Uit: The Theosophist, december 2001

De last van ons leven

Radha Burnier

Zelfs in deze donkere tijden van wijdverspreid materialisme wijdt een aanzienlijk deel van de mannen en vrouwen overal ter wereld zich aan het spirituele leven en zijn zij bezig met de zoektocht naar wijsheid. Zij nemen hun toevlucht tot allerlei methoden om de hogere niveaus van bewustzijn in zichzelf te ontdekken: zij worden lid van religieuze groeperingen, zij houden retraites, zij bestuderen de filosofische literatuur van andere naties en culturen, experimenteren met meditatie en zoeken in het algemeen. Men zou verwachten dat dit alles invloed heeft op het menselijk bewustzijn en menselijke activiteiten; maar dit gebeurt niet. De wereld blijft zelfzuchtig en materialistisch – zelfs agressief materialistisch.

Als geneesmiddel voor de ziekte van de wereld, haar staat van onwetendheid (avidya) en egoÔsme, hebben bepaalde scholen het belang aangestipt van het loochenen van het onwerkelijke, van de doelstellingen, activiteiten en waarden die de samenstelling vormen van wat wereldsheid genoemd kan worden. Het is duidelijk dat alle voorbijgaande dingen zoals macht, bezit en zelfs het leven op het fysieke niveau niet-werkelijk zijn of op zijn best slechts betrekkelijk werkelijk. De lering van deze scholen is dat het Werkelijke niet bereikt kan worden door gedachteprocessen of door het verlangen het te vinden; slechts wanneer al het niet-werkelijke en relatieve volkomen tenietgedaan is (neti neti: ‘niet dit’, ‘niet dit’) dan wordt in het zuivere, ongehechte individuele bewustzijn het Werkelijke weerspiegeld.

Andere scholen richten zich op bevestiging, niet op verloochening. De grote bevestiging ‘Brahman, het Eeuwige is al dit (de wereld van verschijnselen)’ betekent dat ofschoon het oneindige bewustzijn zich voordoet als vele dingen, vele vormen aanneemt met vele eigenschappen, schijnbaar afgescheiden van elkaar, er slechts ťťn echte Substantie is; net zoals ontelbare gouden sieraden, ook al verschillen ze in vorm, gewicht en omvang, allemaal van goud zijn. De verschijning is tijdelijk en daardoor onbelangrijk. Door te mediteren op de betekenis van zo’n bewering, zeggen zij, daagt het licht.

In de praktijk, of mensen nu bevestigen of ontkennen, eer betuigen of mediteren, naar een leraar luisteren of in discussie gaan, lijkt er niets te gebeuren. De beoefenaren en de zoekers blijven min of meer hetzelfde en de wereld ook. Wat is er dan mis? Wat is de ontbrekende factor? Het antwoord lijkt altijd te wijzen naar het ene fundamentele beletsel – het gevoel dat men een afgescheiden zelf is. Wanneer er een ontkenner aanwezig is die ontkent, een bevestiger die bevestigt, een mediteerder in het mediteren, een acteur die filantropische daden verricht, dan is de kern van wat er ook gedaan wordt werelds, niet spiritueel. Het zelf aan de basis van al deze handelingen is in essentie onwetend en derhalve werelds.

Is er een manier om zich los te maken van dit schaduw-zelf dat zich vastklampt en niet los wil laten? Wanneer wij het antwoord op dit probleem niet vinden, zullen wij misschien nooit ver komen. De Stem van de Stilte rept over het opgeven van het zelf aan het niet-zelf, van het zijn aan niet-zijn; maar de weerstand is sterk. De angst voor het niet-zijn is oppermachtig. Het denkvermogen, de doder van het Werkelijke, is sluw, subtiel, bedreven in het scheppen van illusies. Veel goede studenten vragen: wie zal de doder doden? Het denken bouwt voortdurend het zelfbeeld op en wil deze bezigheid niet opgeven. Het zegt: ‘ik vraag geen beloning of resultaat’, maar zoals ons wordt verteld (Essay over Karma in Licht op het Pad): ‘iemand kan weigeren zichzelf toe te staan over een beloning te denken. Maar juist in die weigering is het feit waarneembaar dat er een beloning verlangd wordt.’ Alleen het denkvermogen dat waarlijk niets verlangt – noch naar het comfort van nietsdoen noch naar de resultaten van activiteit, dat noch bevestigt noch ontkent, maar waakzaam en alert is – is gereed om uit zijn zelfopgelegde beperking te breken.

Door niets te verlangen van het leven, noch het te overwinnen noch eraan te ontsnappen, noch het te exploiteren noch ervan te genieten, wordt het denkvermogen in staat gesteld er volledig bij te zijn, observerend, zich verwonderend en zich verliezend in waar het mee tezamen is. Zoals de Bhagavad Gita (II.55) zegt: ‘als iemand alle begeerten, binnentredende in het hart, verwerpt, is hij diep tevreden in het Zelf.’ Dan begint het leven steeds meer van haar schatten te openbaren. Soms, wanneer men een boek leest, ziet men een minuscuul beestje over het papier lopen, zo klein dat het slechts een fractie is van de grootte van een miertje. Dit kleine beestje heeft een spijsverteringsysteem, motorische organen en een eigen kleine wil om te bewegen en te overleven. Wat bijzonder dat al die attributen kunnen bestaan in zo’n piepklein wezentje. In de Mundaka Oepanisjad staat: ‘het werkelijke is kleiner dan het kleinste en groter dan het grootste.’ Wanneer wij uit het raam kijken, zien we de oneindige lucht die prachtig verlicht wordt door de ochtend of de avondzon. Daarachter bevinden zich miljoenen sterren, een eindeloze ruimte. Al het leven dichtbij ons en rondom ons is vol mysteriŽn zoals de kleine mijt waaraan wij gewoonlijk geen aandacht besteden en de uitgebreide pracht van de ruimte, diepten van betekenis en schoonheden die wij negeren. Zoals Annie Besant schreef in The Ancient Wisdom (p.58): ‘onvoorstelbare pracht, heerlijke geluiden en tere subtiliteiten raken de muren van onze gevangenis en gaan onopgemerkt voorbij. Nog is het volmaakte lichaam niet ontwikkeld dat zal trillen bij elke hartklop in de natuur zoals de windharp in de koele westenwind.

Naarmate iemand zijn aandacht laat rusten op de mysteries die zich bevinden in elk moment en in ieder stukje ruimte, gaan de innerlijke kanalen van communicatie open voor betekenis, schoonheid en waarheid – met andere woorden, voor het Werkelijke, dat alomtegenwoordig is in het hier en nu. Het uiterlijk denkvermogen resoneert met het Ene Bewustzijn dat ‘troont in het lichaam’ van ieder bestaand ding. Anderzijds kan de aandacht gericht worden op de grote processen en wetten van het universum, op het doel dat gediend wordt met verdriet en vreugde, onschuld en volwassenheid – alle cyclische processen in het leven. Om hun betekenis te begrijpen en te leren wat zij ter onderricht aanbieden moet er langdurige belangstelling zijn en moet contemplatie het hart  zonder reserve openen voor de diepten die aan de oppervlaktebewegingen van het leven ten grondslag liggen.

De muren die het zelf insluiten verzwakken en wijken naarmate ogenblikken van verwondering, van contemplatie, van ontvankelijkheid voor schoonheid het dagelijks leven transformeren van strijd en routine tot een stroom van vrede, affectie en stille vreugde. Het kleine zelf dat zich in elke handeling, positief of negatief, indringt, smelt al gauw weg tot niets. Er ligt een diepe betekenis in het advies,

‘Zoek in uw hart de bron van het kwaad en verwijder die… hecht de energie van uw ziel aan deze taak. Leef noch in het heden noch in de toekomst, maar in het Eeuwige. Dit reuzenonkruid kan daar niet bloeien.’

Ondersteboven visie

Het zijn de grootste problemen van de mensheid die zich lijken te verzetten tegen een oplossing, zoals de nimmer eindigende conflicten en oorlogen en de kunstmatige ongelijkheden die in elke samenleving zijn aangebracht om slaven en meesters, rijk en arm en slimme en domme mensen te verdelen. Zijn er echt geen oplossingen, of is er een ernstige tekortkoming in ’s mensen benadering ervan?

De Bhagavad Gita zegt dat de levensboom haar wortels aan de bovenkant heeft en haar takken aan de onderkant – schijnbaar ondersteboven! Men zegt dat het fysieke oog een ondersteboven beeld produceert van de voorwerpen die het waarneemt, maar dat het denkvermogen zichzelf getraind heeft om het beeld om te keren. Misschien weerspiegelt het mentale oog ook wat het waarneemt op een ondersteboven manier, maar heeft het niet geleerd haar percepties te rectificeren en verband te leggen tussen haar incoherente ideeŽn.

Door bovenstaande metafoor suggereert de Gita dat alle levende dingen hun voeding moeten verlangen van de hoge gebieden van de Geest, maar het grootste deel van de mensheid tracht wanhopig zich te voeden met ‘wereldse wijsheid’. Dit betekent terugkijken op voorgaande ervaringen en ideeŽn en hetzij het oude denkbeeld te herhalen of het enigszins aan te passen en dan te geloven dat een schitterende nieuwe oplossing gevonden is – zoals de imperialistische en communistische denkbeelden over een wereldorde, die alleen maar een herbewerking zijn van het oudbakken idee dat geweld en dwang mensen kunnen redden. Ook religieuze ideologen praktiseren dezelfde theorie, maar klaarblijkelijk doet geen van hen werkelijk anderen goed; aan de andere kant hebben zij wel voor geweldig grote ellende gezorgd.

Een nieuwe kijk op problemen houdt misschien in dat wij onszelf niet moeten beschouwen als ‘van de aarde, aards’. De heilige Paulus (Brief aan de Romeinen, 12:2) zei, ‘En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken.’ Daar ons leven geworteld is in het gebied van de geest, dat een levendige, scheppende eenheid en harmonie is, kan pas wanneer dat principe wordt toegepast op wereldse zaken een begin worden gemaakt met het vestigen van een hemel op aarde.

Nationale belangen, het gebruik van geweld, het opbouwen van zakenimperiums en persoonlijke rijkdom, het opvoeden van jongeren om uit te blinken in het promoten van zichzelf enzovoort zijn denkbeelden die tot verval leiden, want zij maken deel uit van wereldse wijsheid; terwijl het volledig begrijpen, praktiseren en onderwijzen van universele broederschap een manier is om spirituele voeding te krijgen en onze op zijn kop staande visie te rectificeren.

Vertaling: A.M.I.