William Quan Judge, na het naschrift

Henk Spierenburg

In Lucifer nr. 6 van december 1996 vinden we een naschrift van de hand van de heer B. Voorham, naar aanleiding van een ingezonden artikel van Rob Pullen en een artikel van schrijver dezes in Theosofia van augustus 1996. Het naschrift verheugt mij niet. In dezelfde Lucifer echter, vinden we ook een inleiding met de titel Derhalve, van de hand van de heer H.C. Vermeulen, en de woorden daarin verheugen mij zeer.

De reden dat het naschrift van de heer Voorham zo'n reactie bij mij oproept, is, dat hij vrijwel nergens ingaat op de argumenten die in Theosofia worden gegeven. Het heeft natuurlijk geen enkele zin al die argumenten te herhalen. Dat is ook niet nodig, want hij raadt de lezers van Lucifer aan het artikel in Theosofia zelf te lezen. Wie dat niet doet, kan ook niet tot een oordeel komen.

In het naschrift echter, vinden we een aantal opmerkingen die te beschouwen zijn als historische onjuistheden. Ik wil zeker niet zeggen dat er sprake is van een bewuste geschiedvervalsing. De historische onjuistheden ontstaan eerder door het ontbreken van goede bronnen in de bibliotheek van de heer Voorham. Dit laatste is jammer, want uit de artikelen van zijn hand die ik heb gelezen, concludeer ik dat hij zeer wel in staat is gegevens op ordelijke wijze te rangschikken en tot een zeer leesbaar artikel te componeren. Welke bronnen gebruikt hij in zowel het artikel in Lucifer van April als in december 1996? In de eerste plaats het boek van Charles J. Ryan, H.P. Blavatsky and the Theosophical Movement. Dit boek is uitgegeven in 1937. De Pasadena herdruk van 1975 vermeldt weliswaar dat het 'revised' is, maar wie de teksten vergelijkt ziet dat er hier en daar wat gestroomlijnd is, meer niet. De Point-Loma herdruk, die door de heer Voorham wordt gebruikt, heeft een appendix over de latere geschiedenis, verder is de tekst gelijk aan de uitgave van 1937. Een geschiedenisboek van 60 jaar geleden kan echt niet meer dienen. Het boek van Boris de Zirkoff en Sven Eek, William Quan Judge, 1851-1896, etc., is in 1969 uitgegeven door de TPH, dus de TS (Adyar). Hoewel het beledigende opmerkingen aan het adres van Annie Besant en kolonel Olcott bevat, heeft de president Sri Ram de uitgave toch goedgekeurd, hoofdschuddend volgens de ooggetuigen. Slechts werd een plakkertje op blz. 27 toegevoegd. De tekst is letterlijk overgenomen in het eerste deel van Dara Eklund's Echoes of the Orient. De bedoelde opmerkingen vindt men daar op blz. xlv. Voor zover het boek iets zegt over de verhouding tussen Judge aan de ene kant en Olcott en Besant aan de andere kant, voegt het niets toe aan wat Ryan al eerder schreef. Een ieder die de moeite wil nemen kan dit op eenvoudige wijze controleren. Dezelfde Sven Eek schreef de teksten van de biografieën die men vindt in de appendix van het verder uitstekende boek Dâmodar and the Pioneers of the Theosophical Movement. Overigens, dat boek is ook al door de TS (Adyar) uitgegeven in 1965. Kijken we naar de genoemde biografieën, dan vinden we vele beledigende opmerkingen weer herhaald. Een staaltje hiervan is te vinden op blz. 6578. De heer Voorham zou de gehele tekst die daar wordt aangehaald eens moeten lezen. Een fotokopie zal ik hem gaarne toezenden. Deze boeken, of in het laatste geval, een deel daarvan, vormen de wankele basis van zijn betogen over Olcott en Besant.

Zoals reeds opgemerkt, de argumenten gegeven in het artikel in Theosofia ga ik hier niet herhalen. Wèl wil ik gaarne een paar opmerkingen maken over een enkele historische onjuistheid in zijn naschrift.

Ryan schrijft: (1) "Naar zijn eigen idee [for his own voluntary act], zou aan Judge de algehele leiding van de Esoterische School gegeven moeten worden. Toen echter het besluit genomen moest worden, kwam hij te voorschijn met een persoonlijke brief van HPB aan hem en las deze voor aan de groep, die de verantwoordelijkheid voor het te nemen besluit droeg. Deze brief schreef zij kort voor haar dood en bevatte een passage over Annie Besant waaruit haar bijzondere appreciatie bleek... Naar aanleiding van deze brief, en op grond van een voorstel gedaan door Judge, verdeelde de groep van representatieve leden die de verantwoording droeg, de leiding van de School tussen W.Q. Judge en Annie Besant." Voorham is deze tekst niet ontgaan. In het aprilnummer van Lucifer schreef hij op blz. 38: "Na de dood van H.P. Blavatsky kozen afgevaardigden van de E.S. Judge als haar opvolger in de E.S. Enkel en alleen omdat Judge toen een brief toonde die H.P. Blavatsky hem kort voor haar dood had gestuurd en waarin zij de grote waarde van Annie Besant in de E.S. benadrukte, koos men toen voor een dubbele leiding in de E.S., die van Judge en Besant. Zonder deze brief had men hem als enige opvolger geaccepteerd." In het decembernummer van Lucifer lezen we op blz. 226 "...dat binnen de E.S. hij [Judge] als nieuw Uiterlijk Hoofd werd beschouwd, welke functie hij op eigen initiatief deelde met A. Besant" en op blz. 227 zegt Voorham: "Uit het simpele feit dat Judge zelf voorstelde haar [Besant] mede te benoemen als uiterlijk hoofd van de E.S... [etc.]."

Veel van de latere discussies in de theosofische beweging zouden niet zijn gevoerd, indien dit onomstotelijk zou hebben vastgestaan. De geschiedenis van die beweging kent vele beweringen van enkelingen, die jaren na een bepaalde gebeurtenis hun beleving daarvan hebben opgeschreven. Zoiets kan waar zijn, of niet. In de meeste gevallen zullen we dat nooit weten. Soms echter, waren er zoveel mensen aanwezig, dat men ook jaren daarna geen onjuiste beweringen kon doen over een dergelijke gebeurtenis. Bij de opvolging van H.P.B. in de E.S. was dit ook het geval.

H.P.B. had haar Innerlijke Group tevens gemaakt tot een soort bestuur (Council) van de E.S. Dit bestuur bevatte naast de leden van de Innerlijke Groep ook de heren William Kingsland en William Wynn Westcott. Dit bestuur vergaderde na de dood van H.P.B., samen met Judge, over de opvolging. De notulen van die vergadering zijn verzonden aan de leden van de E.S. en later gepubliceerd in openbare bronnen, voor een ieder toegankelijk. (2) Wat vinden we in die notulen over de status van Judge: "Een volledige vergadering van het bestuur, benoemd door H.P.B., werd gehouden in het Hoofdkwartier van de Theosophical Society in Europa, 19, Avenue Road, Londen, Engeland, 27 mei, 1891. De leden van het Amerikaanse Bestuur waren vertegenwoordigd door Broeder William Q. Judge, volledig gemachtigd [with full power], en Broeder Judge nam deel als de vertegenwoordiger [representative] van H.P.B. onder een volmacht [general power] als hieronder vermeld..." Dan wordt de tekst gegeven van de aanstelling van Judge in Amerika, in de vertaling van Voorham: "[haar, H.P.B.'s] enige vertegenwoordiger voor de genoemde Sectie [E.S.] in Amerika" en als "het enige kanaal waarlangs alle communicatie gezonden wordt die uitgaat en ontvangen wordt tussen de leden van de genoemde Sectie en mijzelf." (3)

Hieruit wordt duidelijk wat de status van Judge was op die vergadering. Hij vertegenwoordigde het Amerikaanse bestuur van de E.S. en was daar tevens als H.P.B.'s vertegenwoordiger in de E.S. in Amerika. Zou kolonel Olcott daar aanwezig zijn geweest, dan hadden we hem ook in die notulen teruggevonden met dit soort aanduidingen. Nu komt de vraag waar staat dat Judge te voorschijn komt met de brief en voorstelt om de leiding van de E.S. samen met Annie Besant op zich te nemen. In de notulen van de genoemde vergadering staat de volgende zin: "Dat er is besloten en genotuleerd dat de hoogste officials in de School op dit moment zijn Annie Besant en William Q. Judge, in overeenstemming met de hierboven aangehaalde opdracht aan William Q. Judge van december 1888 en de opdracht van 1 april 1891 aan Annie Besant, alsmede met de geschreven verklaring van H.P.B. in een brief aan W.Q. Judge, gedateerd 27 maart 1891, die wij hier hebben gelezen, en waarin zij schreef dat Annie Besant als zodanig moest worden beschouwd." Nergens is te vinden dat Judge zelf voorstelde de leiding met Besant te delen. Ook de mededeling dat hij ter plekke de brief van 27 maart produceerde is nergens terug te vinden. H.P.B. had op het Hoofdkwartier een secretaris en een secretariaat. Dat een dergelijke verklaring daar niet bekend zou zijn is zeer onwaarschijnlijk. Ook is niets bekend van latere mededelingen van een of meer van de aanwezigen die de opmerking van Ryan zouden kunnen staven. In de geschiedschrijving van de United Lodge of Theosophists, een organisatie die zeker niet verdacht kan worden sympathie te hebben voor Annie Besant, vindt men geen woord dat in overeenstemming is met wat Ryan zegt. (4)Een ieder die deze boeken kent weet dat een dergelijke gebeurtenis daar zeker vermeld zou zijn. Wat mij bepaald verder ergert is Voorham's wijze van argumenteren en uitdrukken. Ons wordt aanbevolen de zaken in een broederlijke discussie op te lossen. Dat is mooi. Maar waarom noemt hij het artikel in Theosofia dan 'beweringen'? In Theosofia wordt een brief van de Mahatma M. aan Judge aangehaald. Voorham komt daarop terug (blz. 227). De wijze waarop hij dan een aantal volgende zinnen in die brief verbindt met het aangehaalde, suggereert een relatie tussen die zinnen. Die relatie is er niet. Nog zo'n geval: Sprekend over Chakravarti op blz. 227 zegt hij: "Verder wordt [door de schrijver in Theosofia] aangetoond dat deze Brahmaan bij sommige theosofen geliefd was." Veel belangrijker is echter de uitspraak van de gravin Wachtmeister dat Judge Chakravarti aanbeval als opvolger van Olcott. Voorham vermeldt dat niet! Als dit zo is, wat blijft er dan over van de beschuldigingen aan het adres van Chakravarti? Het heeft niet veel zin nog meer zaken te berde te brengen. Schrijver dezes wil best een broederlijke discussie, maar dan in de geest van wat de heer Vermeulen schreef, zeker niet in de geest van Voorham's wijze van argumenteren.

Henk J. Spierenburg

Referenties

(1)Pasadena 1975, blz. 2777; San Diego 1975, blz. 3014.

(2) Dara Eklund, Echoes of the Orient, vol. III, San Diego 1987, pp. 3503; Henk J. Spierenburg, The Inner Group Teachings of H.P. Blavatsky, 2nd ed., San Diego 1995, pp. xviiixxi.

(3) Een vergelijking van twee zinnen, resp. een stukje Engelse tekst van de aanstelling van Judge in Amerika en Olcott in Azië kan de lezer mogelijk helpen:

Judge: "...my only representative for said Section in America and he is the sole channel through whom will be sent and received all communications between the members of the said section and myself, and to him full faith, confidence and credit in that regard are to be given..."

Olcott: "...my confidential agent and sole official representative of the Esoteric Section for the Asiatic Countries. All correspondence relative to admission into, and resignation from, the Section shall be inferred to him, and all Instruction transmitted by him, and his decision is to be taken and accepted as given by myself."

(4) The Theosophical Movement, 18751925, New York 1925, pp. 2958; The Theosophical Movement, 18751950, Los Angeles 1951, pp. 1501.