Het levensweb

Radha Burnier

SchrŲdinger was niet de eerste die de vraag stelde: ‘Wat is het leven?’, en hij zal ook niet de laatste zijn. Het leven is een mysterieuze energie en het antwoord op de vraag is moeilijk te geven. Het is verbijsterend dat er iets is dat binnenin ons is en overal rondom ons, waarvan wij toch niet weten wat het is. Het enige wat we weten is dat wanneer het er is, bepaalde dingen plaatsvinden, zoals groei, auto-organisatie en reproductie. Wanneer het zich terugtrekt – en het kan abrupt verdwijnen – desintegreren organismen vrijwel meteen.

Waar komt het leven vandaan? Wederom weet niemand het. Mensen zeggen soms dat het is als een damp die voortkomt uit de hersens – of iets wat even absurd is – maar niemand weet werkelijk waar het leven ontspringt. Maar wat het levensweb genoemd wordt is iets tastbaarder – wij maken er deel van uit – en door het te bestuderen en erover na te denken vangen wij misschien een glimp op van het mysterie dat het leven is, en begrijpen wij, al is het maar gedeeltelijk, de betekenis ervan.

In ťťn van de voornaamste Oepanisjads, de Mundaka, staat een diepgaande bewering:

Dat wat onwaarneembaar is, ongrijpbaar, zonder ras of kaste, zonder gezicht of gehoor, zonder handen of voeten, eeuwig, alles-doordringend, alomtegenwoordig, uiterst subtiel – dat is het Onvergankelijke dat de wijzen zien als de Bron van wezens. Zoals een spin [haar draad] spint en terughaalt, zo ontstaat [het universum] vanuit het Onvergankelijke.
Door contemplatieve kracht (tapas) expandeert Brahman – het Eeuwige.

Het web dat door de kosmische spin gesponnen wordt is het universum en het wordt (ook volgens bepaalde Afrikaanse tradities) geweven uit ťťn draad. Een ingewikkeld, prachtig functioneel netwerk strekt zich uit vanuit het midden in het hoogste spirituele gebied, steeds verder naar beneden tot op dit grove materiŽle niveau, waarvan wij ons alleen bewust zijn.

We hoeven alleen maar te kijken naar onze kleine aardbol om te beseffen uit welke enorme variŽteit aan materialen, levensvormen en gecompliceerde ontwerpen en processen het web bestaat. Deze diverse bestaansvormen maken samen een geheel en verschillen in ouderdom – oeroude rotsen en nieuwere rotsen, uitgestorven soorten en levende, duizendjarige bomen en jonge planten. Zij vormen een deel van het web dat steeds verandert naarmate de spin doorgaat met het bouwen, repareren en herbouwen ervan. Annie Besant schreef:

‘De wereld werd niet in zijn huidige staat gebracht door een enkel scheppend woord. Langzaam en geleidelijk en door langdurige meditatie heeft Brahman de wereld gemaakt.’

Dit is de tapas of energie die gegenereerd wordt door diepe contemplatie en meditatie en waardoor Brahman, de transcendentale Bron, expandeert, terwijl hij verscheidene elementen uitademt en deze op wonderbaarlijke manieren combineert. Uit Goddelijke Gedachte komen alle vormen voort, en stadium voor stadium draagt de evolutie alle wezens naar steeds hogere fasen van volmaking. Werelden veranderen, eigenschappen komen tot bloei en nieuwe niveaus van bewustzijn worden bereikt door de aanzet van scheppende Gedachte in de innerlijke, onaanraakbare werelden. Wanneer Goddelijke Gedachte wordt teruggetrokken, bestaan gemanifesteerde vormen niet meer; dan is er Mahapralaya. Die gedachte is de draad waaraan alle wezens, beweeglijk en onbeweeglijk, geregen zijn als parels. De basis van waaruit de Gedachte voortkomt is ongrijpbaar, alomtegenwoordig en eeuwig. Het levensweb dat zich in de lagere werelden manifesteert weerspiegelt en onthult de orde, schoonheid, intelligentie, liefde en andere goddelijke eigenschappen van de Opperste Bron.

Het concept van het levensweb en de onderlinge verbondenheid van levende wezens is niet nieuw. Vele aloude volkeren beseften dat levensvormen verweven zijn op wonderbaarlijke manieren en dat het web een heilige oorsprong heeft. Het is een middel om de aangeboren eigenschappen van het Goddelijke te ontdekken. In India waren bergen en rivieren, bomen, rotsen en vogels en de Aarde zelf heilig, en zij werden beschouwd als levende entiteiten. Voor het lekenoog is de Ganga een rivier, maar voor hen die subtiele feiten aanvoelen is Ganga een godin. De hoge bergen van de Himalaya worden gezien als het verblijf van de goden door zowel Tibetanen als IndiŽrs. Vele goden hebben dieren en vogels als hun voertuigen, zelfs de nederige rat.

Amerikaanse Indianen voelden een nauwe verwantschap met de Natuur en haar kinderen, zoals de ontroerende woorden van Opperhoofd Seattle aangeven:

 ‘Elke glanzende dennenaald, elke zanderige oever, elke nevel in de donkere wouden, elke open plek en elk zoemend insekt is heilig in de herinnering en ervaring van mijn volk. Het sap dat door de bomen stroomt draagt de herinneringen van de roodhuid...’
Wij zijn een deel van de aarde en zij is een deel van ons. De geurende bloemen zijn onze zusters; de herten, het paard, de grootse arend, zij zijn onze broeders.
De rotsige hoogten, de sappige weilanden, de lichaamswarmte van de pony en de mens – allemaal behoren zij tot dezelfde familie.’

De Australische inboorlingen hadden gedetailleerde kennis van de aarde en de elementen, en soms redden zij het leven van onwetende witte avonturiers die verdwaalden in de woestijn. De inboorlingen konden hen laten zien waar water verborgen was in de aarde. Voor Taoisten is deze zichtbare wereld een afspiegeling van de rust van de zuivere Geest. Voor veel oude volkeren was eenheid met alle leven – de elementen, rivieren, bergen, bomen, insecten, dieren, vogels en deva’s – een realiteit.

In een recent boek heeft Rupert Sheldrake aangetoond dat verscheidene dieren een wonderbaarlijke gevoel van verwantschap hebben met hun bezitters. Zo wist bijvoorbeeld een hond wiens baas leed aan ernstige epileptische aanvallen van tevoren wanneer zij zich zouden voordoen en zo behoedde hij haar voor gevaar. Zulke gevoeligheid is verbonden met een gevoel van eenheid met de Natuur en met alle leven. Dit gevoel zou bij mensen verloren gegaan kunnen zijn door een onnatuurlijke levenswijze en buitensporige mentale activiteit. Zoals Mevrouw Blavatsky zei:

‘Van Goden tot mensen, van werelden tot atomen, van de zon tot het vitale hart van het laagste organische wezen – is de wereld van Vorm en Existentie  een enorme keten, waarvan de schakels alle onderling verbonden zijn.’

Het gevoel voor de heelheid en de heiligheid van het leven werd onderdrukt in de westerse wereld door het dogmatisme van de Katholieke Kerk. Giordano Bruno werd op de brandstapel gebracht omdat hij onder andere gezegd had dat er maar Een Oneindig Bestaan is: ‘Daarin heeft alles zijn bestaan, niet alleen actualiteiten – dat wil zeggen een universum dat thans bestaat – maar alle universums die zouden kunnen bestaan.’ Deze periode in de westerse geschiedenis werd gevolgd door een tijd van dorre rationaliteit die tot op heden onze levens domineert. Intussen aapt de hele wereld het westen na, vanwaar wetenschappelijke ideeŽn zich verspreiden, die ontelbare aangename gemakken met zich meebrengen.

Gelukkig is er nu het begin van een nieuw paradigma, een verschuiving van het concept van een mechanistisch en betekenisloos materieel universum naar dat van een grenzeloos, levend, dynamisch bestaan met mysterieuze dimensies. Dit nieuwe gedachtengoed boekt maar langzaam vooruitgang. De wurggreep van het materialisme is nog zo sterk dat het voortschrijdend denken verplicht wordt het voor de hand liggende te bewijzen: dat levende wezens leven en bewustzijn hebben, en dat ze gevoelens hebben; dat het levensweb slechts ťťn Bron heeft. Daarom kan het lange tijd duren voordat er zoveel voortgang gemaakt wordt dat het besef daagt over wat een adept verwoord heeft over het web, en wat mystici, dichters, kunstenaars en zelfs kerkvaders zoals Bruno en Eckhart aangegeven hebben:

‘De Natuur heeft alle delen van haar Rijk verbonden met subtiele draden van magnetische sympathie, en er is zelfs een wederzijdse relatie tussen een ster en een mens;’ (MB p.296)

Eindelijk wordt de theorie dat de Natuur rood is van tand en klauw en dat het leven een bittere worsteling is waardoor geweld bijna een wetmatigheid geworden is, en wedijver en doden ‘natuurlijk’, weerlegd. Vooraanstaande biologen zeggen tegenwoordig: ‘Het dictum onder de meest grondig gedocumenteerde principes in de wetenschap der ecologie is dat twee soorten nooit hetzelfde plekje innemen.’ Duizenden voorbeelden zijn bekend waar soortgelijke typen samenleven omdat ze verschillend voedsel nuttigen, actief zijn op verschillende tijden en verschillende ruimten bezetten. Sommige planten voelen zich thuis in de woestijn en andere in het tropisch oerwoud. Sommige schepselen zijn nachtdieren en andere niet. De Natuur is zo goed georganiseerd dat voedsel over het algemeen gedeeld wordt, evenals territorium. De illusie dat alle wezens altijd met elkaar in oorlog zijn om te overleven is net als zeggen dat schoenmakers ruzie moeten maken met koks. In de menselijke samenleving voeren schoenmakers, tuinlieden en leraren geen oorlog met elkaar, omdat zij allen noodzakelijke partners zijn op aarde. De plantenfysioloog Frits Went zegt:

‘Er is geen gewelddadige strijd tussen planten, geen oorlogszuchtige onderlinge moordpartij maar een harmonieuze ontwikkeling op basis van samen delen. Het coŲperatieve principe is sterker dan het wedijverende.’

Hij wijst er ook op dat roofdieren alleen doden uit noodzaak; en dat ze niet doden uit haat, woede, hebzucht of plezier, zoals mensen. Volgens Konrad Lorenz, een andere bekende schrijver, tonen op talloze foto’s de gezichten van tijgers en leeuwen die hun prooi bespringen om te doden woede noch geweld.

Onderlinge relaties en samenwerking in de Natuur zijn op vele manieren aantoonbaar, zoals bij schepselen die elkaar vervoer bieden. Kleine zilverreigers die meeliften op de rug van buffels verlossen hen van irritante insekten en beestjes, en de buffels voorzien de vogels van insekten als ze gras uit de grond trekken. In het systeem van onderlinge hulp in de Natuur bieden schepselen elkaar op dezelfde manier beschutting (wij zijn ook gastheren voor micro-organismen in ons lichaam); wij waarschuwen anderen voor gevaar (net als eekhoorns en vogels dat doen wanneer er een kat langskomt). Ons wordt verteld dat geen enkele soort kon overleven als zij alleen op de planeet was. Zij zou uiteindelijk alle beschikbare voedingsstoffen uitputten en daar zij geen manier had om haar eigen afval in voedsel om te zetten, zou zij sterven. Het leven is noodzakelijkerwijze een gezamenlijke onderneming – zoals het nieuwe paradigma stelt.

Terwijl het denken van biologen in deze richting voortgaat, breken fysici zich het hoofd over hoe elektronen elkaar beÔnvloeden op grote afstand. Is er een substraat van bewustzijn dat hen verbindt? Dezelfde wetten en krachten zijn werkzaam in ieder gebied van het universum. Dezelfde kracht doet appels vallen en houdt planeten en andere hemellichamen in hun baan. De kosmos lijkt een universele orde te zijn. De Britse astronoom Sir William Rees zegt:

‘Alle delen van het universum lijken op dezelfde manier te evolueren, alsof zij een gemeenschappelijke oorsprong delen.’

 Andere bestudeerders van de Natuur ontdekken dat patronen zich herhalen in boombast, rotsformaties en elders. De spiraal, de ster en andere geometrische vormen verschijnen op micro- en macroniveaus, waardoor ze een basale eenheid suggereren. Het gebouw van de Wetenschap zelf is fase voor fase opgebouwd met gebruikmaking van logische processen, hetgeen impliceert dat er ordelijke verbindingen zijn die bestaande dingen tot een geheel integreren.

Onder alle waarneembare verschijnselen liggen ook spirituele verbindingen en energieŽn, die de aard van de Goddelijke Bron weerspiegelen. Het universum zelf is intelligentie, zoals de fysicus Hoyle suggereert. Het doordringt het universum, en de werking ervan is te zien in onze directe omgeving. Botanici weten dat er een ‘School in het Bos’ is, en veel dat jongeren niet weten wordt hun geleerd door hun ouders. Vogels en dieren voeden alle hun jongen op. Een tijdje geleden zagen wij dat een baby-eekhoorntje van de bovenkant van een deur afviel en buiten zichzelf rond rende voordat hij terugging naar de deur, waar zijn moeder haar neus tegen de zijne hield om iets over te brengen. Het jong begreep het niet en viel herhaaldelijk en rende rond voordat hij zijn moeder terugvond. Telkens gaf zij hem een boodschap door van neus tot neus totdat hij kon doen wat zij hem vertelde en zo de vrijheid bereikte. Hoe wist de moeder hoe zij haar kleintje dat moest leren?

De draad van een spinneweb moet dun genoeg zijn om niet gezien te worden door een vliegend insekt tot het te laat is, maar ook sterk genoeg om het gevangen insekt vast te houden. De spankracht ervan is dubbel zo groot als die van zelfs het beste staal dat de mens kan maken, en de rek ervan is groter dan van nylon! Veel menselijke produkten zijn gebaseerd op het observeren van de Natuur en de materialen die haar kinderen produceren. De honingraat van de bij is verbijsterend:

‘Mensen zouden nogal fijne meetinstrumenten nodig hebben voor zulke precisie. Bijen bereiken dit met hun antennes.’ (Geciteerd in The New Biology door Augros en Stanciu).

De zeshoekige vorm van de cellen zorgt voor maximale binnenruimte, vereist een minimum aan materiaal en geeft geen overbodige tussenruimten. De vleugels van vogels en insekten zijn zo geconstrueerd dat er een minimum aan weerstand is. Zij leren ons de lessen van de aŽrodynamica. Er werkt een kosmische intelligentie doorheen die ze helpt (ook bij mensen, als zij dit toestaan), zodat zij het goddelijke evolutionaire doel vervullen op hun eigen niveau, op hun eigen manier.

Het is Goddelijke Liefde die elk dier leert wat noodzakelijk is voor zijn eigen leven en voortgang naar volmaking. Zelfs wanneer levens worden opgeofferd is dat in de juiste mate zodat de hele cyclus kan functioneren. Annie Besant merkt op dat de vorm leeft door te nemen en dat het leven groeit door te geven. Opofferingen worden gemaakt door de verscheidene soorten en individuen zodat andere kunnen muteren en zich kunnen vervolmaken. Op het vormniveau lijkt de opoffering pijnlijk, maar gezien vanuit een hoger standpunt expandeert het leven.

Een van de vormen van spirituele energie die ten grondslag ligt aan de stroom van gemanifesteerd leven is schoonheid. Het wordt geopenbaard waar ook maar leven bestaat. Bomen en planten onttrekken voedingsmiddelen naar willekeur uit de aarde en transformeren ze tot vormen van schoonheid, tot de prachtige kleuren, weefsels en gevarieerde ontwerpen die ons in verrukking brengen. Torretjes, beestjes en andere schepselen, groot en klein, die we al of niet opgemerkt hebben – alle tonen zij, elk op zijn eigen wijze, de schittering van de Goddelijke Intelligentie; schoonheid, harmonie en liefde worden samen geweven in het web, daar zij intrinsiek zijn voor Goddelijke Ideatie.

Het hele leven is een wonder. Laat onze gedachten zich niet verzetten tegen Goddelijk Denken, waardoor de schoonheid, wijsheid en liefde die het web verlichten, buitengesloten worden. Precies zoals wit licht beter bekend is door regenboogkleuren, is de glorie van het Allerhoogste bekend door zijn emanatie, het universum. Menselijk leven is kostbaar omdat het de schoonheid van het web kan realiseren en de onderliggende betekenis en doelstelling van het evolutionaire proces kan begrijpen. Terwijl wij ons hart openen voor het leven als geheel, en voor de schittering die we zien door de manifestatie ervan, staan wij verbijsterd te kijken en vergeten wij onszelf. Sri Krishna, die het Universele Leven is, zowel in manifestatie als ongemanifesteerd, zegt in de Bhagavad Gita:

‘Versmelt uw manas met mij, wees mijn toegewijde, offer aan mij, werp u ter aarde voor mij, dan zult u mij bereiken.’

Waar naar verwezen wordt als MIJ is de bron van waaruit het levensweb voortkomt. Naarmate wij onze eigen kleine ideeŽn, verlangens en wil loslaten, en opgaan in het Goddelijke, verheffen zijn Schoonheid en Macht ons bewustzijn. Wij zijn inderdaad gezegend, daar wij begiftigd zijn met eigenschappen die ons in staat stellen te beseffen dat het web niet anders is dan de spin, het symbool van het Eeuwige.

Dit artikel is een weergave van een lezing gehouden ter gelegenheid van de Conventie te Adyar in december 2000.
Uit: The Theosophist, april 2001

Vertaling: A.M.I.
Theosofia 103/3 ∑ juni 2002 blz. 86 en verder