De gevaren van Partijdigheid (1)

Het is onmogelijk om beide zijden, de mannelijke en de vrouwelijke kant van de natuur, tegelijk te aanbidden; de een of de ander zal overheersen. Alleen door absolute, sexloze Eenheid te volgen kan het witte pad bewandeld worden. Vandaar de noodzaak van kuisheid. Het occulte en het fysieke moeten nooit vermengd worden. Concentratie op het één of het ander, is absoluut noodzakelijk. De natuurlijke neiging is in de richting van Zwarte Magie – dat is de reden dat vele jaren van training nodig zijn om elk vooroordeel op te lossen voordat je occulte krachten kunnen worden toevertrouwd. Voor je een occultist kunt worden, moet je elk vooroordeel, elke voorkeur voor het een of het ander opgeven.

De adept moet zichzelf volledig losmaken van zijn persoonlijkheid. Hij moet zeggen, Ik ben een kracht! Het is makkelijk om in zwarte magie te vervallen. Een zwarte magiër beraamt slechte daden zonder er over na te denken of anderen erdoor geschaad worden. Hij is in essentie zelfzuchtig, want hij werkt voor wat hij persoonlijk lief heeft. Schijnbare onzelfzuchtigheid kan in werkelijkheid zelfzucht zijn. Een partijdige daad van goedheid kan slecht worden, bijvoorbeeld door vijandigheid in de gedachten van anderen op te roepen. Het is noodzakelijk om bij het handelen elk gevoel van identiteit te verliezen en een abstracte kracht te worden. Er is goed en kwaad in elk punt van het universum en als je, hoe indirect ook, werkt voor je eigen partijdigheid, wordt je in dat opzicht een zwarte magiër. Het tegenovergestelde van rechtvaardigheid is partijdigheid. Als een mens de krachten van de Natuur zonder onderscheid en partijdig gebruikt, zonder oog voor rechtvaardigheid, is het Zwarte Magie. Een ziek mens helpen, is geen Zwarte Magie, maar persoonlijke voorkeur moet geen leiddraad zijn. Net als een oplichter handelt een Zwarte Magiër op grond van bepaalde kennis. Magie is macht over natuurkrachten. Als het Leger Des Heils bijvoorbeeld mensen hypnotiseert en psychologisch dronken van opwinding maakt, is dat Zwarte Magie. Bismarck en Beaconsfield zijn voorbeelden van Zwarte magiërs.

Op de astrale en psychische niveau's zijn de Meesters altijd sterker dan de Dugpas, want daar is goed sterker dan kwaad. Maar op ons fysieke niveau is het kwaad sterker dan het goede en moeten de Mahatmas listig zijn (wat tegengesteld is aan hun wezen). Ze ontmoeten hier grote moeilijkheden en kunnen negatieve gevolgen slechts afzwakken. In krachten die niet goed zijn, is er een afwezigheid van goed, niet een aanwezigheid van kwaad, en hoe hoger je gaat, hoe meer kwaad de afwezigheid van goed betekent. De eerste oefening in Dugpaschap is het psychologiseren van mensen. Elke mens heeft een potentiele Dugpa in zich. Als het zesde ras wordt afgesloten, zuller er geen Dugpa's meer zijn. Een Dugpa kan tijdens diens leven "bekeerd" worden, ten koste van verschrikkelijk lijden en beproevingen. Dugpa’s worden gewoonlijk vernietigd door Kundalini, het astrale vuur. Ze eten zichzelf op. De Dugpa wordt tot zijn eigen vernietiging gedwongen. Hij wordt gefascineerd, komt in een kwade stroom terecht en richt zichzelf zo ten gronde. De dieren van Dugpa’s hebben niets dan het dierlijke in zich en zelfs als ze de hoogste spiritualiteit in ze wakker maken, is het een dierlijk spiritualiteit met niets behalve gemeen zelfzuchtig instinct. Op de aarde is er geen kwaad hoger dan de Dugpa’s. Zij kunnen niet, als ze psychisch gezien worden, de aanwezigheid van rood verbergen. Dit is altijd zichtbaar in hun aura. De kleur is diep rood. Het teken van de aanwezigheid van een Dugpa is een koud, bedompt, leeg, slangachtig gevoel. Verwar bovenstaand gevoel niet met een ander gevoel; wanneer chela’s materialiseren, creëren ze een vacuum rond zichzelf dat voor ons aanvoelt als een verandering van atmosfeer, als werden we plotseling verplaatst naar een hoogvlakte in Tibet (het een is een droge kou als op grote hoogte, het ander is een vochtige kou.)

Voetnoten

(1) Vertaling van "Some Commentaries on H.P. Blavatsky's Esoteric Instructions I and II, by K.H. , gepubliceerd op www.blavatskyarchives.com/koothoomicommentaries.htm
Daniel Caldwell zegt over de oorsprong van deze commentaren: "Dit is een herdruk van Instructie VI, pp. 125-233 in E.S.T. Instructions Nos. IV, V, and VI. Deze publicatie werk in 1901 uitgebracht door De Oosterse School van Theosofie (The Eastern School of Theosophy, P.O. Box 1584, New York, N.Y.) Onderzoek heeft aangetoond dat dit materiaal van meester K.H. terug gaat tot de jaren 80 van de negentiende eeuw. Voor meer informatie over "Instructions VI" zie pp. xxiv en 197 van "The Inner Group Teachings of H.P. Blavatsky," 2nd revised and enlarged edition, samengesteld door Henk J. Spierenburg, San Diego, California, Point Loma Publications, 1995." Het hier geselecteerde stuk is een commentaar op pag. 10, laatste regel, tweede paragraaf van instructie I.