Theosophy in New Zealand, maart 2000

Een oneindigheid van binnen om Weg te geven

Diana Dunningham Chapotin

Excerpten uit de openbare lezing gegeven door Diana Dunningham Chapotin op de 103e Jaarlijkse Conventie van de Theosofische Vereniging in Nieuw Zeeland begin januari 2000.

Er is een oneindigheid binnenin ieder van ons om weg te geven;
wij moeten de manier ontdekken om die weg te geven.
N. Sri Ram

Wanneer wij geroepen worden tot het pad van dienst door het lijden rondom ons, merken wij al gauw dat daar een schijnbaar onuitputtelijk reservoir van liefde en energie voor nodig is. 'Goede doelen' eisen onze aandacht op van alle kanten. Hoe putten wij uit de grenzeloze krachten waarvan de heer Sri Ram zegt dat wij ze bezitten om te geven en lief te hebben? Denk eens aan alle situaties die getransformeerd zouden worden. Zelfs de toestandjes die wij allen hebben meegemaakt, zoals deze:

U staat op straat met een kennis of een vriendin die maar door blijft praten. Ze doet dat omdat ze eenzaam is. U weet dat en daarom probeert u geduldig te blijven, maar uw gedachten dwalen af naar uw horloge. En telkens weer. Is er een formule om te putten uit grotere vermogens tot begrip en geduld onder deze omstandigheden? Hoe doet u hier een beroep op uw innerlijke reserves?

Een vriendin zit erg in de rats over een bepaalde maatschappelijke onrechtvaardigheid. En u bent het met haar eens op dit punt. Zij heeft u gevraagd om met een handtekeningenactie door de buurt te gaan. U vind het niet erg om uw vrienden te vragen hun handtekening te zetten maar u vind het moeilijk om vreemden hiervoor te benaderen. Hebt u ooit de behoefte gevoeld om ergens tegen te protesteren maar u wat verlegen of aarzelend gevoeld om passende actie te ondernemen?

Hebt u weleens gemerkt dat u een bezoekje aan een oudere vriendin in een rusthuis uitstelt? U zegt tegen uzelf, ik MOET er heus deze week eens naar toe... of volgende week...

Maandenlang hebt u een vriendin geholpen. U komt er langzamerhand achter dat niemand iets bereikt heeft. Er lijken geen oplossingen voorhanden voor het probleem van uw vriendin, er komt geen verandering in de houding of het gedrag dat misschien bijdraagt tot het probleem. U zet zich wekenlang in en feitelijk krijgt u het gevoel dat u uw vriendin alleen maar aan het gezelschap houden bent, dat u slechts een luisterpost bent of een ontspanningsdienst. Hebt u dit wel eens bij de hand gehad?

Bent u weleens echt door de angst bevangen dat de mensheid deze planeet gaat vernietigen?

Hebt u zich er wel eens op betrapt dat u zich vaag teleurgesteld voelde toen iemand die u geholpen had, u hiervoor niet bedankte?

Bent u wel eens langs een bedelaar of een straatzwerfster gelopen terwijl u oogcontact vermeed?

Hebt u zich wel eens het vuur uit de sloffen gelopen om een of andere regeringsmaatregel of gemeentelijke beslissing tegen te houden, met als enig resultaat dat al uw pogingen op niets uitliepen en u zich overmand voelde door machteloze woede?

Bent u wel eens in omstandigheden geweest waarin u van anderen afhankelijk was en zich kwetsbaar voelde, en hulpeloos?

Bent u wel eens 'geholpen' door iemand anders die uiteindelijk de baas over u ging spelen?

Hebt u wel eens iemand langere tijd verpleegd of verzorgd en bent u daarvan zo vermoeid geraakt dat u zich afvroeg hoe lang u dat nog zou kunnen blijven doen?

Het is geen kwestie van trachten u te provoceren door dit soort vragen te stellen. De reacties die wij vaak vertonen in deze situaties zijn vooral heel menselijk. Al deze omstandigheden betreffen geven en dienstbaar zijn en de gevoelens die wij daarbij onvermijdelijk ervaren - gevoelens van machteloosheid, wanhoop, cynisme, vermoeidheid, verveling, angst, ongeduld enzovoorts. Het zijn allemaal situaties die vragen om inkeer tot diepere innerlijke hulpbronnen.

Terwijl wij deze gevoelens ervaren hebben wij een grote medestander, een grote metgezel, iemand tot wie wij ons kunnen wenden, die ons altijd kan helpen - Theosofia. Hoe helpt theosofie ons in al deze situaties? Welk verschil maakt de aanwezigheid van theosofie? Wanneer theosofen gevraagd wordt waar theosofie is in wat zij aan het doen zijn, antwoorden zij over het algemeen dat die zich in het hart ervan bevindt, dat hun filosofie het middelpunt is. Ik vraag me af of de lezers niet hetzelfde zouden zeggen - dat u voortdurend probeert de situatiies te begrijpen waarin u tracht de helpende hand te bieden in het licht van de theosofie, dat theosofie invloed heeft op de manier waarop u deze situaties opvat, op de manier waarop u daarop reageert. In feite, of wij het nu beseffen of niet, zet theosofie het geven in een veel ruimere context, het geeft een breder perspectief; het kan ons geven verdiepen.

Wat onze spirituele filosofie ook mag zijn, hoe onze opvatting van de wereld ook is, feitelijk, als we erover nadenken, beïnvloeden onze onderliggende metafysische vooronderstellingen onze houding ten opzichte van dood, ziekte, ouderschap, oorlog, het gebruik van de planetaire hulpbronnen, kernenergie - kortom, van alles, nietwaar? Wanneer we besluiten aan welke liefdadigheidsinstellingen wij ieder jaar gaan doneren en hoeveel, voor wat voor vrijwilligerswerk wij ons gaan aanmelden en hoeveel tijd wij daaraan willen gaan besteden, of wij onze bejaarde ouders bij ons laten inwonen, of wij bij onze kinderen gaan inwonen als wijzelf bejaard zijn, of wij ons als gewetensbezwaarde moeten aanmelden wanneer wij jong zijn, of wij een kind gaan adopteren, de oproep tot kwijtschelding van derde wereldschulden gaan steunen of inmenging van de Verenigde Naties in Tsjetsjenie, zelfs op welke politieke partij we gaan stemmen - wij neigen ertoe deze dingen, al dan niet bewust, te doen in het licht van onze levensfilosofie. De kwaliteit van onze dienst voor anderen, de diepte van ons geven, wordt rechtstreeks beïnvloed door ons wereldbeeld.

Wat is nu waarlijk theosofische dienstverlening, waarlijk theosofisch geven?

Theosofische dienstverleners letten niet alleen op de fysieke gezondheid en veiligheid, of het psychologische comfort van degenen die zij helpen, maar ook op hun groei op de lange termijn, op hun spiritueel welzijn. Zij zijn niet op zoek naar snelle resultaten maar naar perspectieven. Zij vragen zich af wat de karmische consequenties zijn van de voorhanden zijnde opties.

Theosofische dienstverleners gaan er niet op uit om de regering te bestrijden inzake sociale kwesties met een 'zij-tegen-ons' mentaliteit; zij streven naar consensus met alle liefde en intelligentie waartoe zij in staat zijn. Zij gaan alleen de eventuele strijd aan in het belang van de groep; zij stellen het welzijn van andere naties op een lijn met dat van zichzelf en trachten een globaal perspectief voor ogen te houden.

Hoe zien theosofische dienstverleners de pieken en dalen en vlaktes van psychologische ervaringen? Altijd in verhouding tot de bredere visie, tot cyclische evolutie, tot verenigend bewustzijn. Zij zien de manier waarop wij heen en weer slingeren tussen genot en pijn, verdriet en vreugde, aantrekking en afstoting, rust en activiteit enzovoorts als een functie van de polariteit die functioneert in het universum. Zij bezien lijden in termen van de groei die het teweeg kan brengen en de mogelijkheden die het biedt om zich te oefenen in mededogen.

Theosofische dienstverleners prijzen zich gelukkig dat zij betrokken zijn bij een onderneming, de enige onderneming waarbij er geen obstakels zijn. In de gewone alledaagse wereld is het zo dat als u een vlucht naar Singapore geboekt hebt en de luchtverkeersleiders staken, dan is dat een obstakel. Als u een stuk grond wilt kopen en u krijgt daarvoor geen lening, dan hebt u een probleem. Op het spirituele pad, met een spiritueel perspectief, zijn obstakels juist het terrein van actie. De moeilijkheden die zich onvermijdelijk voordoen wanneer wij trachten onze medemensen te helpen, dieren te beschermen of de planeet, zijn alle koren op de spirituele molen.

Nu hebben wij vastgesteld dat de theosofie, door het spirituele perspectief dat erin geboden wordt, ons geven kan verdiepen. Maar wat gebeurt er in het soort essentiële situaties die ik hierboven geschetst heb? Hoe is daarbij de kwaliteit van ons geven? Als er geen toverformules zijn om ons te helpen, zijn er dan niet tenminste een paar speciale principes, of inzichten, praktijken of gebeden die de latente wil, wijsheid en liefde binnenin ons kan vrijmaken?

Het lijkt mij dat theosofische dienstverleners er een aantal speciale overtuigingen op na houden die hun vermogen tot geven rechtstreeks beïnvloeden. Een hiervan is de overtuiging dat ieder mens volmaakt kan worden en uiteindelijk op een dag de voeten van de Meesters zal bereiken - of, als u wilt, tot zelfactualisatie, zelfrealisatie zal komen.

Herinnert u zich de volgende woorden van Annie Besant? Zij zegt: 'Geen enkele ziel die daarnaar verlangt kan ervan worden weerhouden op te stijgen; geen hart dat liefheeft kan ooit in de steek gelaten worden. Moeilijkheden bestaan alleen opdat we door ze te overwinnen sterk mogen worden, en alleen zij die geleden hebben zijn in staat te redden'.

De overtuiging dat iedereen volmaakt kan worden - het geloof in de spirituele lotsbestemming van allen die wij tegenkomen - helpt ons de kracht tot geven te vergroten en de selectieve, oordelende manier waarop wij soms te werk gaan bij ons geven, op te lossen. Deze overtuiging weerhoudt ons er onbewust van mensen af te schrijven. Een voorbeeld ter illustratie:

Wij zijn met zijn Drieën, U bent met zijn Drieën

Toen het schip van de bisschop voor een dag aanlegde op een afgelegen eiland, was hij vastbesloten zijn tijd zo nuttig mogelijk te gebruiken. Hij wandelde langs het strand en trof drie vissers aan die hun netten aan het boeten waren. In pidginengels legden zij hem uit dat zij eeuwen geleden door missionarissen gechristianiseerd waren. 'Wij christenen!', zeiden ze, terwijl ze trots op elkaar wezen.

De bisschop was onder de indruk. Kenden zij het Onze Vader? Zij hadden er nooit van gehoord. De bisschop was geschokt.

'Wat zeggen jullie als je bidt?'

'Wij richten onze ogen op de hemel. Wij bidden, 'Wij zijn met zijn drieën, u bent met zijn drieën, wees ons genadig'. De bisschop was ontzet over het primitieve, zelfs ketterse karakter van hun gebed. Dus besteedde hij de hele dag met hun het Onze Vader te leren. De vissers waren langzame leerlingen, maar ze deden hun best en voordat de bisschop de volgende dag scheep ging smaakte hij het genoegen hen de hele formule te horen uitspreken zonder een enkele fout.

Maanden later kwam het schip van de bisschop toevallig weer langs die eilanden en terwijl de bisschop over het dek ijsbeerde en zijn avondgebeden zei, herinnerde hij zich met genoegen de drie mannen op dat verre eiland die nu in staat waren te bidden, dank zij zijn geduldige inspanningen. Terwijl hij daar zo in gedachten verzonken liep, keek hij toevallig op en zag hij een lichtje in het oosten. Het licht kwam steeds dichter bij het schip en terwijl de bisschop in verwondering stond te kijken, zag hij drie figuren over het water lopen. De kapitein legde het schip stil en iedereen leunde over de reling om dit wonder te zien.

Toen ze binnen gehoorsafstand waren, herkende de bisschop zijn drie vrienden, de vissers. 'Bisschop!', riepen zij uit. 'Wij horen uw boot langs eiland gaan en komen u gauw gauw tegemoet'.

'Wat willen jullie?', vroeg de bisschop, vol ontzag.

'Bisschop', zeiden zij, 'wij heel, heel erg spijt. Wij vergeten prachtige gebed. Wij zeggen, 'Onze Vader in de hemel, uw naam worde geheiligd, uw koninkrijk kome...' de rest wij vergeten. Vertel ons gebed alstublieft nog een keer'.

'Vrienden, ga terug naar huis', zei hij, 'en iedere keer als jullie bidden, zeg dan, 'Wij zijn met zijn drieën, u bent met zijn drieën, wees ons genadig!'.

Naarmate wij ouder worden, beseffen wij dat ieder individu wel een paar fantastische eigenschappen heeft, ongeacht hoe beschadigd zij zijn. Er is altijd wel een aspect van iemand waar wij mee kunnen werken. En de kwaliteit van onze aanwezigheid, hoe kort we ons dit ook maar kunnen veroorloven, kan precies de gave zijn die zij nodig hebben. Het groeiende besef van het kostbare van ieder individu zorgt ervoor dat wij net iets meer geduld hebben met die vervelende persoon, met die mensen die er niet in lijken te slagen hun problemen onder de knie te krijgen, met de bejaarde die eindeloos dezelfde verhalen vertelt. We merken dat het leven dat in alles verborgen is, inderdaad leeft in ELK atoom, dat een verborgen licht schijn in IEDER wezen en dat de Liefde die het universum belevendigt, niet alleen het mooie, vriendelijke en aantrekkelijke omvat maar ook het lelijke, het irritante en het hebberige!

Een Amerikaanse vrouw genaamd Rachel Naomi Remen maakt onderscheid tussen repareren, helpen en dienen. Zij zegt dat 'repareren' een vorm van oordelen is. Wanneer wij iemand 'repareren', zien wij hem als kapot. Als wij repareren, zien wij de heelheid, - de volmaaktheid - in de ander niet. Ook 'helpen', zoals zij het definieert, is niet ideaal. Helpen, zegt zij, is gebaseerd op ongelijkheid. Wanneer wij helpen, gebruiken wij onze eigen kracht om diegenen met minder kracht te helpen. Wanneer wij mensen helpen, zouden wij zonder het in de gaten te hebben hun eigenwaarde kunnen doen afnemen. Door te helpen steekt men zich in de schuld. Dienen, aan de andere kant, is wederzijds. Wij dienen niet met onze kracht, wij dienen met onszelf. Wanneer wij helpen, hebben wij een gevoel van tevredenheid. Wanneer wij dienen, hebben wij een gevoel van dankbaarheid. Rachel Remen zegt er het volgende over: 'Als helpen een ervaring van kracht is, is repareren een ervaring van beheersing en expertise. Dienst, aan de andere kant, is een ervaring van mysterie, overgave en ontzag... Het is gebaseerd op het grondbeginsel dat het karakter van het leven heilig is... Wanneer u helpt, ziet u het leven als zwak, als u repareert, ziet u het leven als kapot. Wanneer u dient, ziet u het leven als heel.'1

Natuurlijk is het ultieme middel tot het vrijmaken van onze innerlijke capaciteit tot dienen in deze zin het ontdekken van onze eenheid met alle andere levensvormen. In feite is het zo dat als wij onze eenheid met anderen beseffen dat wij beginnen met het aanboren van wat toverkracht lijkt om te troosten, te beschermen, te genezen, op te heffen en te transformeren.

Wat brengt het besef van eenheid teweeg? Hoe boren mensen die innerlijke bron aan? Sommigen bidden, sommigen mediteren, sommigen roepen engelenkrachten aan of hun eigen hoger zelf. Sommigen gebruiken bezwerende woorden, zelfs rituelen, die hen zuiveren voor dienst en hen openstellen als een kanaal waar spirituele krachten doorheen kunnen vloeien. Hier is een bezwerende formule van George Arundale die misschien van nut kan zijn:

Krachten van Liefde

O Krachten van liefde! Wij betuigen u onze trouw, wetende dat alleen liefde de wereld kan verlossen. Wij roepen uw zegen aan over diegenen die ernaar streven u te dienen. Wij roepen uw zegen aan over allen die lijden, opdat zij ontdekken dat zij in uw liefde zijn opgenomen temidden van hun leed. Wij roepen uw zegen af over allen die anderen doen lijden, zodat zij ertoe gebracht worden terug te keren tot u en u te dienen.

Het zou fantastisch zijn als we een formule zouden vinden die onze onaangeboorde liefde en wijsheid bij toverslag zou vrijmaken, is het niet? Dan zouden wij precies weten hoe wij ons in het straatgevecht moesten mengen, hoe wij 'burnout' zouden kunnen vermijden, hoe wij inmenging in de levens van anderen kunnen voorkomen, hoe wij moeten omgaan met woede en wanhoop.

Linda Jo Pym, een theosofe die de kliniek voor geestelijke gezondheid aan de Universiteit van Washington in Seattle leidt, zei eens: Dienst gaat niet over het idee van dienst of de sociale verdienste ervan; het gaat over diep ingaan in de plaats waar wij Een zijn. Het is niet een stel regels en bepalingen. Wanneer wij een beslissing nemen, hoe vaak zijn we dan gecentreerd in die plaats diep binnenin ons? Of rammelen we alleen maar met regels, ideeën en principes door elkaar in ons hoofd? Het hele eieren eten is het vinden van dat speciale deel in ons van waaruit wij kunnen antwoorden.

Hoewel het waar is dat er soms ervaringen zijn in ons leven, als donderslagen bij heldere hemel, die een bewustzijn van eenheid oproepen, ontstaat het besef van eenheid meestal ongemerkt. Het is een proces, dat begint met de natuurlijke impuls om de helpende hand toe te steken aan anderen in gevaar of in moeilijkheden. Wanneer wij iemand zien die op het punt staat flauw te vallen, wat gebeurt er dan? Onze armen gaan automatisch naar voren. Wat doen we wanneer een kind van zijn fiets valt? Wij helpen hem weer overeind. Wat doen we als we horen dat een buurman ziek is? Terwijl wij met een hand de hoorn op de haak leggen, pakken wij met de andere de soeppan.

Onze impuls om anderen ten dienste te zijn is niet iets wat voortkomt uit het verlangen te schitteren of om ons zelfrespect op te krikken - niet echt. Het ontstaat uit een onderliggend saamhorigheidsgevoel, zoals Ram Dass zegt, een drang naar eenheid. Cynici zouden misschien zeggen dat wij sociale dieren zijn en dat onze drang om te proberen te helpen een soort kudde-instinct is, een daad van collectief zelfbehoud. Dit is waarschijnlijk precies hoe onze evolutionaire reis begonnen is. Dit is echter niet de essentie van het instinct om de ander tegemoet te komen. Wij lijden aan het gevoel van onze eigen afgescheidenheid, nietwaar, en dit stelt ons in staat de pijn van isolatie in anderen te herkennen. Hierdoor wordt onze bezorgdheid veroorzaakt.

In het boek, How Can I Help? van Ram Dass, spreekt een Amerikaanse vrouw over een bijzonder inzicht dat zij kreeg over onze onderliggende natuur, onze verwantschap, ons saamhorigheidsgevoel.

In de vroege stadia van mijn vaders ziekteproces door kanker, vond ik het heel moeilijk te weten hoe ik hem het beste kon helpen. Ik woonde zo'n duizend mijl bij hem vandaan en kwam af en toe op visite. Het was moeilijk aan te zien hoe hij achteruit ging en nog moeilijker om mezelf zo onhandig te voelen, onzeker wat ik moest doen of zeggen.

Tegen het einde werd mij gevraagd plotseling te komen. Hij was aan het wegglijden. Ik ging meteen van het vliegveld naar het ziekenhuis en toen rechtstreeks naar de kamer waarvan ik dacht dat hij er lag.

Toen ik binnenkwam, zag ik dat ik mij vergist had. Er lag een heel, heel oude man, bleek en haarloos, vermagerd, die met diepe uithalen ademde, diep in slaap, schijnbaar dichtbij de dood. Dus draaide ik mij om, om de kamer van mijn vader te gaan zoeken. Toen stond ik als verlamd stil. Ik besefte plotseling, 'Mijn God, hij is het!' Ik had mijn eigen vader niet herkend! Het was het meest schokkende ogenblik van mijn leven.

Goddank lag hij te slapen. Alles wat ik kon doen was naast hem gaan zitten en aan dit beeld voorbijgaan voordat hij wakker werd en mijn geschoktheid zag. Ik moest door hem heen kijken en iets anders vinden dan deze verbijsterende verschijning van een vader die ik nauwelijks fysiek kon herkennen.

Tegen de tijd dat hij wakker werd, was ik al een heel eind op weg. Maar wij waren nog steeds slecht op ons gemak met elkaar. Er was nog steeds dat gevoel van afstandelijkheid. Wij konden het allebei voelen. Het was heel pijnlijk. Wij waren beiden verlegen... met maar af en toe oogcontact.

Een paar dagen later kwam ik zijn kamer binnen en zag dat hij sliep. Weer was het moeilijk om aan te zien. Dus ging ik er bij zitten en keek nog eens goed. Plotseling trof mij de volgende gedachte, woorden van Moeder Teresa, die melaatsen waar zij voor zorgde beschreef als 'Christus in al zijn verdrietig makende vermommingen'.

Ik heb eigenlijk nooit een echte relatie met Christus gehad, en ik kan niet zeggen dat ik die op dat moment wel had. Maar wat bij mij doorkwam was een gevoel voor de identiteit van mijn vader als... als een kind van God. Dat was wie hij werkelijk was, achter de 'verdrietig makende vermomming'. En dat was ook mijn echte identiteit, voelde ik. Ik voelde een grote band met hem die niet leek op een die ik als vader en dochter gevoeld had.

Op dat moment werd hij wakker, keek mij aan en zei, 'Hallo'. En ik keek hem aan en zei, 'Hallo'.

Gedurende de resterende maanden van zijn leven waren wij volkomen in vrede en op ons gemak bij elkaar. Geen verlegenheid meer. Geen onafgewikkelde zaken. Meestal leek het of ik precies wist wat er gebeuren moest. Ik kon hem voeden, scheren, wassen, omhooghouden om de kussens op te schudden - al die heel intieme handelingen die eeerder zo moeilijk voor mij geweest waren.

In zekere zin was dit mijn vaders afscheidscadeau aan mij: de kans om de gezamenlijke identiteit van de geest te zien die wij beiden deelden; de kans om te zien hoeveel dat mogelijk maakt in de zin van liefde en comfort. En ik heb het gevoel dat ik daar nu een beroep op kan doen ten behoeve van ieder ander. 2

Misschien is de dapperste en meest radicale stap die wij kunnen zetten om onze onuitputtelijke capaciteit om te geven vrij te maken, de bereidheid onze eigen twijfels, behoeften en weerstanden onder ogen te zien, om te trachten te zien wat de innerlijke barrières zijn om uitdrukking te geven aan ons zorginstinct. Wij kunnen kijken naar wat er in ons om gaat in die specifieke situaties die we hierboven opnoemden - de gevoelens van schuld, bezorgdheid, ongemak, teleurstelling, kwetsbaarheid enzovoorts. Wij moeten ook bereid zijn de diepere angsten te zoeken achter deze reacties - angst voor controleverlies, om onderggesneeuwd te worden, dat ons hart gebroken wordt, uiteindelijk de angst voor uitsterven. DIT is de kern van theosofische dienstverlening en waarschijnlijk de zekerste manier om het hart te openen voor zijn potentieel van ongelimiteerd geven.

Wat wordt er bedoeld met kijken naar wat er achter onze spontane reacties zit? Misschien als wij ongeduldig worden jegens iemand die maar doorzeurt over zijn problemen, zijn wij niet alleen ongeduldig omdat wij het druk hebben en zij egoïstisch zijn, maar ook omdat ons onderbewuste zegt, 'En hoe zit het met MIJ en MIJN problemen? Wie bekommert zich om MIJN problemen?' Onze ongeduldigheid kan feitelijk een onderdrukte roep zijn om gevoelens van liefde voor onszelf. Misschien wanneer wij voortdurend het bezoek uitstellen aan die bedlegerige en eenzame vriendin in het rusthuis, is dat niet alleen vanwege het moeizame maskeren van ons verdriet voor hen en met hen converseren. Misschien worden wij van binnen geconfronteerd met het afschrikwekkende spook van ons eigen verlies van controle, onze eigen potentiële hulpeloosheid en, bovenal, van ons eigen gevoel van in de steek gelaten zijn.

Hoe beïnvloedt de angst voor een gebroken hart, voor ondergesneeuwd worden en verdrinken in verdriet door wat wij om ons heen zien, ons geven? Het kan betekenen dat wij zijn als oesters, die opengaan en een bepaalde hoeveelheid pijn binnenlaten en dan weer dichtklappen. Wij gaan helpen op dinsdag en donderdagmiddag; daarna komen we thuis en doen de voordeur dicht.

Misschien laten wij een vriendin met terminale kanker wel vallen, of een vriendin die juist een kind verloren heeft, niet alleen omdat wij niet weten welke woorden te gebruiken om haar te troosten, maar omdat er diepe en beangstigende vragen bovenkomen. Onze levensfilosofie, zo logisch, zo prachtig, zo metafysisch bevredigend, en die ons een gevoel van zekerheid en optimisme geeft, wordt aangevallen, ondermijnd, door noties van onrechtvaardigheid en absurditeit. Natuurlijk zijn er heel wat gemengde motieven in alles wat wij doen. Naast oprechte sympathie en mededogen kan er de behoefte bestaan verveling, eenzaamheid of gevoelens van nutteloosheid te vermijden. Misschien bezorgt het helpen van anderen ons wel een goed geweten, bevestigt het onze eigenwaarde en geeft het ons een bepaalde autoriteit. Maar alweer: wat ligt er achter zulke motivaties? Achterliggende motiveringen zoals deze, en het versterken daarvan, kunnen geworteld zijn in vrees voor de verschrikkelijke innerlijke leegte.

Wij stippen dit niet aan om ons enthousiasme voor het dienen van anderen te ondermijnen. Wij doen niet aan zelfkastijding. Wij oordelen niet. Als we te lang doorgaan over de motivatie tot dienen, kan dit onze spontaniteit en vreugde teniet doen. Als wij wachtten op een volkomen zuivere motivatie, zouden wij verlamd blijven. In feite zijn wij alleen maar aan het observeren, aan het afpellen van laagjes en aan het opletten... en dit is misschien wel het proces dat scheidsmuren tussen anderen en ons verwijdert totdat wij eenheid proeven. Uiteindelijk is er niet langer enig gevoel van 'helper' en 'geholpene'. Wij helpen door wie wij zijn, niet zo zeer door wat wij doen. Nog een verhaal uit het boek van Ram Dass 3, om dit contrast aan te geven tussen zijn en doen:

Ik was op bezoek bij de vrouw van een vroegere Amerikaanse ambassadeur in Thailand, en zij vertelde mij over een monnik dit een klooster had gebouwd waar heroïne en opiumverslaafden in tien dagen genezen werden... voor vijftien dollar... Misschien was dit een van die monniken met de meditatieve krachten waar wij soms van horen. Ik verzocht haar om mij aan hem voor te stellen...

Nu zijn de boeddhistische monniken in Thailand deel van de Theravada traditie, die bijzonder strenge verzaking vereist om het verstand te zuiveren, zodat men in diepe meditatie kan gaan... Deze rigoureuze training bereidde hem voor op heel intensieve beoefening van meditatie, die hem in staat stelde af te stemmen op de diepere en krachtigere delen van zijn verstand. Toen zijn tante [die hem blijkbaar aan het trainen was] het gevoel had dat hij er klaar voor was, leerde zij hem de bereiding van een kruiden-diureticum. Zij instrueerde hem dit aan de verslaafden te geven, en vervolgens stichtte hij zijn klooster.

Toen wij kennis met hem maakten, was mijn allereerste reactie dat ik een eikeboom een hand gaf. Zijn tegenwoordigheid was enorm krachtig en solide. Hij liet ons een rondleiding door het klooster geven waar ongeveer honderd verslaafden een behandeling ondergingen. Je kon precies zien wie wie was. De nieuwelingen zagen er allemaal uit als gesloopte junkies. Zij bevonden zich in een kamer. Daarna, verderop, tegen de tijd dat zij er vier dagen waren, kon je echt een verandering zien. En na acht dagen leken ze opgewekt... helemaal niet bijzonder op verslaafden. En na tien dagen waren zij weer weg. En statistieken over hen toonden aan dat zeventig procent na afloop niet weer verslaafd raakte. Verbijsterend.

Toen ik een vraaggesprek had met de monnik, vroeg ik hem, 'Hoe doet u het?' Hij zei, 'Welnu, dat is eenvoudig. Ik vertel ze dat ze hier maar tien dagen mogen blijven, dat ze nooit meer terug mogen komen en dat de geneeswijze werkt'. Ik vroeg hem of er veel religieuze indoctrinatie werd toegepast in het tiendaagse programma. 'Nee,' zei hij, 'niets van dat alles. Deze mensen zijn daar niet geschikt voor'.

Ik had gehoord dat er veel deskundigen op het gebied van verdovende middelen, verslaggevers en zelfs een aantal politici uit het westen gekomen waren, maar dat niemand van hen kon uitvogelen waarom wat hij deed zo'n effect had. De kruidendrank was kennelijk niet het hele verhaal. Naarmate ik langer met hem optrok, begon ik te beseffen dat zijn denken zo gericht en eenpuntig was dat zijn wezen sterker was dan hun verslaving. Op de een of andere manier bracht hij de verslaafden een gevoel van niet-verslaafd zijn bij dat sterker was dan hun verslaving. En ik zag dat zijn toewijding zo volkomen was dat hij niet zomaar iemand was die een vaardigheid toepaste. Hij was helemaal met zijn werk versmolten. Hij was de genezing.3

Dit is nu het ideaal. Zulk soort individuen zijn zeldzaam, maar ieder mens kan volmaakt worden, denk daaraan, dus op een dag zijn wij allemaal zoals die Thaise boeddhistische monnik. Ik denk dat dit verhaal in feite die magische formule onthult om onze innerlijke krachten vrij te maken, waar wij soms naar verlangen: het is niet de vraag naar het vinden of bezitten van een magische formule maar naar er zelf een worden in onszelf.

Dienstverlening is eigenlijk een reis op weg naar ontwaken. Voor die reis hebben wij de theosofie als onze metgezel en leraar. Wij hebben de wetenschap dat wij een oneindige kracht binnenin ons hebben tot geven en dat ieder mens volmaakt kan worden. Wij moeten stoutmoedig en vreugdevol uitgaan op het pad van dienst, terwijl wij onbevreesd kijken naar de diepere, duisterder niveaus van onze psyche en voorzichtig trachten die speciale stille kern binnenin ons aan te raken. Moge de overtuiging van onze Eenheid sterk zijn, en de visie daarop helder blijven, zodat het ons zelfs onder de minst gunstige omstandigheden bijblijft. En als die vreselijke momenten komen, laat ons die dan met onwankelbare blik in de ogen zien; totdat zij ons geen schrik meer aanjagen, tot alleen mededogen ons hart vervult.

Bronnen

1 Rachel Naomi Remen, 'In the Service of Life', artikel, Noetic Sciences Review, lente 1996.

2 Ram Dass, How Can I Help?, pp.19-20

3 idem, pp.94-96.


Vertaling: A.M.I.