Theosofia, Mei/juni 1974, pag. 112; Vertaald uit "The American Theosophist, februari 1972.

Zonder onderscheid van ras en kleur

door Helen V. Zahara

Leidt de leer over de wortelrassen tot discriminatie?

Vorig jaar maakte ik een reis door verschillende delen van Zuid-Oost Azië - Indonesië, Bangkok, Hong Kong, Taiwan en Japan - en ik was daarbij in de gelegenheid in allerlei plaatsen bestudeerders van de Theosofie te ontmoeten. Veel mensen koesteren een levendige belangstelling voor de theosofische ideeën, en daarbij stuiten zij dikwijls op belangrijke vraagstukken aangaande de esoterische leringen omtrent wortelrassen, die zij zich persoonlijk aantrekken. Wanneer zij theosofische literatuur beginnen te lezen, vinden zij daarin mededelingen waaruit op te maken valt dat mensen van verschillende etnologische en culturele groepen behoren tot verschillende wortelrassen of onderrassen, die dan van laag tot hoog opgesomd worden. De mensen die een blanke huid hebben of uit India (en Pakistan) afkomstig zijn, zijn ondergebracht in het vijfde wortelras, het Arische wortelras. Maar de grote meerderheid van de volkeren - de Mongolen, Indonesiërs, Chinesen, Japanners, Maleiers, enz. - staat geboekt als behorende tot het vierde wortelras, dat het Atlantische ras genoemd wordt. Sommigen interpreteren dit als een lagere sport in de evolutie-ladder, hoewel dit natuurlijk niet zo is. Meer dan eens is het mij op mijn reizen overkomen, dat ik sprak met mensen die een bijzonder goede opvoeding genoten hadden, intelligent waren en naar hogere waarden zochten en die mij vertelden dat zij niet verwachtten dat ze in dit leven veel vorderingen zouden maken, omdat ze "pas van het vierde wortelras" waren. Uit onze literatuur had zo'n persoon dan de conclusie getrokken, dat hij minder ver geëvolueerd of zelfs minderwaardig was, vergeleken met een mens van het vijfde wortelras.

Hetzelfde gaat op voor mensen van Afrikaanse afkomst, die vaak het etiket "overblijfselen van het derde wortelras" opgeplakt krijgen en daaruit leidt men dan al gauw af dat zij om die reden beperkt zijn in hun mogelijkheden. Ik ontmoette bijvoorbeeld nog niet zo lang geleden een jonge geleerde uit West Afrika, die lid was geworden van de Theosofische Vereniging. Hij vertelde mij, dat toen hij pas begon met de Theosofie te bestuderen, een van zijn mede-West Afrikanen, die ook lid was van de Vereniging, hem zei dat volgens de Theosofie het zwarte ras het laagst op de ladder van evolutie staat en dat het blanke ras geestelijk het verst gevorderd is. Zolang zij in zwarte lichamen leefden, zouden zij maar weinig vooruitgang boeken; zij moesten nog door het gele ras gaan en daarna door het blanke ras. Toen deze jonge man naar Europa en Noord Amerika kwam, vertelden theosofen hem daar, dat hij in zijn vorige incarnatie waarschijnlijk een blank lichaam gehad had en dat hij naar Afrika gezonden was om zijn medemensen te helpen. Wat hem kwetste was de gedachte dat zwarte mensen niets zouden kunnen bereiken op intellectueel of geestelijk gebied, tenzij zij al eens blank geweest waren. Hij begon te geloven dat de Theosofische Vereniging het racisme steunt en hij kon dit niet rijmen met de eerste doelstelling van de Vereniging, waarin sprake is van de universele broederschap der mensen, zonder onderscheid van ras, geloof, geslacht, kaste of huidskleur.

Wanneer we de studies in aanmerking nemen, die psychologen gemaakt hebben over de ontwikkeling van het beeld dat mensen van zichzelf hebben, het doel wat men in zijn leven heeft en de idee dat mensen handelen in overeenstemming met wat van hen verwacht wordt, dan rijst onwillekeurig de vraag wat onze literatuur en onze opmerkingen over wortelrassen teweeg gebracht hebben in het zelfrespect en de toekomstverwachtingen van mensen die hier op deze wijze op reageren. In onze Vereniging, die als eerste doelstelling de broederschap der mensen heeft, bestaat deze vreemde paradox van een groots vizioen van eenheid die geen onderscheid kent, met daarnaast een filosofisch stelsel dat dikwijls tot gevolg heeft dat hele groepen van mensen in duidelijk afgescheiden categorieën ondergebracht worden, gebaseerd op hun huidskleur en etnologische achtergronden.

De wortelrassen in "De Geheime Leer"

Wanneer we het denkbeeld van de wortelrassen, zoals we dat aantreffen in onze boeken, eens nader bekijken, dan merken we dat het bijzonder ingewikkeld is en kunnen we begrijpen dat deze tegenstrijdige gezichtspunten zijn ontstaan. Er wordt gesproken over de ontwikkeling van verschillende wortelrassen en onderrassen, die plaats vond op verschillende delen van de wereld, in verschillende historische tijdperken en onder verschillende volkeren. Zo wordt bijvoorbeeld gezegd dat de wieg van het derde wortelras, het Lemurische, stond waar nu de Stille Oceaan is en dat dat continent zich uitstrekte tot over wat nu Centraal Afrika genoemd wordt.

In "De Geheime Leer" zegt H. P. Blavatsky, dat in het derde wortelras de scheiding van de geslachten plaats vond. Dit gebeurde achttien miljoen jaar geleden, toen de echte stoffelijke mens met een beenderstelsel ontstond. Het is echter wel duidelijk dat de afstammelingen van die mensen vandaag de dag niet meer dezelfden zijn. Zij moeten stoffelijk, emotioneel en mentaal een evolutie doorgemaakt hebben. H.P.B. zegt in feite: "Wanneer wij derhalve... van mensen spreken, die 18.000.000 jaar geleden onze bol bewoonden, hebben wij noch mensen van onze huidige rassen, noch de tegenwoordige atmosferische wetten, thermische toestanden, enz. op het oog." (G.L., I, blz. 502, Fricke vert.)

Toen het derde wortelras ontwikkeld werd had de mensheid - volgens "De Geheime Leer" - pas drie zintuigen ontwikkeld: gehoor, gevoel en gezichtsvermogen. Sinds die tijd zijn er nog twee zintuigen werkzaam geworden: de smaak, in het vierde wortelras en de reuk in het vijfde. Wij weten dat de zogenaamde overblijfselen van het derde wortelras ook vijf zintuigen hebben en daarmee bezitten zij dus kenmerken, die tot het vijfde wortelras behoren. We kunnen dus niet zeggen dat zij zijn als hun voorvaderen en we moeten eigenlijk helemaal niet zeggen dat zij tot het derde wortelras behoren.

Wanneer we nu ons oog richten op die mensen, waarvan gezegd wordt dat zij van het vierde wortelras zijn, of dat zij de afstammelingen daarvan zijn, waaronder wij dan al die miljoenen mensen in Azië (exclusief de bewoners van India en Pakistan) verstaan, dan kunnen wij opmerken dat ook zij vijf zintuigen hebben. Het is waarschijnlijk vier miljoen jaar geleden dat het Atlantische wortelras zijn toppunt bereikte en sindsdien is de evolutie van het stoffelijk lichaam, de emoties en het denkvermogen verder gegaan, in alle volkeren, over ter wereld.

In "De Geheime Leer" zegt H.P.B., dat het ene wortelras het volgende gedurende enorm lange tijd overlapt en dat het oudere wortelras de kenmerken van het jongere overneemt: " . . . de rassen, onderrassen, enz. enz., tot hun kleinste vertakkingen toe grijpen over en in elkander, totdat het nagenoeg onmogelijk is ze te scheiden." (II, 381).

Nu de afstanden tussen de volkeren der aarde steeds kleiner worden, beginnen alle culturen onderling talenten en cultuurpatronen uit te wisselen en dit op steeds groter schaal, zodat er een soort wereldbeschaving aan het ontstaan is. Daarom vindt het over en in elkander grijpen nu in nog veel groter mate plaats dan toen H.P.B. bovenstaande woorden bijna een eeuw geleden neerschreef.

Het belangrijkste aspect van het leerstuk over de wortelrassen is, naar het schijnt, het feit dat het ons wijst op de stroom van het leven en de ontwikkeling van het bewustzijn. Voor zover ik het begrijp, begonnen de eerste twee wortelrassen (hoewel ze alleen op etherisch niveau bestonden) het vermogen te ontwikkelen van gevoel en gewaarwording, op een heel elementaire wijze. Toen de stoffelijke mens verscheen, ontwaakte de emotie en ontstond het begin van verstandelijkheid. Later, zo wordt gezegd, ontwikkelde zich het lagere verstand. Nu is de beurt aan het hogere verstand om te ontwaken. We moeten echter niet vergeten, dat deze verschillende gradaties van bewustzijn nog lang niet ten volle verfijnd en vervolmaakt zijn. Het denkvermogen zal bijvoorbeeld pas zijn volledige capaciteit ontwikkeld hebben wanneer de evolutie het einde van de vijfde ronde gepasseerd is.

We zien dat in alle landen en in alle beschavingsvormen alle vijf de zintuigen werkzaam zijn. Zo zijn ook de bewustzijnstoestanden alle vijf actief, alleen in verschillende mate. De klemtoon en de graad van ontwikkeling variëren van cultuur tot cultuur en van individu tot individu, hoewel de mogelijkheid ze te ontwikkelen in allen aanwezig is. Het is alsof er een spotlight gericht wordt op een bepaalde cultuur om een zekere eigenschap of capaciteit te stimuleren, waarna het licht zich verspreidt om allen te omvatten. Een voorbeeld: de technologie - een product van het denkvermogen - is in het westen tot ontwikkeling gekomen, maar als de andere volkeren niet het vermogen hadden haar te begrijpen en er op adequate wijze op te reageren, zou het zinloos zijn te proberen hen te leren hoe ze deze technologie aan hun eigen behoeften kunnen aanpassen. Daar is bijvoorbeeld de bevolking van Manus Eiland dicht bij Nieuw Guinea; een geïsoleerde groep, die de sprong maakte van de neolitische levenswijze naar die van de twintigste eeuw. Dr. Margaret Mead maakte hier tussen 1920 en 1960 een studie van. Ook in Afrika zijn verschillende groepen die een dergelijke sprong maken, wat erop wijst dat zij allen aspecten in zich hebben van het vijfde wortelras. H.P.B. heeft een interessante opmerking gemaakt over Afrika, die we in dit verband goed moeten overdenken: "De Afrikanen hebben vele honderdduizenden jaren lang hun werelddeel niet verlaten. Als het Europese werelddeel morgen verdween en in de plaats daarvan andere landen te voorschijn kwamen en als de Afrikaanse stammen zich scheiden en zich over de aarde verstrooiden, dan zouden zij het zijn, die over een honderd duizend jaar de meerderheid van de beschaafde volkeren zouden vormen. En juist de afstammelingen van diegenen onzer hoog beschaafde volkeren, die op een of ander eiland overgebleven mochten zijn zonder hulpmiddelen om de nieuwe zeeën over te steken, zouden in een toestand van betrekkelijke verwildering terugvallen.  Aldus vervalt de reden om de mensen in hogere en lagere rassen te verdelen en wordt dit een drogreden." (II, blz. 373)

Bij het voorbeeld van de technologie, die voortgebracht is door het westerse denkvermogen, moeten we niet vergeten dat dit op zich nog geen bewijs is van geestelijke ontwikkeling. We weten maar al te goed, dat de grote ontdekkingen van de wetenschap gebruikt zijn om steeds groter vernietigingswerktuigen te bouwen; hoewel andere ontdekkingen aangewend zijn voor het welzijn van de mens. Het denkvermogen kan, tenzij het gematigd wordt door eigenschappen van mededogen, begrijpen en broederschap, woester te werk gaan dan het instinct van de dieren. En verder is een gevoel voor schoonheid, dat doortrokken is van emotie, even belangrijk als het denkvermogen.

Voor onze evolutionaire ontwikkeling hebben we dus de eigenschappen nodig van alle ontwikkelingsfasen (wortelrassen) in hun hoogste en zuiverste vorm. Pas wanneer we volmaaktheid bereiken zal dit verwerkelijkt worden. Een ander belangrijk punt, dat naar voren komt uit de occulte leringen, is dat de gehele mensheid in geestelijke zin - dit in tegenstelling tot de psychische en stoffelijke zin - bestaat uit wat technisch genoemd wordt "tweede klas monaden". (De "eerste klas" monaden zijn de "maanpitris", de "vaderen", die de vormen verschaften voor de "tweede klas" monaden - de tegenwoordige mensheid). Wij behoren allen tot één klasse van monaden, die zich door de verschillende beschavingen heen beweegt, als onderdeel van het evolutiepatroon van onze bol.

Het theosofisch woordgebruik

Het is interessant om na te gaan wat de oorsprong geweest is van sommige woorden, die gebruikt worden in het theosofische stelsel dat ontwikkeld werd in de eerste dagen van onze beweging, toen de Adept-Broeders onderricht gaven aan Mr. A. P. Sinnett, Mr. A. O. Hume en anderen, via hun brieven. Klaarblijkelijk bestonden er in het engels geen woorden, waarin sommige van de denkbeelden, die zij trachtten uiteen te zetten, gevat konden worden. De Mahatma K.H. schreef op 30 juni 1882 aan Mr. Hume: "... Ik moet u erop wijzen dat het verschrikkelijk moeilijk is in het engels de juiste woorden te vinden, om de ontwikkelde Europeaan ook maar bij benadering een idee te geven van de verschillende onderwerpen, die wij zullen moeten behandelen." (Mahatma Letters to A. P. Sinnett, 3rd ed., blz. 60). De Mahatma M. schreef aan Mr. Sinnett: "... u zult een afspraak moeten maken over de woorden, die we zullen gebruiken wanneer we de cyclische evoluties bespreken. Onze woorden zijn onvertaalbaar. . ." (idem, blz. 70). In juli 1882 schreef de Mahatma K.H. nogmaals aan Mr. Hume: "M. (de Mahatma Morya) heeft Mr. Sinnett dringend aangeraden een terminologie op te stellen, voordat we verder gaan" (idem, blz. 80.) En in dezelfde brief: "Onze mystieke bewoordingen zijn voor ons net zo onbegrijpelijk als voor u, wanneer ze op zo'n kromme manier uit het sanskrit vertaald worden in het engels. . ." (idem, blz. 83). En ook in die brief: "Het is mogelijk dat mijn terminologie fout is; in dat geval bent u vrij er veranderingen in aan te brengen" (idem, blz. 82).

Het woord wortelras werd aangenomen om een stadium in de ontwikkeling van de mens mee aan te duiden en dit woord werd ook gebruikt in "De Geheime Leer" en de latere literatuur. In de interpretatie van de leringen kristalliseerde dit woord echter en werd steeds vaker gebruikt in verband met de lichamelijke evolutie en etnologische groepen en het woord "ras", zoals het gewoonlijk gebruikt wordt, in plaats van in de oorspronkelijke betekenis. Het lijkt wel alsof het grootse denkbeeld dat ieder wortelras een nieuwe fase was in de evolutie van de mens, waar de gehele mensheid deel aan had - namelijk de ontwikkeling van elk nieuw zintuig en van een nieuw bewustzijnsniveau - grotendeels over het hoofd gezien werd. Zoals G. A. Barborka schreef in "The American Theosophist" (februari 1970):

". . . het woord "rassen" is de oorzaak van veel verwarring over dit onderwerp. Het woord geeft de bedoelde betekenis niet weer, speciaal niet wanneer het voorvoegsel "wortel" wordt weggelaten, zoals zo dikwijls gebeurt. De etnologische betekenis doet datgene wat theosofen met "wortelrassen" bedoelen geheel teniet."

In zijn bijzonder waardevolle artikel "Races, Civilizations, Cultures", dat verschenen is in "The Theosophist" (februari 1971) wijst Wallace Slater erop dat "het verhaal van de mens niet zo duidelijk omschreven en recht toe recht aan is, als de vereenvoudigde versies in studieboeken over Theosofie voor beginners het doen voorkomen." Dat verhaal is in feite bijzonder verward en zou daarom wel eens misleidend kunnen zijn. Mr. Slater noemt stanza 11 in Anthropogenesis ("De Geheime Leer"), waarin aangegeven wordt dat het latere derde wortelras en het gehele vierde vernietigd werden. "Dit geschiedde toen het vijfde ras in zijn kinderleeftijd was" (II, blz. 307).

Een van de paragrafen, waarover onder de bestudeerders veel verwarring is ontstaan, slaat op de mededeling in stanza 12, sloka 47, die luidt: "Weinige (mensen) bleven over, enkele gelen, enkele bruinen en zwarten en enkele roden bleven over." Dit heeft men zo opgevat, dat sommige van de Lemurische en Atlantische rassen overbleven en uit die gedachtegang vloeien wellicht de reeds genoemde denkbeelden voort over de afstammelingen van het derde en vierde wortelras. Mr. Slater wijst erop, dat de toelichting niet spreekt over de Lemurische en Atlantische rassen, want die toelichting zegt duidelijk dat deze sloka (47) op het vijfde ras slaat, en wel in het bijzonder op de onderafdeling van het eerste onderras van het vijfde wortelras (II, blz. 309). Slater vat dit op als "... de eerste waarschuwing niet te dogmatisch te zijn bij het klassificeren van de bestaande vertakkingen van het menselijk ras."

Deze zelfde gedachte komt ook naar voren in het nu volgende citaat: "De Arische rassen bijvoorbeeld, die thans van donkerbruin, op zwart af, roodbruin-geel tot de blankste roomkleur uiteenlopen, zijn niettemin alle van dezelfde stam - het vijfde wortelras - en stammen van één enkele voorvader af, die in de hindoese exoteriek de soortnaam van Vaivasvata Manoe draagt. . ." (II, blz. 220).

Het is interessant dat Sri Madhava Ashish in "Man, Son of Man" (Londen 1970), dat handelt over de Anthropogenesis van "De Geheime Leer", het vijfde wortelras eenvoudig het menselijk Ras noemde.

Begrip en onbegrip

Er zou over dit veelomvattende onderwerp nog veel meer gezegd kunnen worden en de vele commentaren, die erop geschreven zijn, werpen veel vragen op, doordat ze zo ingewikkeld zijn en elkaar tegenspreken. Ik ben mij er zeer wel van bewust, dat wat ik er over gezegd heb niet afdoende of volledig is. De opmerkingen, die gemaakt zijn door bestudeerders als Geoffrey Barborka en Wallace Slater, die beiden hierboven zijn aangehaald, zowel als de uitspraken die in de loop van de jaren door anderen gedaan zijn, wijzen ons op de uitdaging waarmee de bestudeerders van de Theosofie overal geconfronteerd worden. Hebben wij de ware betekenis van de esoterische leer omtrent de wortelrassen verkeerd begrepen? Hebben de eerste schrijvers geprobeerd dit leerstuk in te passen in de. anthropologische kennis van de vorige eeuw of het eerste deel van deze eeuw, een kennis waarin deze leer werkelijk niet kán passen? Het lijkt niet onmogelijk dat dit het geval was. In "De Geheime Leer" en andere boeken wordt bijvoorbeeld van de Australische inboorlingen gezegd, dat zij overblijfselen zijn van het derde wortelras, dat zij weinig meer zijn dan dieren en dat zij uitsterven. Dit is gewoon niet waar, maar deze gedachtengang hoorde in die tijd bij de foutieve ideeën, die de blanke er op na hield over de inboorlingen en die nu grotendeels teniet gedaan zijn. Er zijn nog inboorlingen, die in stammen rondzwerven door de barre binnenlanden van Australië (iets waar overigens een behoorlijke intelligentie voor nodig is, anders zouden zij het niet overleven), maar anderen wonen in de steden, gaan naar de universiteiten, ontwikkelen hun technologische vaardigheden en nemen hun plaats in in de cultuur van de blanken. Onlangs werd voor de eerste maal een inboorling lid van de Australische Senaat. Een ander werd tenniskarnpioen in Wembledon.

Niet alleen in Australië, maar ook elders zijn nog mensen, die in een zogenaamde primitieve staat leven, zonder de hele aankleding van de westerse cultuur. Nu begint de westerse mens, die de aarde en de atmosfeer vergiftigd heeft, in te zien dat sommige gebruiken van die primitieve mensen meer in overeenstemming zijn met de wetten van de natuur, dan de prestaties die de technologie op velerlei gebied levert. Men kan nu wel zeggen, dat sommige mensen minder geëvolueerd zijn, omdat zij nog op een eenvoudige wijze leven (als we de westerse levenswijze als maatstaf nemen), maar waar het om gaat is, dat de mens een geestelijk wezen is, onverschillig hoe of waar hij leeft, en dat ieder van even grote waarde is in het grote geheel.

Als er verkeerde interpretaties bestaan over de betekenis van de wortelrassen, als onze benaderingswijze te materialistisch geweest is en als het beeld werkelijk zo verward is als het er nu uitziet, dan is nu misschien de tijd gekomen om het gehele onderwerp nog eens goed te overdenken en ons te bezinnen op onze verantwoordelijkheid in zake het uitgeven van boeken, waarin die pasklaar gemaakte interpretatie, die gebaseerd is op etnologische groepen, voorkomt - speciaal die boeken die een ongelukkige psychologische uitwerking zouden kunnen hebben op de lezers, zodat zij zich afwenden van het prachtige theosofische stelsel, dat gebaseerd is op deze grondbeginselen:

1) "... het ENE LEVEN, eeuwig, onzichtbaar en toch Alomtegenwoordig, zonder aanvang of einde... de éne zelf-bestaande werkelijkheid" (I, blz. 37),
2) "De gelijkheid in wezen van alle zielen met de Universele Over-Ziel, welke laatste zelf een aanzicht is van de Onbekende Wortel. . ." (I, blz. 13).

In deze waarheden ligt de grondslag voor onze broederschap en alle verschillen tussen zogenaamde rassen of etnologische groepen zijn alleen maar relatief.

Als we voort gaan de nadruk te leggen op de materialistische interpretatie in plaats van op de geestelijke, dan laten we een gelegenheid voorbij gaan een bijdrage te leveren aan de eenwording van de mensheid, op basis van occulte leringen. Zonder ons daarvan bewust te zijn dragen we ertoe bij dat vooroordeel en racisme in stand gehouden worden, al bedoelen we het misschien niet zo en wij geven de Arische suprematie wapens in handen. Aan de hand van bepaalde zinsneden uit onze literatuur zou men ons zelfs als fascisten kunnen bestempelen, hetgeen bezijden de waarheid zou zijn. Er staan in onze boeken opmerkingen, die de indruk kunnen wekken, dat mensen van het zogenaamde derde en vierde wortelras minderwaardig ziin ten opzichte van het zogenaamde Arische (vijfde) wortelras. Dit image wordt er niet beter op door de voorspelling in sommige van onze publicaties, dat over een paar eeuwen het zesde wortelras gevormd zal worden in een kleine gemeenschap in Californië, die geheel uit blanken zal bestaan en geheel afgescheiden zal leven (wat, zoals wij weten tegenwoordig in strijd zou zijn met de wetten van het land) en geen huwelijken zullen aangaan met mensen uit de buitenwereld. Als de schrijvers van sommige van deze boeken nu zouden leven, dan zouden zij beslist meer in overeenstemming met de geest van onze tijd schrijven en meer gericht op de noden van de hedendaagse mens. Waarschijnlijk zouden zij hun ideeën in andere bewoordingen naar voren brengen. Als hun boeken gehandhaafd blijven als bronnen voor studie, moeten we ze in dit licht lezen en de inhoud ervan niet als dogma of geloofsbelijdenis beschouwen.

Als het beginsel van broederschap en eenheid, zoals dat in de grondstellingen van "De Geheime Leer" beschreven wordt, de hoogste waarheid is en als broederschap de eerste doelstelling blijft van de Theosofische Vereniging, dan moet dat toch van invloed zijn op de manier waarop wij het leven en elkaar bezien en dan moet dat in onze studies en onze geschriften voorop staan. Of, zoals de Mahatma K.H. eens aan Mr. Sinnett schreef: "De woorden "Universele Broederschap" zijn geen holle frase... Het begrip dat zij omvatten is het enige hechte fundament voor een wereldwijde moraliteit."