf, omdat de menselijke intelligentie en wil betrokken zijn in het proces - dat de ziel in staat is zichzelf volledig te bevrijden van de gevolgen van het verleden, zij ontdoet zich eens en vooral van al het bijeengebrachte en komt tevoorschijn in haar eigen zuivere aard.

Men zou kunnen vragen: Wat gebeurt er dan met de ontwikkelde vermogens? De vermogens blijven, want die behoren niet tot de uiterlijke aard maar tot de ziel. De loutere ophoping van ervaring is niet een onverdeelde zegen. Wanneer mensen zeggen dat ze ervaring moeten hebben, is dat dan op zich goed? Het zoeken naar ervaring kan losbandigheid betekenen, in het algemeen verhardt het een persoon en maakt het alles ingewikkelder. Maar door het proces van het opeenhopen van ervaring, van bijv. geld verdienen, worden bepaalde capaciteiten ontwikkeld. We leren hoe we moeten omgaan met de verschillen in de materiële wereld met een denkvermogen dat langzamerhand scherp wordt als een zwaard en "all round" in zijn werking. Deze capaciteiten op zich, behoren tot de zuivere natuur van de ziel.

Wanneer we denken aan de ziel als een zuiver wezen, actief met een zuiver bewustzijn, dan zie je een vervorming van het bewustzijn ontstaan door een verduistering van de aard, die verdrongen wordt. In ieder van ons is wel een vervorming, maar we raken er zo aan gewend dat we ons niet bewust zijn dat het bestaat. We denken dat we natuurlijk zijn wanneer we onnatuurlijk doen, we geloven zelfs in gekunsteld zijn. Dit vervormde bewustzijn, dat een bepaalde vorm aanneemt en handelt op een zekere, specifieke manier in allerlei omstandigheden, noemen we ons verstand.

Alleen wanneer we weten wat voor vervormingen en illusies er bestaan, kunnen we er ons van bevrijden. Dan herwint het bewustzijn zijn natuurlijke staat door de buitengewone veerkracht van zijn aard. Dan bereikt het een bedrevenheid en gemak waar we op 't ogenblik geen idee van hebben.

Terugkerend naar de analogie met een plant, de geestelijke mens is een plant die uit de wortels is gesproten, zonder enig schadelijk element. Alles van de uiterlijke aard, behalve de ontwikkelde capaciteit, is weggevallen. Hij is een nieuw mens, herboren in de geest. Hij is een plant wier aard nu doordrongen is van de essentie van zijn onvergankelijke wortels. De wortels van ons bestaan zijn altijd onveranderlijk. Zij bevinden zich in dat diepste, geestelijke deel van onszelf, dat niet beroerd wordt door de ervaringen die we ondergaan aan de oppervlakte. Maar de geest of het bewustzijn die spruiten uit deze wortels, kunnen zowel geestelijk als materieel gericht zijn.

Het verstand heeft een dualistische aard. In het Sanskriet wordt het verstand dat bezig is met de verschillen in materie (en erdoor beïnvloed wordt) manas genoemd. Het is het verstand dat denkt in termen van verschillen en het in de gedachten tot stand brengen van betrekkingen. Maar het verstand dat de eenheid kent en die ook ervaart wordt boeddhi genoemd. Dit zijn twee woorden die afzonderlijk gebruikt worden in de Sanskriet-filosofie. Een gedeelte van manas is één met Boeddhi, dat is het meer geestelijke deel, onderscheiden van zijn materiële complement. Ze zijn in essentie één, maar gescheiden in openbaring en zelfs tegenover elkaar staand wanneer de laatste overheerst wordt door de stof, d.w.z. overheerst door de sensaties van de stof en de verlangens die zulke sensaties voortbrengen door de herinneringen eraan. Verlangen in elke vorm is werkelijk datgene dat onze moeilijkheden veroorzaakt. Wanneer ik iets wil hebben en ik ben erop uit om het te krijgen en iemand hindert me, laat ik me woedend gelden. Uit verlangen wordt toorn geboren, wordt gezegd in de Bhagavad Gita. Het verlangen naar een positie, macht of genot in welke vorm ook, maakt ons egoïstisch en onverschillig tegenover anderen. In beslag genomen door het streven naar deze dingen, hebben we geen aandacht of achting meer voor iets of iemand anders.

Alleen wanneer een bepaalde zwakheid zich in vergrote mate toont worden we ons in het algemeen bewust van zijn ware aard. Zolang het niet belangrijk is en niet krachtig naar voren komt, excuseren we onszelf door te zeggen dat het een kleinigheid is, een gewone tekortkoming - we zijn allemaal maar mensen. We behandelen vergif niet als vergif totdat het gevaarlijk wordt. Het is de invloed van onze wensen en hoop op onze manier van naar de dingen kijken die de oorzaak is van veel illusies, want als je iets sterk verlangt, ben je bereid de voorwaarden voor bevrediging te accepteren.

Oorspronkelijk zit de moeilijkheid in onze gehechtheid aan de ervaringen uit het verleden. Wanneer deze gehechtheid actief wordt, noemen we dat verlangen, maar zelfs als het niet actief is, blijft de gehechtheid bestaan. Als ik verslaafd ben geweest aan drank en zelfs als ik op dit ogenblik geen verlangen voel, blijft het verlangen toch bestaan. Het zal weldra de kop op steken, want er is een periode van activering, afgewisseld door een periode van rust, toe te schrijven aan lichamelijke veranderingen. Dit moet men goed begrijpen en zich realiseren. Het inzicht dat hiervoor nodig is, is niet alleen een verstandelijk begrijpen, dat is oppervlakkig. Zulk een begrip verandert de wil niet, want het zit vol verstandelijk voorbehoud. Wanneer we de waarheid voor onszelf volledig en vrijelijk begrijpen, zal de waarheid ons bevrijden van de dwalingen en het bijgeloof dat welig tiert in zijn afwezigheid. Geen van ons is zo vrij als we ons voorstellen te zijn; we denken dat we vrij zijn als we een manier van oppervlakkige, uiterlijke vrijheid hebben. Maar gezien van een innerlijk standpunt hebben we alleen de vrijheid om onze vrijheid te verliezen - wat we snel doen.

Wanneer er tenslotte vrijheid is voor manas, dat is de intelligentie die zich bezighoudt met de verschillen van de materie, wordt manas verenigd met Boeddhi, waar het besef van eenheid zetelt en dat zijn ware tegenhanger is. De hogere, geestelijke aard, die tot boeddhi behoort, openbaart zich dan in het gebied van manas en voor de laatste is het dan een wedergeboorte van materie naar geest. Dit is een verandering van grote betekenis, die moet plaatsvinden in ieder individu. Het denken, dat zichzelf volledig bevrijd heeft van de invloeden waar het voorheen aan onderworpen was, bereikt een staat, waarin het niet aangedaan wordt door veranderende toestanden in de materie. Het wordt niet aangedaan, maar tegelijkertijd buitengewoon snel in zijn waarnemingen en bewegingen. Het verliest zijn gevoeligheid niet, het wordt juist duizendmaal gevoeliger dan voorheen. Het is gevoelig voor iedere verandering, voelt iedere invloed, kan zichzelf volledig geven aan ieder verschijnsel van het leven dat zich voordoet. Normaal gesproken als we iets doen, bijv. luisteren naar muziek, luisteren we niet met ons hele vermogen, zodat we compleet leeg en ontvankelijk zijn, om iedere noot in te drinken en de betekenis van die noot in relatie met de andere noten waar te nemen. We treden het leven tegemoet, bijna ieder verschijnsel in het leven, met een klein deel van onszelf. Als we ons een individu voorstellen als een gebied van zijn, dat zowel capaciteit als gevoeligheid is, dan is het maar een klein deel dat we in de wereld waarin we leven en bewegen tegenkomen.

Maar wanneer het bewustzijn bevrijd wordt van de beelden waaraan het gekluisterd is, van vaste patronen in denken en voelen, wordt het heel soepel, dan is het in staat zichzelf op ieder ogenblik volledig te geven aan de belevenis van dat ogenblik. Het is beweeglijk en in elk opzicht responsief; maar daarnaast is het, met deze beweeglijkheid en responsiviteit in staat niet beïnvloed te worden door schommelingen van uiterlijke omstandigheden, door "hitte en kou, eer en oneer, succes en mislukking", om de taal van de Bhagavad Gita te gebruiken. Deze dingen komen en gaan als rimpelingen van een wateroppervlak. Het bewustzijn weerspiegelt de veranderingen, registreert ze, begrijp ze - en ze gaan voorbij.

Het bewustzijn is gevoelig en rustig tegelijkertijd - een prachtige toestand om zich te bevinden. Het zou niet juist zijn te denken dat een yogi omdat hij gevoelig is makkelijk in de war gebracht zou kunnen worden; omdat hij open is, hij beroerd zou kunnen worden door iedere invloed. Hij is open, maar niet in beroering. Zijn bewustzijn is als een oceaan van gevoelige kalmte, die alles omvat, maar zich met niets vermengt.

Wat we aan het leren zijn, is slechts het ABC van spiritueel leven. We moeten bijv. leren om ons bewust te zijn van hoe we leven. Dan komt er een moment waarop we ons bewust zijn dat we de verkeerde noot hebben aangeslagen als we iets denken of zeggen of een oordeel vormen, gebaseerd op onze persoonlijke reacties in tegenstelling tot het doel van ons leven, zoals wij het begrijpen. De toestand waar we naar streven is een zich bewust zijn van alles wat we doen; wat niet betekent dat we meer bewust van onszelf moeten worden, in beslag genomen door onze eigen gedachten en gevoelens. Want dat wordt ook weer een hindernis. Maar op het ogenblik dat we de verkeerde noot hebben aangeslagen, moet er het gevoel zijn dat die noot niet behoort tot de muziek van ons wezen. Dat zou werkelijk het toppunt van zelfkennis zijn.

Maar we moeten ergens beginnen, we kunnen niet onmiddellijk de perfectie bereiken. Ik denk niet dat één van ons dat kan, tenzij hij zich daar al op voorbereid heeft. Daarom beginnen wij met een zekere discipline in het dagelijks leven, met inbegrip van wat meditatie, studie en dergelijke. Als we zelfkennis bezitten verbeelden we ons niet dat we iets meer doen dan maar net beginnen aan een nieuwe manier van leven. Maar om het Pad te weten waarlangs we willen gaan en nederig te zijn is al heel wat. Een fundamentele mentale tegenspraak in onszelf is er tussen het zelf en het ideaal waarin het zelf zich hult. We moeten ons bewust zijn van die tegenstrijdigheid.

Wanneer we het probleem, hoe volledig de verandering is die gevraagd wordt, werkelijk begrijpen, houden we op ongeduldig te zijn. Het doet er niet toe hoeveel tijd het neemt, we weten de richting en die moeten we volgen; er zullen veel problemen zijn en die zullen we onder handen nemen. Ongeduld komt voort uit ambitie; het is een toestand van koortsachtigheid, die ontstaat omdat we ergens willen komen in plaats van de problemen te begrijpen, waarmee we moeten afrekenen. De houding die we moeten aannemen is de dingen te nemen zoals ze zijn en er het beste van te maken, in te gaan op de situatie zoals hij is, wat zowel een situatie in de buitenwereld is, als een toestand in onszelf. We moeten ieder moment doen wat we kunnen en rustig doorgaan naar het volgende. Afgezien van de fundamentele verandering die bereikt moet worden kan er een regeneratie van de mensheid zijn, in die zin dat de mensheid vervuld is van zijn betere aard. Er is goed en slecht in ons allen, en zoals al vermeld is, onder gunstige voorwaarden zal de betere aard naar voren komen. De mensheid kan geholpen worden om te zien wat goed is en wat verkeerd; dat is een deel van ons werk. Het kan zijn dat we nog niet alles kunnen doen wat eens mogelijk is voor ons, maar we kunnen onze medemens helpen voor zover dat in ons vermogen ligt. We kunnen dat door de leringen van de theosofie en door ons eigen voorbeeld. Als we op kleinere schaal beginnen, zullen we merken dat we in staat zijn steeds meer te doen. Dat is een bijzonder iets om te ontdekken voor onszelf. Je begint met je genegenheid te geven aan diegenen die je omringen, dan zul je ontdekken dat er meer genegenheid te geven is; je begint op een of andere manier te helpen, dan zul je ontdekken dat er manieren zijn om beter te dienen. In ieder van ons is een oneindigheid waaruit we kunnen geven en we moeten die oneindigheid zelf ontdekken door te geven, er is geen andere manier. Wanneer je in een stoel zit en zegt, nu ga ik ontdekken wat een oneindigheid er in mezelf is, zul je het nooit ontdekken. Alleen door de stroom te laten vloeien, kan er meer komen.

Een van de Groten heeft gezegd: Vergeet jezelf opdat je de goedheid van andere mensen herinnert. We kunnen geen beter advies krijgen. Maar hoe vergeten we onszelf? We zijn allen zo met onszelf bezig, met wat we wensen, wat we als doel hebben, de functie die we willen hebben, de achting die andere mensen voor ons moeten hebben, wat we zouden verliezen, vele dingen, vele gedachten en vele interessen, geconcentreerd in wat wij "onszelf" noemen. Als we onszelf kunnen vergeten, zullen we zien dat onze vooruitgang makkelijker gaat; het zal vlugger en natuurlijker gaan, omdat het dan een proces van opengaan van binnenuit is. Dan zullen we in staat zijn ons te realiseren wat de waarheid is van het gezegde in Licht op het Pad "groei als de bloem groeit - onbewust", maar open naar alles dat goed, waar en mooi is. We kunnen de meest volmaakte verzekering krijgen met betrekking tot ons doel en onze vooruitgang. Waarom zouden we ons druk maken over onze vooruitgang? Het gaat vanzelf. Onze enige zorg is hoe we moeten leven en wat we nu moeten doen.

Concentreer je op alles in het leven, behalve op jezelf en je wensen. Op Waarheid, op de Meester, op het dienen en begrijpen van degenen die je omringen, dan zul je ontdekken dat waar je je op concentreert, zonder jezelf erbij te betrekken, een diepe betekenis krijgt. Het is de bezetenheid van zichzelf die het grootste beletsel is. Het hele vraagstuk van het spirituele leven bestaat uit deze afschaffing van het zelf, ons leven te leven zonder teveel aan onszelf te denken, het doen voor anderen wat we kunnen.