Zoek naar de Weg

Joy Mills

Het leven is een reis. Ja, dat hebben we al eerder gehoord, maar toch is het nog steeds een goede metafoor. Een reis van hier naar daar, van geboorte naar dood, van deze kamer naar die. Soms hebben we als toeristen gereisd, enthousiast over de prachtige vergezichten en geluiden die er te zien en te horen zijn, of verveeld door de lange stukken ogenschijnlijke woestenij.

Jaren geleden maakte ik een tocht, toen ik van Seattle naar Wheaton reed voor de zomerbijeenkomsten in Olcott; twee vriendinnen vergezelden me op deze reis. De ene zat bij mij voorin terwijl ik reed; zij bestudeerde de landkaart en kreeg er nooit genoeg van om te wijzen op de schoonheid van de verschillende landschappen waar we doorheen reden. De andere vriendin zat heel tevreden achterin een boek te lezen, verloren in een fantasiewereld en keek alleen zo nu en dan op wanneer de vriendin voorin ons opgewonden vroeg naar een ongewoon panorama te kijken. Mijn vriendin achterin las weer in hetzelfde boek op de terugreis naar Seattle.

Als toeristen verzamelen we vaak souvenirs van onze reizen, snuisterijen en prullaria, beschrijvende brochures en foto’s. We overladen onszelf en onze koffers met allerhande herinneringen, zodat we elkaar kunnen trakteren op verhalen over onze avonturen. Toeristen zijn echt dol op de kick van het weggaan en zij zijn vaak trots op het aantal plaatsen dat zij hebben bezocht: bijvoorbeeld twintig landen in tien dagen.

En dan hebben we natuurlijk bij tijd en wijle ook als pelgrim gereisd. Als pelgrims hebben we heilige tijden en heilige plaatsen ervaren of misschien niet zozeer plaatsen als ruimten - heilige ruimten in ons leven. Als pelgrim waren we met weinig tevreden, misschien met zoiets kleins als een icoon of een steen opgepikt van het pad, of een bloem die tussen de bladen van ons dagboek gedroogd moest worden. Helena Petrovna Blavatsky sprak over ons hele bestaan als een pelgrimstocht, de pelgrimstocht van de monade, het wezenlijke Zelf. Pelgrims is het niet zozeer te doen om de hoeveelheid als om de kwaliteit. Bij een pelgrimstocht gaat het niet om het aantal plaatsen dat men heeft bezocht maar om de kwaliteit van de ervaring, om de diepere betekenis en waarde ervan, om een nieuwe kijk op alles te ontwikkelen, een nieuwe wijze van in de wereld staan.

Pelgrims zijn ook zoekers. De dichteres Diane Ackerman zei: ‘Wij zijn een levensvorm die op zoek is’. We zijn rusteloos van aard. Onze aangeboren rusteloosheid heeft ons naar de verste uithoeken van de ruimte gedreven, naar de diepten van de oceaan, naar de toppen van de hoogste bergen, naar onderaardse grotten en naar het hart van de aarde. Van de Noordpool tot de Zuidpool hebben we onze planeet verkend en de weinige overblijvende onverkende gebieden vormen een verleidelijke uitdaging voor de avonturier die vastbesloten is daarheen te gaan waar nog nimmer iemand hem voorgegaan is. We worden gefascineerd door de verkenners van Mars en Jupiter, en de vraag of het universum eindig of oneindig is houdt de grootste wetenschappers bezig en intrigeert ons allen.

Een zoeker zijn betekent dat je vragen hebt, hoewel deze voor ieder van ons verschillend kunnen zijn, en ook verschillend al naargelang de tijd waarin we leven. De vragen die ik stelde toen ik 20 jaar was waren niet de vragen die ik met 40 stelde, of met 60 en 70 jaar; het zijn zelfs niet de vragen die ik vandaag de dag stel. Maar op de een of andere manier lijkt de ene vraag de andere op te roepen en misschien leren we, als we echte pelgrims zijn, met deze vragen te leven omdat we ons realiseren dat de pelgrimstocht zelf het antwoord vormt. Vragen brengen ons slechts op weg.

En zo komen we uit bij de titel die boven deze opmerkingen staat: ‘Zoek naar de Weg’. Deze zin komt uit het boek Licht op het Pad, de eerste van de drie voornaamste theosofische teksten, die de pelgrim als leidraad dienen. De andere twee zijn, in volgorde van publicatie De Stem van de Stilte en Aan de Voeten van de Meester. Talloze leden van de Theosofische Vereniging, en ook talrijke andere zoekers, hebben die drie kleine klassieke werkjes over het spirituele leven gelezen en er inspiratie uit geput.

De zin ‘ Zoek naar de Weg’ uit het eerst gepubliceerde van deze spirituele klassieke werken werpt de vraag op wat het betekent zoekers of pelgrims te zijn op deze reis die wij allen aan  het maken zijn. N.Sri Ram heeft er in zijn boek The Nature of our Seeking op gewezen dat ‘ de aard van ons zoeken afhankelijk zou zijn van wat ertoe aanleiding gaf’. En verder zegt hij: ‘Wij gebruiken vaak de woorden “zoeken” en “zoektocht”, maar zonder dat wij daarbij diepgaand onderzoeken wat zij inhouden, het psychologische proces met betrekking tot een Waarheid welke niet van dezelfde aard is als de feiten van de externe wereld, maar die een waarheid is die gerealiseerd moet worden in jezelf. Hij noemt Annie Besant en prins Siddharta  als ware zoekers. We zouden er Arjuna evenals Socrates best aan toe kunnen voegen, en natuurlijk zijn er nog vele andere ware zoekers.

De eerste ‘regel’ op het pad is het zoeken naar de weg, het ontdekken van wat jouw eigen pad is. De titel boven deze serie opmerkingen had ook best kunnen luiden ‘Het Vinden van de Passende Schoenen’, want niemand kan goed lopen op andermans schoenen. De eerste ‘regel’ wordt gevonden in dat ene woordje ‘ zoek’. Als we niet zoeken, als we ons niet realiseren dat we zoekers zijn op deze existentiële reis, dat we pelgrims zijn en geen toeristen, dan is er ook geen richting, geen pad, geen weg.

Drie opmerkingen brengen me tot de kern van mijn betoog. De eerste is de meest directe en eenvoudige; zij is afkomstig uit de Inaugurele Rede van de President-Stichter, Henry Steel Olcott, en geeft uiterst beknopt maar schitterend aan wat het werk van de Theosofische Vereniging is.

‘We zoeken, vragen, verwerpen niets zonder reden, aanvaarden niets zonder bewijs; wij zijn studenten, geen leraren.’

We stellen in onze geschriften dat we een Vereniging van zoekers, een groep onderzoekers zijn. Toch lijkt het vaak of we, wanneer we eenmaal lid geworden zijn van de Vereniging, ophouden te onderzoeken of vragen te stellen bij de denkbeelden die we zo enthousiast omarmd hebben.

De tweede  opmerking komt uit de tweede brief van de Mahatma’s aan A.P. Sinnett.

‘De adept is de zeldzame bloem van een generatie van onderzoekers; en om er een te worden moet hij de innerlijke impulsen van zijn ziel gehoorzamen, ongeacht de voorzichtige overwegingen van de wereldse wetenschap of van het verstand’.
( Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett, bladzijde 7)

In deze opmerking worden we met twee denkbeelden geconfronteerd: ten eerste, een adept te worden vereist onderzoek; ten tweede, we moeten onze eigen “ innerlijke impulsen” volgen zonder acht te slaan op wat de wereld er van vindt of wat anderen van ons vragen.

De derde opmerking  komt uit het vierde deel van Joseph Campbell’s serie The Masks of God, dat gewijd is aan Creatieve Mythologie:

‘Zoals in het verleden iedere beschaving haar eigen mythologie met zich meebracht, zich ontwikkelend naarmate haar mythe steeds meer geïnterpreteerd, geanalyseerd en opgehelderd werd door de leidende geesten uit die beschaving, zo is in deze moderne wereld - waarin de toepassing van de wetenschap op het leven in de praktijk nu alle culturele horizons heeft doen verdwijnen, zodat er geen enkele afzonderlijke beschaving ooit meer kan ontwikkelen -  ieder individu zelf tot een centrum van mythologie geworden, waarvan de eigen begrijpelijke aard om zo te zeggen de Ingeboren God is, die zijn empirisch zoekend bewustzijn moet vinden’.

Campbell voegt daar aan toe: ‘De weg zonder paden is nu de enige weg die voor ons ligt’. In Campbell’s woorden vind je impliciet de twee ideeën  die we aantroffen in de communicatie tussen  de Mahatma’s en Sinnett: onderzoeken of zoeken, waarop Olcott de nadruk legde bij de oprichting van onze Vereniging, en de noodzaak je eigen weg te vinden. Het is waarlijk een ‘weg zonder paden’, zoals J.Krishnamurti zo vaak benadrukte. Er is geen weg totdat onze voeten het betreden hebben. Wat van het grootste belang is voor het vinden van zo’n weg, is het zoeken. Krishnamurti zei vaak tegen zijn toehoorders en ook in zijn dialogen met kleine groepen: “Onderzoekt, Heren; u onderzoekt niet”.

Wat is onderzoeken dan eigenlijk, wat betekent het om wat Campbell een ‘vragend bewustzijn’ noemde te hebben? Hoe moeten we zoeken? En wat zoeken we? Onderzoek – werkelijk onderzoek – betekent dat het ons menens is onszelf en de wereld waarin we leven te begrijpen. Het betekent dat we bereid zijn om alle overbodige mentale en emotionele bagage op te ruimen zodat het denken helder, als het ware transparant is. Alleen in zo’n denkvermogen, een denkvermogen dat niet verstrikt is in zijn eigen net van favoriete en met overtuiging gekoesterde overtuiging, een denkvermogen dat niet overschaduwd wordt door persoonlijke voor- of afkeur, alleen in zo’n denkvermogen kan de waarheid van een weg, je eigen unieke weg, opdoemen.

De diepe leringen die door de  innerlijke stichters van de Vereniging in hun brieven aan A.P. Sinnett en A.O. Hume werden meegedeeld waren het resultaat van onderzoekingen door deze twee heren, van hun vragen, hun serieus zoeken naar informatie en inzicht ten aanzien van innerlijke waarheden. Heel vaak waren deze adept-leraren de wanhoop haast nabij of hun inspanningen wel zin hadden omdat, zoals zij aangaven, het denken van de twee Engelse heren zo volgestopt was met vooropgezette denkbeelden, met hun eigen gevoel van trots over het bezitten van superieure kennis, met hun overtuiging gelijk te hebben dat – om de adept-leraar te parafraseren – er nauwelijks nog een hoekje te vinden was waarin een nieuw denkbeeld kon worden ingebracht. Steeds weer werden Sinnett en Hume erop gewezen dat alleen op ‘het zuivere onbewogen oppervlak van het ongestoorde denkvermogen’, een denkvermogen dat open is en vrij van de besmetting van zelfzuchtige belangen en bezigheden, het licht van de waarheid zou kunnen schijnen. Met andere woorden: het onderzoeken moet vanuit een werkelijk openstaan plaatsvinden, het moet niet het soort zoeken zijn dat al overtuigd is van het antwoord.

Misschien denken we nu dat Sinnett en Hume buitengewoon koppige mannen waren en vragen we ons af hoe ze zo koppig konden zijn in hun overtuigingen dat zij bij tijd en wijle in discussie leken te gaan met hun Mahatma-leraren! Maar zijn wij soms niet net zo trots om onze overtuigingen, net zo koppig in het volhouden dat onze visie de juiste is? Dit is de wijze waarop reïncarnatie werkt, zeggen we misschien, of dit is gewoon jouw karma? Of dit is hoe het is na de dood! Zijn we van mening dat het laatste woord gezegd is over elk van deze onderwerpen? Of over theosofie zelf?

We mogen Sinnett en Hume wel dankbaar zijn voor de vragen die ze gesteld hebben en in gedachte houden dat Sinnett uit de grote hoeveelheid materiaal die hij aantrof in de brieven die deze leraren hem schreven het eerste boek met theosofische denkbeelden wist samen te stellen: Esoteric Buddhism (Esoterisch Boeddisme). Hume bewees India ook diensten, waaronder het oprichten van het Indiase Nationale Congres, waarvoor de Mahatma-adepten  hem zeer dankbaar waren. Dus, wat men ook mag denken van de tekortkomingen van deze twee Engelse heren, hun volhardend vragen stellen, hun eindeloos onderzoeken, brachten dat schitterende werk van onze literaire erfenis tot stand: De Mahatma Brieven.

Maar om terug te komen op de vraag die werd opgeworpen door het woord ‘zoek’, Jacob Needleman zegt in zijn boek The Heart of Philosophy: ‘Filosofie geeft nergens antwoord op’. En hij vervolgt: ’De functie van de filosofie in het menselijk leven is de mens te helpen herinneren. Een andere taak heeft zij niet’. Wij zouden in deze opmerkingen het woord ‘theosofie’ in de plaats kunnen zetten van ‘filosofie’. Vaak is er gezegd dat theosofie een antwoord geeft op alle levensvragen, maar in werkelijkheid geeft het geen antwoord op enige vraag en lost het geen enkel probleem op. Wij zelf geven antwoorden op de vragen; theosofie helpt ons alleen om te herinneren – het wekt ons op om het juiste te herinneren. Maar om wakker geschud te worden moeten wij de juiste vragen stellen, moeten we zoeken, zaken diepgaand verkennen. Wij zijn inderdaad iets vergeten. En het leven doet een beroep op ons om het ons weer in herinnering te brengen – te herinneren wie we zijn, omdat wanneer we ons herinneren wie we zijn we dan ook de weg gevonden hebben. ‘De magie van ware filosofie’ schreef Needleman, ‘is de magie  van de specifiek menselijke daad van zelfonderzoek – van voor de vraag staan wie of wat men eigenlijk is’. Dit is wat werkelijk met zoeken wordt bedoeld. Het is wat Socrates, de grootste vragensteller uit de westerse filosofie, vroeg. Het is de vraag die de leraren van de Upanishads uit het oude India stelden en het is de vraag die Krishna stelde toen hij Arjuna  wekte in de Bhagavad Gita. Voor de vraag te staan wie men zelf is – dat is ons authentieke  Zelf herinneren. William James schreef: ‘Op de diepste vraag die ooit gesteld werd is geen antwoord mogelijk’, maar vraagt daarentegen dat wat hij noemde een resolute ‘ommekeer van de wil’. Die ‘ommekeer van de wil’ zou je gelijk kunnen stellen  met wat de Mahatma KH ‘de naar binnen gerichte impuls van de Ziel’ noemde waaraan je dan gehoor moet geven. Vanuit het zoeken, vanuit het vragen, het onderzoeken, komt de weg te voorschijn – een weg die zowel een pad is als geen pad. Het is een weg ‘steil en doornig’, zoals Blavatsky ons vertelde. Hij is ‘smal’ en ‘er zijn maar weinigen die het vinden’, zoals de Meester Jezus verklaarde. Het is ‘zo smal als het scherp van de snede’, staat in een van de Upanishads geschreven, maar voor hen die werkelijk zoeken opent zich, zoals Licht op het Pad ons in herinnering brengt, vóór ons ‘het mysterie van de nieuwe weg’, wanneer ‘de ster van uw ziel haar licht zal tonen’.

Echt zoeken heeft dus te maken met een vraag verborgen in ons diepste wezen, dat nooit tevreden is met makkelijke antwoorden, maar die ons uiterlijk zowel als innerlijk leidt tot werkelijk weten. Het beantwoorden ervan vereist dat ‘omkeren van de wil’, waarover William James schreef en welke Plato “eros” noemde, liefde in haar essentie. Vanwege de aard die liefde heeft benader je de vraag niet alleen maar vanuit een wetenschappelijk geleerd denken. Men staat voor de vraag, zoals Socrates van zijn toehoorders vroeg, men schenkt aandacht aan de vraag, ontdaan – zoals Plato het zou hebben gezegd – van alles behalve van de liefde zelf. Met zo’n instelling herinnert men zich weer, wat niets anders is dan iets wat men vanaf het begin aan wist weer terug te halen. Er is geen andere weg, geen ander pad; en omdat er geen ander pad is, is het wezenlijk en altijd een weg zonder paden, want voordat ieder van ons dat gedaan heeft, bestaat er geen pad.

Dit is het wat het in de meest ware zin van het woord betekent een Theosoof te zijn, niet zomaar een lid van de Vereniging, maar een ware Theosoof, een kenner en liefhebber van wijsheid, van waarheid, van schoonheid. Het betekent zoeken, de werkelijk grote vragen te stellen, de centrale vragen van het menselijk bestaan, en nooit met antwoorden tevreden te zijn, totdat we steeds dieper onderzocht en gepeild hebben. Een van de Upanishads zegt:

‘Zoals een pot met barsten erin van binnen licht vangt, zo schijnt het verborgen licht van Atman door barsten in het complex van lichaam en geest.’

Vragen stellen, zoeken, onderzoeken, veroorzaakt barsten. Des te meer het zoeken van ons een gebarsten pot maakt des te beter voor ons. Wij hebben steeds groter wordende barsten in onze psychologische aard nodig, barsten in het ‘complex van lichaam en geest’, wil ooit het licht van Atman in al zijn pracht stralen. Misschien heeft de wereld wel meer van zulke ‘gebarsten potten’ als wij zijn, nodig. We moeten zeker de oude vormen van onze mentaal- emotionele omhulsels verbrijzelen en het licht van Atman, het Ene Zelf laten stralen. Dat is het wat ‘het zoeken van de weg’ betekent.


Uit: The Quest, juli-augustus 2000
Vertaling: Louis Geertman

Theosofia 103/3 · juni 2002  blz. 91 - 95