Theosofia, dec. 2000, p. 208-213

Het mysterie

Ali Ritsema

'De mysteriën werden nooit en kunnen nooit binnen het bereik van het grote publiek worden gesteld, tenminste niet vóór de lang verwachte dag dat onze religieuze filosofie universeel wordt' (Brieven van de Meesters, brief 2).

Waarom dan een artikel over 'het mysterie'? Eenvoudigweg omdat ik graag iets wil delen van dat wat ik over het mysterie, de mysteriën bij elkaar gezocht en (voor mezelf) op een rij gezet heb. Niet omdat er 'iets nieuws onder de zon is', ook niet na 125 jaar Theosophical Society. Het mysterie is eeuwenoud! Toch levert elk onderwerp dat je onderzoekt ontdekkingen op, in ieder geval voor de onderzoeker zélf. Zelf op onderzoek uitgaan betekent dat er een nieuwsgierigheid is naar kennis, een hunkering om tot 'weten' te komen.

Met 'weten' wordt vaak bedoeld weten met het 'oog', oftewel intellectuele kennis, dat wil zeggen kennis van het uiterlijke en veranderlijke. Maar ook is er een ander weten en dat wordt genoemd 'de kennis van het hart'. In de meeste theosofische literatuur wordt het hart symbolisch gezien als de belichaming van Bodhi, van ware, goddelijke wijsheid, die verwijst naar het blijvende en eeuwigdurende. Het hart wordt ook wel 'de grot van Boedha' genoemd.

Om tot deze kennis van het hart, tot deze wijsheid, te komen is een mysterie en dat mysterie ligt in de mens besloten of misschien moet ik zeggen: de mens zelf is het mysterie. Vandaar mijn titel: het mysterie.

In Isis ontsluierd, (deel 2, hoofdstuk 12, p.701) gebruikt H.P.B. de volgende aanhaling van A. Wilder:

'Het raadsel des levens is de mens'. En Wilder stelt verder: 'Magie, of liever wijsheid, is de kennis die zich heeft ontwikkeld uit de vermogens van het innerlijk wezen van de mens, welke krachten goddelijke uitstralingen zijn, evenals intuïtie het waarnemen van hun ontstaan, en inwijding ons begin in die kennis is ....... Wij beginnen met instinct, het einde is Alwetendheid'.

En in Esoterische Opstellen en Instructies, De Geheime Leer III, ¨[GL III] van H.P. Blavatsky, p.70 staat:

'Wij kunnen adeptschap en nirwana, zaligheid en "het koninkrijk der hemelen" niet bereiken tenzij wij onszelf onverbrekelijk verbinden met onze Rex Lux, de Heer van glans en licht, onze onsterfelijke God in ons. "Aham eva Param Brahma", - "voorwaar ik ben het hoogste Brahma" - is steeds een levende waarheid in het hart en het denkvermogen der Adepten geweest, en dit is wat de mysticus helpt er een te worden. Men moet in de allereerste plaats zijn eigen onsterfelijk beginsel kennen en eerst dan kan men het koninkrijk der hemelen met geweld veroveren of nemen.'

En dit denkbeeld dat het onsterfelijke deel, of het goddelijke, of Brahma in ons en niet buiten ons is, vinden we in de hele mystieke letterkunde. Het mysterie van de mens wordt in de mysteriën getoond zodat de mens kan zien wat in hem is en wat in de cosmos is. Als we dan ook nog weten dat gesteld wordt dat de zinnelijke aard van de mensen de grootste vijand is van de geestelijke aard, begrijpen we onmiddellijk waarom gesteld wordt dat het koninkrijk der hemelen met geweld veroverd of genomen moet worden.

Om nog even in te gaan op het woord 'mysterie'; mysterie kan uitgelegd worden als 'raadsel' maar kan ook een verwijzing betekenen naar de kleine en grote mysteriën en dan verwijst het naar de mysteriën voor profanen en ingewijden. Het woord mysterie komt van het Griekse woord 'myô' en betekent 'ik zwijg', 'ik houd mijn mond'. De mysteriën zijn altijd diep religieus van aard geweest. De opvattingen binnen de mysteriescholen waren van hoge morele en ethische aard. De mysteriën werden aan de oningewijden getoond door middel van voorstellingen. De mysteriën van de cosmos en de natuur, de relatie tussen de menselijke geest en zijn lichaam, de processen van zuivering enz. werden door de priesters van de mysteriescholen en de neofieten gepersonifieerd of uitgebeeld als goden en godinnen. Elk symbool in de mysteriescholen had een verborgen betekenis.

Die verborgen betekenis werd alleen aan kandidaten voor inwijding gegeven. Men ging ervan uit dat de mysteriën niet aan allen ontsluierd mochten/konden worden en daarom werd de gesproken wijsheid in een mysterie verborgen. De GL III, handelt, althans voor een gedeelte, over de ingewijden en over de geheime kennis die gedurende de mysteriën en door ingewijden meegedeeld werd. Gesteld wordt dat er altijd in raadselen werd gesproken en dat er redenen waren voor deze geheimzinnigdoenerij. Het was voor een grote meerderheid van schrijvers van allegorieën en voor de wijsgeren uit de oudheid een heilige plicht nooit en te nimmer de plechtige geheimen die hen waren toevertrouwd in de heilige plaatsen, te openbaren om zodoende niet ingewijde critici op een dwaalspoor te brengen.

Plato bijvoorbeeld erkent openlijk dat hij 'in raadselen' spreekt; hij zorgt er steeds voor de ware zin van zijn woorden te verbergen. De belangrijkste leringen werden alleen onderwezen aan personen die de plicht tot geheimhouding hadden, die hun mond konden houden. De volgelingen van de kleine mysteriën worden 'mystai' (gesluierden) genoemd omdat zij de dingen slechts door een nevel mochten waarnemen, als het ware met gesloten ogen, terwijl de ingewijden van de grote mysteriën 'epoptae' (zij die de dingen ongesluierd zien) werden genoemd. Deze ingewijden worden ook 'zieners' genoemd. Er wordt gezegd (GL III, p.291) dat er 'in den beginne geen mysteriën bestonden. Kennis (Vidya) was algemeen eigendom en heerste alom tijdens het gouden tijdperk (Satya yuga). In die dagen van zaligheid en reinheid kenden de mensen nog geen kwaad; zij waren meer van een op God gelijkende dan van menselijke aard'.

De zwakheid van de geïncarneerde geest blijkt als er een bijzondere vermenging van lichaam en geest plaats vindt (door idiosyncrasieën staat er letterlijk). Hier kom ik later op terug. Dat is het moment dat zelfzucht werd geboren uit tot dan onbekende begeerten en hartstochten en maar al te vaak werd misbruik gemaakt van kennis en macht, totdat het tenslotte nodig werd het aantal van hen die wisten te beperken. Aldus ontstond inwijding.

Inwijding heeft niets te maken met dogma of tucht, heeft geen streng omschreven rituaal maar heeft te maken met 'vidya', de kennis van de werkelijke werkelijkheid waarover de mensen beschikten in het Satya tijdperk, de gouden eeuw. Dé grondslag en hét zedelijk wetboek der inwijding was (en is) altruïsme. Al wat goed en edel is in de menselijke aard, alle goddelijke vermogens trachtte men te ontwikkelen. De noodzakelijkheid om de waarheid te versluieren, teneinde haar voor ontheiliging te behoeden, wordt met elk geslacht duidelijker. Aanvankelijk is de sluier nog dun maar geleidelijk aan moest de sluier dikker en dikker gemaakt worden, naarmate de persoonlijkheid en de zelfzucht sterker werden.

De mysteriën werden in elk land en onder elk volk ingesteld terwijl exoterische geloofsstelsels voor de oningewijde menigten werden ingesteld, om misverstanden en twisten te vermijden. Eeuwenlang is, onder andere door middel van de exoterische godsdiensten, voor de blik van de wereld in sluiers gehuld wat ooit door de goden was ontsluierd. Maar de wijzen verwerpen de eredienst van louter vormen. De kennis van de oorspronkelijke waarheden blijft geheel en al onder berusting van de ingewijden. Nog later blijkt dat men blijvende optekeningen nodig heeft om de geheimen te behouden en te vereeuwigen en dan gaat men gebruik maken van hiëroglyfen. Ook hiervan is de werkelijke betekenis verloren geraakt, aldus GL III. Volgens Voltaire is het aan het instellen van de mysteriën te danken dat de mensen niet in volslagen dierlijkheid zijn vervallen.

De hoge ingewijden die de mysteriën hebben ingesteld hebben duidelijk willen maken dat, als men zich niet door loutering vrij heeft weten te maken van 'de smetten van de wereld' en niet 'de deugd zelf is geworden' er geen sprake kan zijn van opgenomen te worden in, wat wel genoemd wordt 'het verblijf der goden' oftewel deelachtig te worden aan de kennis van de hogere gebieden. Steeds zijn het de weinigen geweest die de hoogste en laatste inwijding bereikten, wat omschreven wordt als vriendschap en innerlijke gemeenschap met God.

In de priesterlijke mysteriën in Egypte moest de neofiet de 12 'pijnigingen' doorstaan; hem werd bevolen zijn hartstochten te beheersen en geen ogenblik de gedachte aan zijn innerlijke god uit het oog te verliezen opdat hij als overwinnaar uit de strijd zou komen. Ook moest hij als zinnebeeld van de zwerftocht van de ongelouterde ziel verscheidene ladders bestijgen en in het duister ronddolen in een grot met vele deuren die alle gesloten waren. Op de derde graad van inwijding wordt gezinspeeld (zowel in Egypte als in India) als de kandidaat gebracht wordt in de zaal die 'de poorten des doods' heet. Het gaat hier om de dood en de geestelijke verrijzenis van de neofiet tijdens zijn beproevingen en nieuwe geboorte bij de opstanding. Na de geestelijke geboorte verrees de neofiet als wedergeboren mens, als verheerlijkt en triomferend overwinnaar van de dood en keert als hiërophant terug naar de aarde.

Iemand die pas is ingewijd heet de 'eerstgeborene' en in Indië wordt hij eerst na zijn laatste en hoogste inwijding dwija, 'tweemaal geboren'. (GL III p. 310, voetnoot) Waar het om gaat is het contact met de 'goden', ook wel hoge planeetgeesten genoemd. In alle mysteriën vertonen de goden vele vormen van zichzelf en verschijnen zij in verscheidene gedaanten, soms is dat een vormloos licht, soms komt dit licht overeen met een menselijke vorm (GL III p. 315). Iedere adept is een 'Zoon Gods' en een 'Zoon des Lichts' nadat hij het 'Woord' ontvangen heeft, waarna hij het 'Woord' zelf wordt, na de zeven goddelijke eigenschappen of 'de lier van Apollo' te hebben ontvangen (GL III, p. 310, voetnoot), dit is het zinnebeeld van de zevenvoudige geheimenis der inwijding (GL III, p. 309). Volgens GL III, p. 313 zijn de oudste mysteriën die de geschiedenis vermeldt die van Samothrace (een eiland bekend om zijn mysteriën). Er wordt gezegd in De Geheime Leer [GL] dat de historische wijzen van de Griekse filosofie bijna allemaal ingewijden in de mysteriën waren, dat de Grieken het van de Egyptenaren hadden en de Egyptenaren van de Chaldeeën, die op hun beurt leerlingen geweest zijn van de Brahmanen van de esoterische school.

Ik heb beloofd terug te zullen komen op het moment dat er een bijzondere vermenging plaats vond van lichaam en geest. Ook heb ik het Satya tijdperk (het gouden tijdperk) genoemd. Daar begint in feite het verhaal van onze menselijke ontwikkeling mee; dat was namelijk de periode dat de 'goden op aarde wandelden en zich vrijelijk vermengden met de stervelingen'. Maar deze goden vertrekken, dat wil zeggen dat zij onzichtbaar worden (The Secret Doctrine II, p. 273). En langzamerhand vindt er dan een degeneratie plaats dank zij het feit dat de kennis van die goden minder en minder direct beschikbaar is en een ander element binnensluipt, namelijk trots, hoogmoed en zelfzucht. Dan begint het goed beroerd te worden. Men beschikt nog over goddelijke vermogens, men was in feite een mens-god, en men had nog contact met zijn innerlijke god maar men was tegelijkertijd dierlijk in zijn fysieke deel.

'We are the Kings, we are the Gods' (Wij zijn de Koningen, wij zijn de Goden - GL II [271]).

Dan ontstaat er een strijd, bijna op leven en dood tussen het goddelijke deel en het stoffelijke deel van de mens. Degenen die hun stoffelijke deel overwinnen, dus 'meester' worden over hun lichaam, worden gerekend tot de 'zonen van licht'. Degenen die de strijd met hun stoffelijke deel verliezen en slaaf worden van de stof, worden de 'zonen van duisternis' genoemd. Hun innerlijk licht is verduisterd of versluierd. Er worden tempels gebouwd en de vormen worden aanbeden; men gaat zijn eigen vormen, zichzelf aanbidden. Dat is het moment waarop de wijzen, zoals ik al eerder heb gesteld, de ware kennis beperken tot de zeer weinigen. Er is zelfs een tijd geweest dat de vrees voor ontheiliging van de gewijde mysteriën zo groot was dat de ingewijden hun toevlucht zochten tot het gebergte van de woestijn en er geheime genootschappen en broederschappen, zoals die van de Esseners, werden gevormd en opgericht. De heilige kennis en wetenschap werd dieper dan ooit voor de menselijke blik verborgen.

En terecht. Het is in de laatste eeuw vóór onze jaartelling dat door Caesar alle bewoners van Alesia worden afgeslacht, waaronder de Druïden, de priesters van de scholen en de neofieten. De stad werd met de grond gelijk gemaakt. Enige jaren later gevolgd door Bibractis, een stad beroemd om haar heilige Druïdenschool. Hiermee sterven de geheimen van de inwijdingen der grote mysteriën, de mysteriën van de natuur en de occulte waarheden voor Europa, zo wordt gesteld in de GL III, afdeling XXXIII. Ook werd de beroemde Alexandrijnse boekerij door dezelfde Caesar verbrand en vernietigd en in het jaar 389 werd, wat overgebleven was door 'het Christenvolk' vernietigd. De meest onschatbare boeken werden echter voor de beoefenaars van het occultisme gered; zij gingen voor de wereld verloren.

Involutie en evolutie bewegen zich in kringlopen. De mens zal eindigen zoals hij begonnen is. Dit betekent dat het moment gaat komen dat de mens in staat is zich opnieuw bewust te worden van zijn goddelijk deel, van zijn hogere, innerlijke vermogens en dat de mens in staat zal zijn het mysterie dat in hem en in de cosmos besloten ligt te ontraadselen. Ieder mens is geboren met in hem de rudimenten van universeel bewustzijn waardoor hij in staat is tot waarneming te komen van zijn innerlijke god, van het Ene of van Satya, de werkelijke werkelijkheid. 'Vriend', staat er in de Brieven van de Meesters, brief 66, 'pas op voor trots en egoïsme, twee van de gevaarlijkste valstrikken voor de voet van hem die de hoge paden van kennis en spiritualiteit wil bereiken'. En in brief 2 staat:

'Degene die de banier van mysticisme hoog wil houden moet het voorbeeld geven aan anderen. Hij moet de eerste zijn om zijn levenswijze te veranderen en er moedig voor uitkomen dat hij bij zijn studie van de occulte mysteriën deze als de hoogste trede van de ladder der kennis beschouwt. Het "koninkrijk der hemelen" moet door geweld genomen worden, zeggen de Christelijke mystici. Gewapend en bereid te overwinnen of ten onder te gaan kan de moderne mysticus hopen zijn doel te bereiken.'

En ergens anders wordt gesteld dat degene die zichzelf overwint, de moeilijkste strijd heeft gestreden die mogelijk is. In brief 49 wordt nadrukkelijk gesteld:

'Laten zij die werkelijk wensen te leren alles opgeven en naar ons komen, in plaats van te verwachten dat wij naar hen zullen gaan. Waarheid is dat, tenzij de neofiet de toestand bereikt, die nodig is voor die graad van verlichting, waarop hij recht heeft en waarvoor hij geschikt is, de geheimen voor het merendeel, zo niet alle onmededeelbaar zijn. De ontvankelijkheid moet even groot zijn als de begeerte om onderricht te geven. De verlichting moet van binnenuit komen. Tot op dat ogenblik kunnen geen hocus pocus van incantaties of mooie vertoningen, geen metafysische lezingen en discussies, geen opgelegde boetedoening haar geven. Het enige wat wij kunnen doen is aanwijzingen geven en deze zijn duizenden jaren lang geen geheim geweest. Onthouding, meditatie, reinheid van gedachte, woord en daad, het zwijgen gedurende zekere tijd om de natuur de gelegenheid te geven om te spreken tot hem die van haar iets leren wil, beheersing van de dierlijke hartstochten en aandriften, algehele onbaatzuchtigheid van bedoeling.'

En inderdaad kan de mens van vandaag zich niet beklagen over gebrek aan aanwijzingen om 'de goede strijd te strijden'. Maar ondanks alle aanwijzingen moet toch ieder voor zichzelf het mysterie ontraadselen. 'Niemand krijgt haar, dan hij die haar uit zichzelf ontdekt.' In een onbekende stad kan een plattegrond helpen de weg te vinden, maar om ergens te komen moet de weg gegaan worden. Dat wil zeggen dat de theorie kan helpen om de praktijk mogelijk te maken. Het leven moet geleefd worden om tot wijsheid te komen. H.P.B. heeft het schitterende boekje 'De Stem van de Stilte' nagelaten, opgedragen aan de 'enkelen'. Het boek is ontleend aan 'het boek van de gulden voorschriften' dat deel uitmaakt van dezelfde serie als die waaruit de Stanza's van het boek van Dzyan werden genomen en waarop De Geheime Leer is gebaseerd. Zij stelt in het voorwoord dat niet alle voorschriften gegeven kunnen worden aan een wereld die te zelfzuchtig is en teveel hangt aan voorwerpen van de zinnen om ook maar enigermate voorbereid te zijn om deze verheven ethiek in de ware geest te ontvangen. Want, zegt zij, tenzij een mens ernstig volhardt in het nastreven van zelfkennis, zal hij nooit een willig oor lenen aan leringen van deze aard. En dan volgende de instructies, de waarschuwingen en de bemoedigingen: Zoek de stilte op, wordt stil en neem waar. Sluit de zinnen af. Luister, luister met volle aandacht naar de klank van je innerlijk wezen, laat dát tot je spreken:

'Dan zal uit het hart die kracht opstijgen naar het zesde, het middelste gebied, de plaats tussen uw ogen, wanneer zij de adem wordt van de Ene ziel, de stem die alles vult, de stem van uw innerlijke god.' (Fragment I, 39)

En dit is het mysterie!