H.P. Blavatsky, De Geheime Leer, deel 1, p. 272,278

Zes genummerde punten

H.P.Blavatsky

De schrijfster van deze uiteenzetting moet zijn voorbereid op grote tegenstand en zelfs op ontkenning van beweringen zoals in dit boek naar voren worden gebracht. Niet dat er ooit enige aanspraak werd gemaakt op onfeilbaarheid of op volkomen juistheid in ieder detail van alles wat in dit boek is gezegd. De feiten zijn er en ze kunnen moeilijk worden ontkend. Maar tengevolge van de moeilijkheden die de behandelde onderwerpen eigen zijn en de bijna onoverkomelijke beperkingen van de Engelse taal (evenals van alle andere Europese talen) bij het onder woorden brengen van bepaalde denkbeelden, is het meer dan waarschijnlijk dat het de schrijfster niet is gelukt de verklaringen op de beste en helderste manier te presenteren. Toch is alles gedaan wat kon worden gedaan en wel onder de meest ongunstige omstandigheden, en dit is het uiterste wat men van een schrijver kan verwachten.

Laten we in het kort herhalen en aan de hand van de enorme omvang van de behandelde onderwerpen aantonen hoe moeilijk, zo niet onmogelijk, het is om deze volledig tot hun recht te laten komen.

(1) De Geheime Leer is de verzamelde wijsheid van de eeuwen en alleen al haar kosmogonie vormt het meest verbazingwekkende en uitgebreide stelsel, bijvoorbeeld zelfs in de esoteriek van de Purâna's. Maar de geheimzinnige kracht van de occulte symboliek is zo groot, dat de feiten over de verbijsterende opeenvolging in de evolutionaire vooruitgang, waarvan het ordenen, opschrijven en verklaren talloze generaties van ingewijde zieners en profeten heeft bezig gehouden, alles op een paar bladzijden met geometrische tekens en figuren staan vermeld. De snelle en doordringende blik van die zieners reikte tot de kern van de materie zelf en nam daar de ziel van de dingen waar, terwijl een gewone oningewijde, hoe geleerd ook, slechts de uiterlijke vorm zou hebben waargenomen. Maar de moderne wetenschap gelooft niet in de 'ziel van de dingen' en zij zal daarom het hele stelsel van de oude kosmogonie verwerpen. Het is nutteloos te zeggen dat het bedoelde stelsel geen fantasie is van één of meer afzonderlijke individuen. Het heeft geen zin te zeggen dat het het ononderbroken verslag is, dat het werk is van duizenden generaties van zieners, die allen hun eigen ervaringen gebruikten bij het toetsen en controleren van de tradities over de leringen van hogere en verheven wezens, die over de opgroeiende mensheid waakten. Deze tradities werden mondeling overgeleverd van het ene vroege ras aan het andere. Ook is het nutteloos op te merken dat eeuwenlang de 'wijzen' van het vijfde Ras, van het geslacht dat werd gered en gespaard bij de laatste wereldramp en het verschuiven van continenten, hun levens hebben doorgebracht met leren, niet met onderwijzen. Hoe deden zij dat? Het antwoord luidt: door op elk gebied van de natuur de oude tradities te toetsen, te onderzoeken en te controleren op basis van onafhankelijke visioenen van grote adepten, dat wil zeggen mensen die hun fysieke, mentale, psychische en geestelijke gestel tot de hoogst mogelijke graad hebben ontwikkeld en vervolmaakt. Van geen adept werd het visioen aanvaard, voordat het was gecontroleerd en bevestigd door de visioenen van ander adepten - zó verkregen dat zij als op zichzelf staande bewijzen konden dienen - en door eeuwen van ondervinding.

(2) De fundamentele wet van dat stelsel, het middelpunt waaruit alles is voortgekomen en waar alles omheen en naar toe wordt getrokken en waarop de hele verdere filosofie wordt gebouwd, is het ene homogene goddelijke SUBSTANTIE-BEGINSEL, de ene grondoorzaak.

... maar weinigen, van wie het licht helderder scheen,
Werden geleid van oorzaak naar oorzaak
Tot de geheime oorsprong van de natuur,
En ontdekten dat er één eerste beginsel moet zijn...

Het wordt 'substantie-beginsel' genoemd, want op het gebied van het gemanifesteerde Heelal wordt het 'substantie', een illusie, terwijl het in de beginloze en eindeloze abstractie, zichtbare en onzichtbare RUIMTE een 'beginsel' blijft. Het is de alomtegenwoordige werkelijkheid: onpersoonlijk, omdat het alles en iedereen omvat. De onpersoonlijkheid ervan is de grondgedachte van het stelsel. Deze sluimert in ieder atoom van het Heelal en is het Heelal zelf.

(3) Het Heelal is de periodieke manifestatie van deze onbekende absolute essentie. Door het 'essentie' te noemen, zondigt men echter juist tegen de geest van de filosofie. Want hoewel men het woord in dit geval kan afleiden van het werkwoord esse, 'zijn', kan HET toch niet worden vereenzelvigd met een of ander wezen, dat het menselijk verstand zich kan voorstellen. HET wordt op het best beschreven als nog geest noch stof, maar beide. 'Parabrahman en Mulaprakriti' zijn in werkelijkheid één, maar toch twee in de universele opvatting over het gemanifesteerde, zelfs in het begrip van de ene Logos, zijn eerste manifestatie, die HET - zoals de bekwame spreker in zijn Notes on the Bhagavad Gita (Subba Row) aantoont - vanuit het objectieve standpunt van de ene Logos ziet als Mulaprakriti en niet als Parabrahman; als de sluier ervan en niet als de daarachter verborgen ene WERKELIJKHEID, die onvoorwaardelijk en absoluut is.

(4) Het Heelal met alles daarin wordt MAYA genoemd, want alles daarin is tijdelijk, van het kortstondige leven van een glimworm tot dat van de zon. In de gedachten van een filosoof moet het Heelal met zijn vergankelijke steeds wisselende vormen, vergeleken met de eeuwige onbeweeglijkheid van het ENE en de onveranderlijkheid van dat beginsel, niet meer zijn dan een dwaallichtje. Toch heeft het Heelal genoeg werkelijkheid voor de bewuste wezens daarin, die even onwerkelijk zijn als het Heelal zelf.

(5) Alles in het Heelal, in al zijn rijken, is BEWUST: d.w.z. voorzien van een eigen soort bewustzijn op zijn eigen waarnemingsgebied. Wij mensen moeten bedenken dat we geen recht hebben om te zeggen dat bijvoorbeeld in stenen geen bewustzijn bestaat, omdat we daarin geen tekenen van bewustzijn waarnemen -die we als zodanig kunnen herkennen. Er bestaat niet zoiets als 'dode' of 'blinde' stof, evenmin als er een 'blinde' of 'onbewuste' wet is. Ze horen niet thuis in de opvattingen van de occulte filosofie. Deze blijft nooit stilstaan bij uiterlijke schijn, en de noumenale essenties hebben voor haar meer werkelijkheid dan hun objectieve tegenhangers. Ze lijkt daarin op het stelsel van de middeleeuwse nominalisten, voor wie universele begrippen werkelijkheid waren en voor wie de bijzonderheden alleen in naam en in de verbeelding van de mensen bevond.

(6) Het Heelal wordt van binnen naar buiten bestuurd en geleid. 'Zoals boven, zo is ook beneden, zoals in de hemel, zo ook op aarde' en de mens - de microcosmos - is de levende getuige van deze universele wet en van haar manier van werken. We zien dat iedere uitwendige beweging, handeling, gebaar, hetzij vrijwillig dan wel mechanisch, organisch of mentaal, wordt voortgebracht en voorafgegaan door een inwendig gevoel of emotie, door wil of wilskracht, en door gedachte of verstand. Zoals er onder normale omstandigheden geen uiterlijke beweging of verandering kan plaatsvinden in het uitwendige lichaam van de mens, tenzij deze wordt opgewekt door een innerlijke impuls, afkomstig van één van de drie genoemde functies, kan dit evenmin geschieden in het uitwendige of gemanifesteerde Heelal. De hele Kosmos wordt geleid, beheerst en bezield door een bijna eindeloze reeks hiërarchieën van bewuste wezens, die elk een taak hebben te volbrengen en die - of we ze nu de ene of de andere naam geven en ze Dhyan Chohans of engelen noemen - 'boodschappers' zijn, maar alleen in die zin dat ze werktuigen zijn van de karmische en kosmische wetten. Ze variëren oneindig in hun respectievelijke graden van bewustzijn en intelligentie; en als men ze allen zuivere geesten noemt, zonder enig aards bijmengsel 'waar de tijd aan pleegt te knagen', geeft men zich slechts over aan dichterlijke verbeelding. Want ieder van die wezens is òf een mens geweest, òf bereidt zich voor er een te worden, zo niet in het heden, dan toch in een vroegere of komende cyclus (manvantara). Als ze geen beginnende mensen zijn, zijn ze vervolmaakte mensen en verschillen moreel alleen daarin van de aardse mensen in hun hogere (minder materiële) gebieden, dat ze vrij zijn van het gevoel van persoonlijkheid en van de menselijke emotionele aard - twee puur aardse eigenschappen. De laatstgenoemden of de 'vervolmaakten' zijn vrij geworden van die gevoelens, omdat ze (a) ze niet langer lichamen van vlees hebben - een last die de ziel steeds verlamt; en (b) het zuiver geestelijke element ongebonden en vrijer is gelaten, en ze dus minder beïnvloed door maya dan de mens ooit kan zijn, tenzij hij een adept is die zijn twee persoonlijkheden - de geestelijke en fysieke - geheel van elkaar gescheiden houdt. De beginnende monaden, die nog nooit aardse lichamen hebben gehad, kunnen geen gevoel van persoonlijkheid of EGO-isme bezitten. Omdat wat met 'persoonlijkheid' wordt bedoeld een beperking en een relatie inhoudt of, zoals Coleridge het definieert, 'individualiteit die op zichzelf bestaat maar met een aard als ondergrond', kan die term natuurlijk niet worden toegepast op niet-menselijke wezens. Maar het is een feit, door generaties van zieners volgehouden, dat geen enkel van die wezens, hoog of laag, een individualiteit of een persoonlijkheid asl een afzonderlijke eenheid bezit; d.w.z. ze hebben geen individualiteit in de zin waarin een mens zegt: 'ik ben mijzelf en geen ander'; met andere woorden, ze zijn zich niet bewust van zo'n duidelijke afgescheidenheid als mensen en dingen op aarde hebben. Individualiteit is de kenmerkende eigenschap van hun respectievelijke hiërarchieën, niet van hun eenheden; en deze eigenschappen variëren alleen met de graad van het gebied waartoe die hiërarchieën behoren: hoe dichter bij het gebied van homogeniteit en het goddelijke Ene, des te zuiverder en minder scherp omlijnd is die individualiteit in de hiërarchie. Ze zijn in alle opzichten eindig, met uitzondering van hun hogere beginselen - de onsterfelijke vonken die de universele goddelijke Vlam weerkaatsen - die alleen op de gebieden van zinsbedrog geïndividualiseerd en gescheiden zijn door een differentiatie die evengoed zinsbedrog is als al het overige. Het zijn 'levenden', omdat zij de stralen zijn uit het ABSOLUTE LEVEN, die worden geprojecteerd op het Kosmische scherm van illusie; wezens in wie het leven niet kan worden uitgeblust voordat het vuur van onwetendheid is uitgedoofd in diegenen die deze 'levens' waarnemen. Plotseling ontstaan onder de levenswekkende invloed van de ongeschapen straal, de weerkaatsing van de grote centrale zon die de oevers van de levensrivier beschijnt, behoort hun innerlijk beginsel tot de wateren van onsterfelijkheid, terwijl hun gedifferentieerde omhulsel even vergankelijk is als het menselijk lichaam. Daarom had Young gelijk toen hij zei:

Engelen zijn mensen van een hoger soort.

... en meer niet. Het zijn noch 'dienende' noch 'beschermende' engelen; evenmin zijn het 'voorboden van de Allerhoogste; en nog minder de 'boodschapper van de toorn' van een God, die is geschapen door de menselijke verbeelding. Het is even dwaas hun bescherming in te roepen als om te geloven dat men zich van hun sympathie kan verzekeren door een of andere boetedoening; want ze zijn evengoed als de mens zelf de slaven en de werktuigen van de onveranderlijke karmische en Kosmische wet. De reden hiervoor is duidelijk. Omdat hun essentie geen elementen van persoonlijkheid bevat, kunnen ze geen persoonlijke eigenschappen hebben, zoals door de mensen in hun exoterische religies aan hun antropomorfe God worden toegeschreven - een jaloerse en onverdraagzame God, die zich verheugt en toornt, verblijd is met offers en in zijn ijdelheid een groter despoot is dan enig eindig dwaas mens. Omdat de mens ... is samengesteld uit de essenties van al die hemelse hiërarchiën, kan hij erin slagen zichzelf als zodanig in een bepaald opzicht te verheffen boven iedere hiërarchie of klasse of zelfs boven een samenstel daarvan. 'De mens kan de deva's niet gunstig stemmen en ze ook niet bevelen', wordt er gezegd. Maar door zijn lagere persoonlijkheid te bedwingen en daardoor te komen tot de volledige kennis van het niet afgescheiden zijn van zijn hogere Zelf van het ene absolute ZELF, kan de mens zelfs tijdens zijn aardse leven 'een van ons' worden. Zo wordt de mens door het eten van de vrucht van kennis, die onwetendheid verdrijft, als een van de Elohim of van de Dhyani's; en eenmaal op hun gebied gekomen, moet de geest van saamhorigheid en van volmaakte harmonie, die in iedere hiërarchie heerst, zich over hem gaan uitstrekken en hem in ieder opzicht beschermen.

De voornaamste moeilijkheid, die wetenschapsmensen ervan weerhoudt te geloven in goddelijke zowel als in natuurgeesten, is hun materialisme. De belangrijkste belemmering van de spiritist, die hem belet daaraan te geloven, terwijl hij vasthoudt aan een blind geloof in de 'geesten' van de overledenen, is de algemene onwetendheid van hen allen, behalve van enkele occultisten en kabbalisten, over de ware essentie en aard van de stof. Het geloof of ongeloof in het bestaan rondom ons van andere bewuste wezens behalve de geesten van de doden, berust voornamelijk op het aanvaarden of verwerpen van de theorie van de eenheid van alles in de Natuur in haar uiteindelijke essentie. Voor het verkrijgen van meer helderheid in zijn denken over de occulte kosmogonie en voor de enige betrouwbare sleutel die hem bij zijn verdere studie kan leiden, is de onderzoeker afhankelijk van het juiste begrip van de oorspronkelijke evolutie van geest-materie en de werkelijke essentie ervan.

De nuchtere waarheid is, zoals zoëven werd uiteengezet, dat iedere zogenaamde 'geest' òf een ontlichaamde òf een toekomstige mens is. Zoals allen, vanaf de hoogste Aartsengel (Dhyan Chohan) tot de laatste bewuste 'bouwer' (de lagere klasse van bewuste wezens), mensenzijn,die eeuwigheden geleden leefden, in andere manvantara's op deze of op andere gebieden, zo zijn de lagere semi-intelligente en niet-intelligente elementalen allemaal toekomstige mensen. Alleen al dat feit - dat een geest intelligentie bezit - vormt voor de occultist een bewijs dat zo'n wezen een mens moet zijn geweest en zijn kennis en intelligentie tijdens de menselijke cyclus moet hebben verkregen. Er is maar één ondeelbare en absolute Alwetendheid en Intelligentie in het Heelal, en deze doortrilt ieder atoom en oneindig klein punt van de hele eindige Kosmos, die geen grenzen heeft en die men RUIMTE noemt, wanneer men deze onafhankelijk beschouwt van wat zich erin bevindt. Maar de eerste differentiatie van haar weerkaatsing in de gemanifesteerde wereld is zuiver geestelijk en de wezens die erin worden voortgebracht, zijn niet voorzien van een bewustzijn dat in enig verband staat met het bewustzijn zoals wij dat kennen. Ze kunnen geen menselijk bewustzijn of intelligentie bezitten voor ze dat persoonlijk en individueel hebben verworven. Dit kan een mysterie zijn, maar toch is het in de esoterische filosofie een feit, dat bovendien heel duidelijk is.

De hele orde van de natuur toont een voortgaande beweging naar een hogerleven. Aan de werking van de schijnbaar meest blinde krachten ligt een plan ten grondslag. Het hele evolutieproces met zijn eindeloze aanpassingen is een bewijs daarvan. De onveranderlijke wetten die de zwakke en krachteloze soorten uitroeien om plaats te maken voor de sterke, en die zorgen voor het 'overleven van de geschiksten', werken alle naar het grootste doel toe, al zijn ze nog zo wreed in hun directe werking. Juist het feit dàt er aanpassingen voorkomen, dat de geschiksten inderdaad overleven in de strijd om het bestaan, toont aan dat wat 'onbewuste Natuur'(1 link) wordt genoemd, in werkelijkheid een samenstel van krachten is, die worden gehandteerd door half-intelligente wezens (elementalen), die worden geleid door hoge planeetgeesten (Dhyan Chohans). Deze laatsten gezamelijk vormen het gemanifesteerde woord van de ongemanifesteerde LOGOS en vormen tegelijkertijd het DENKVERMOGEN van het Heelal en zijn onveranderlijke WET.

(1) De Natuur in abstracte zin genomen kan niet onbewust zijn, want ze is de uitstraling van en dus (op het gemanifesteerde gebied) een aspect van het ABSOLUTE bewustzijn. Wie heeft de moed om aan planten en zelfs aan mineralen een eigen bewustzijn te ontzeggen? Hij kan slechts zeggen dat dit bewustzijn buiten zijn bevattingsvermogen ligt.


vervolg