De vele betekenissen van Maya

Richard Brooks (*)

Sinds 1941 houd ik iedere zomer vakantie in het prachtige Door County in Wisconsin. Mijn vader had een bescheiden huisje laten bouwen op het schiereiland aan de kant van het Michigan meer, even ten zuiden van het stadje Jacksonport. Als jongen zat ik aan de kust voor het huisje te kijken naar de golven die tegen het rotsplateau sloegen, of ik verwonderde mij over de pinkelende lichtjes die op het altijd rusteloze water schenen, of ik genoot van de beweging van de blaadjes die aan de bomen ritselden in de diepe bossen rondom het huisje, of ik griezelde bij de kracht van de stormen die over het schiereiland raasden, stortbuien met zich meebrengend - en vaak nieuwe zwermen muggen. Deze wwonderen, en de vele andere van de natuur daar, waren dingen waar ik ieder jaar naar uitkeek. Nog steeds trouwens, jaren later als volwassene. Dit is een deel van mijn realiteit.

Een ander deel van mijn werkelijkheid was Adyar. Toen ik het TS landgoed verliet in 1964, nadat ik hier 22 maanden had doorgebracht als Fulbright student, nam ik de herinnering aan deze prachtige plaats met mij mee: het lichtspel van de palmbladeren in de kokosnoten plantage, de fascinerende uitgestrektheid van de banyanboom, de overdaad aan bloemen, het begin van de moesson en het daardoor ontstaan van vijvertjes over het hele terrein - en een nieuwe hoeveelheid muggen. Al die herinneringen zijn nieuw leven ingeblazen tijdens deze afgelopen drie maanden. Ook die zijn deel van mijn werkelijkheid.

En toch wordt mij in de theosofische literatuur voorgehouden dat het allemaal illusie is - maya. Maar hoe is het mogelijk dat iets zo mooi, zo ziel-verrijkend, iets dat de zintuigen zo domineert - zelfs jeuk veroorzaakt - slechts een fantoom kan zijn, een herrsenschim, als het ware? Natuurlijk, we begrijpen dat er een dieper niveau van realiteit moet zijn dan dit. Maar kan de wereld van onze alledaagse ervaringen niet ook echt zijn? Ik denk dat het geheim van het oplossen van deze puzzel ligt in een dieper onderzoeken van de betekenis van de term 'maya' zoals H.P. Blavatsky hem gebruikt, vooral in De Geheime Leer.

Eerst wat etymologie. Het woord 'maya' komt van de Sanskriet wortel ma, dat betekent 'meten', 'uitdelen', of 'afbakenen'. Dan is maya letterlijk datgene wat iets uitmeet of begrenst. Maar het woord is ook een vrouwelijk zelfstandig naamwoord. In de context van zijn gebruikelijke filosofische gebruik, zou maya die vrouwelijke kracht zijn die het universum afbakent. Zijn vroegere betekenis van 'paranormale kracht' suggereert dat. Maar in het latere Sanskriet nam het de betekenis aan, die het ook heeft in {De geheime leer}, van 'illusie' - en ook 'misleiding' of 'magie'. In feite zijn de twee betekenissen, 'scheppende kracht' en 'illusie', niet onverenigbaar vanuit esoterisch oogpunt.

Vanaf het eerste begin van het contact van Kol. Olcott met Madame Blavatsky op de Eddy boerderij in Chittenden, Vermont, op 14 oktober 1874, was het duidelijk dat H.P. Blavatsky in staat was tot het produceren van merkwaardige verschijnselen die zij aan hem beschreef als maya, d.w.z. illusie. De materialisaties omvatten Russische personages. De eerste van dezen was een Georgische bediende genaamd Michalko, die vroeger gediend had bij H.P. Blavatsky en van wie zij geloofde (onterecht, naar later bleek) dat hij tegen die tijd gestorven was. Deze materialisatie van Michalko werd gevolgd door een reeks andere verschijnselen die H.P. Blavatsky later kenschetste tegenover Olcott als 'mayas'. Enige jaren later schreef H.P. Blavatsky dat zij 'experimenten gedaan had' door verschijningen op te roepen met gebruikmaking van haar eigen wil, om aan Olcott te bewijzen dat de objectivisering van 'geesten', d.w.z. astrale vormen van mensen, 'geen bewijs was dat zij dood waren' - noch, feitelijk, bewijs dat er iets oobjectiefs werkelijk aanwezig was.

In zijn Oude Dagboekbladen (vooral in de eerste twee delen), beschrijft Olcott vele van deze 'mayas', die hij ook wel 'illusies' noemt, 'misleidingen', en 'begoochelingen'. In een hoofdstuk over 'Illusies' in deel I, theoretiseert hij dat de illusies die geproduceerd worden door hoorbare suggestie door een toneelhypnotiseur, die hij 'ruwe mesmeristische experimenten in een dorpshal' noemt, evenals de illusies geproduceerd door 'een oosterse goochelaar, fakir, sanyassin, of adept' of die welke geproduceerd worden 'op een kosmische schaal', allemaal gebaseerd zijn op hetzelfde principe en alleen in gradatie verschillen. Dat suggereert meteen dat de term 'maya' gebruikt wordt op een aantal verschillende manieren. Ik denk dat ik er zeven van kan identificeren.

De eerste is wat genoemd zou kunnen worden de kosmologische betekenis. Zoals H.P. Blavatsky het formuleert in De Geheime Leer:

'De occultist... beschouwt de Adi-Sakti - de rechtstreekse emanatie van Mulaprakti, de eeuwige Wortel van DAT, en het vrouwelijk aspect van de Scheppende Oorzaak Brahma in haar Akasische vorm van de Universele Ziel - als filosofisch een Maya...'

Dat wil zeggen, de allereerste scheppende energie (Adi-Sakti), die het vrouwelijk aspect is van de Derde Persoon van de Drie-eenheid (Brahma), straalt Ruimte (Akasa) uit van de 'ongedifferentieerde en eeuwige' wortel materie (Mulaprakti) (GL,I,10). Zowel deze eerste scheppende energie als al haar gemanifesteerde vormen - vanaf de goden tot de fysieke atomen - worden geïdentificeerd als maya.. Met andere woorden, zoals HPB zegt, 'Zowel Stof als Geest zijn Maya...' (GL,I,633).

Dus maya kan beschouwd worden als de vrouwelijke scheppende kracht die het universum manifesteert en onderhoudt. Maar let wel: H.P. Blavatsky zei dat de occultist dit scheppende proces als filosofisch een maya beschouwt. Wat zou dat kunnen betekenen? H.P. Blavatsky zelf geeft de clou van de betekenis hiervan in de volgende passage (GL,I,17-18):

'...Daarom ook worden de omzettingen (psychische, geestelijke en stoffelijke) van het zesde (Brahma, het voertuig van Brahma, d.w.z. Parabrahman, het zevende principe) op het gebied van manifestatie en vorm door metafysische antifrase opgevat als bedrieglijk en mayavisch. Want hoewel de wortel van ieder afzonderlijk atoom en van elke vorm als geheel dat zevende beginsel of de ene Werkelijkheid is, is het toch in zijn gemanifesteerde en tijdelijke verschijningsvorm niet meer dan een vergankelijk zinsbedrog'.

Met andere woorden, de gemanifesteerde wereld is (1) niet permanent en (2) afhankelijk voor zijn bestaan van Brahman (gewoonlijk aangeduid als Parabrahman in De Geheime Leer). In de Indiase metafysica zowel als in de occulte filosofie betekent dit dat de gemanifesteerde wereld niet absoluut echt is - in de filosofische of metafysische zin van maya, een illusie is. Dit is zo omdat de criteria voor realiteit (sat of satta) zijn (1) permanentie (d.w.z. onveranderlijk zijn), (2) onafhankelijkheid (d.w.z. niet afhankelijk zijn van iets anders voor zijn bestaan), en (3) ervaarbaarheid (d.w.z. in staat zijn ervaren te worden). De gemanifesteerde wereld voldoet alleen aan het derde van deze criteria, vandaar dat zij niet absoluut reëel is. Maar aan de andere kant is ze ook niet irreëel, hetgeen in de Indiase filosofie doorgaans wordt aangeduid als 'niet in staat om ervaren te worden in een van de drie tijden, te weten verleden, heden of toekomst'. De gemanifesteerde wereld, die tenslotte waargenomen kan worden (zij het door normale of paranormale waarneming), bestaat als tijdelijk en afhankelijk van de Ene Realiteit, Parabrahman. Vandaar dat het 'filosofisch' een maya, een illusie is. Dat H.P. Blavatsky deze criteria aanvaardt voor de betekenis van het woord 'reëel' blijkt niet alleen duidelijk uit de voorgaande aanhaling, maar ook uit de volgende citaten uit De Geheime Leer:

'Het Heelal met alles daarin wordt MAYA genoemd, want alles daarin is tijdelijk, van het kortstondige leven van een glimworm tot dat van de zon... Toch heeft het Heelal genoeg werkelijkheid voor de bewuste wezens daarin, die even onwerkelijk zijn als het Heelal zelf'. (I, 274)

En ook:

'De esoterische filosofie... maakt een praktisch onderscheid tussen de collectieve illusie, mahamaya, vanuit het zuiver metafysische standpunt, en de objectieve relaties tussen verschillende bewuste Ego's daarin, zolang als deze illusie duurt'. (I, 631)

Zoals De Geheime Leer zegt, alleen het ene 'Alomtegenwoordige, Eeuwige, Grenzeloze en Onveranderlijke PRINCIPE waarover alle speculatie onmogelijk is', zoals het Eerste Grondbeginsel stelt, kan reëel genoemd worden. Daarom is al het andere iets minder dan reëel. Toch is het niet irreëel.

Let wel: H.P. Blavatsky gebruikt niet de term 'wezen' - zelfs niet met hoofdletters - voor dat Onveranderlijke Principe. Het Sanskriet woord voor 'wezen' is bhava of bhavana en deze Ene Realiteit wordt genaamd sat. Vandaar dat H.P. Blavatsky de abstracte term 'Zijn-heid' ervoor bedacht. Parabrahman is Zijn-heid; Brahman (of parabrahman), is 'Wezen'; Brahma, de Schepper, mag dan 'Worden' genoemd worden; en de wereld gemanifesteerd door dat Creatieve Principe is de wereld van Verschijning. Die laatste bestaat; zij is gewoon niet ultiem reëel. Natuurlijk, in laatste instantie zijn Wezen, Worden en Verschijning alle aspecten van hetzelfde: de Ene Realiteit, Zijn-heid. Dus is de ontologische status van de wereld - net als die van alle illusies - in de woorden van Advaita Vedanta, 'ondefinieerbaar als hetzij reëel of irreëel (sad-asad-anirvachaniya)'. Dat is wat H.P. Blavatsky bedoelde toen zij de wereld 'filosofisch een maya' noemde. Dit tweede of filosofische gebruik van maya zou je haar ontologisch gebruik kunnen noemen.

Aldus heeft maya zowel kosmologische als ontologische betekenis. Maar maya betekent ook meer dan dat. Illusies zijn niet alleen maar willekeurige fantasieën of gewoon maar hersenschimmen. Zij zijn ordentelijke fenomenen. Zij volgen wetten van de natuur, hetzij fysiek of psychologisch. Dus maya is consistent met wetten van oorzakelijkheid. Wij kunnen dit waarnemen als wij illusies beschouwen als spiegelbeelden, het fenomeen van de gebogen stok, of het dalen van het geluid van een treinfluit als de trein ons voorbijrijdt. Die illusies volgen wetten van lichtweerspiegeling, lichtrefractie (de wet van Snell), en het Doppler principe. Illusies hangen ook af van de structuur van het zintuig dat ze waarneemt. Verschillend geconstrueerde zintuigen (bv. het menselijk oor en het oor van een dolfijn, of het menselijk oog en het oog van een vlieg) nemen de wereld op een verschillende manier waar. Dit zouden wij het epistemologisch gebruik van maya kunnen noemen.

In de passage hierboven aangehaald over de 'filosofische' betekenis van maya, vervolgt H.P. Blavatsky met te zeggen dat de kosmologische betekenis van maya de 'oorzaak van menselijk Maya' is. Dat wil zeggen, wanneer wij aannemen dat wij de wereld zien zoals hij werkelijk is, doen wij een valse aanname. Zij verwijst hiernaar bij een gelegenheid (GL, II, 108), als bhrantidarsanah, letterlijk 'valse waarneming'. Zij werkt dit idee uit in de volgende passage (GL, I, 39-40):

'Maya of illusie is een element dat bij alle eindige dingen optreedt, want alles wat bestaat heeft alleen maar een relatieve en geen absolute werkelijkheid, omdat de vorm waarin het verborgen noumenon voor een waarnemer verschijnt, afhangt van zijn waarnemingsvermogen... toch zijn alle dingen betrekkelijk reëel, want ook de waarnemer is een weerspiegeling, en de waargenomen dingen zijn daarom voor hem even werkelijk als hijzelf. De werkelijkheid die de dingen misschien bezitten, moet men erin zoeken voor of nadat zij als een flits door de stoffelijke wereld zijn heengegaan; maar wij kunnen zo'n bestaan niet rechtstreeks waarnemen zolang wij waarnemingsinstrumenten hebben die slechts het stoffelijke bestaan binnen het bereik van ons bewustzijn brengen'.

En ook (GL,I,329):

'Omdat de verschijnselen op ons gebied de schepping zijn van de waarnemende ego - de vormgevingen van zijn eigen subjectiviteit - kunnen alle 'toestanden van de stof ddie de verzameling waargenomen objecten vertegenwoordigen' voor de kinderen van ons gebied slechts een relatief bestaan hebben, dat zuiver tot de verschijnselen behoort... De rotsen en rivieren om ons heen zijn werkelijkheden vanuit het standpunt van een natuurkundige, hoewel het voor de metafysicus onwerkelijke illusies van de zintuigen zijn... en we hebben evenmin het recht te dogmatiseren over de mogelijke aard van de waarnemingsvermogens van een ego op bijvoorbeeld het zesde gebied, als om onze waarnemingen gelijk te stellen aan of als maatstaf te gebruiken voor die van een mier voor haar soort van bewustzijn'.

Maya geeft dus aan dat onze waarneming van zelfs de fysieke wereld niet de enig mogelijke waarneming is - noch mogen wij aannemen dat dit de norm is van fysieke waarneming. De manier waarop een walvis, een kraai of een mier de wereld ziet is voor ieder van hen net zo reëel (relatief) als de manier waarop wij het zien dat voor ons is. Zelfs wanneer wij vermogens ontwikkelen om de hogere gebieden van de natuur waar te nemen, worden wij nog beperkt door onze waarnemingsvermogens op die gebieden en kunnen wij niet zeggen dat de manier waarop wij de dingen zien noodzakelijkerwijs de enige manier is waarop zij gezien kunnen worden - d.w.z., zoals ze zijn. Zoals H.P. Blavatsky zegt (GL,I,40):

'Op welk gebied ons bewustzijn ook werkzaam is, zowel wij als de dingen die tot dat gebied behoren zijn voor dat moment onze enige werkelijkheden. Naarmate wij een hogere trap van ontwikkeling bereiken, bemerken wij dat we tijdens de stadia die we hebben doorlopen schaduwen voor werkelijkheden hebben aangezien. Het omhoogklimmen van het ego is een reeks steeds verder gaande bewustwordingen, waarbij iedere vordering de gedachte meebrengt dat we nu eindelijk de "werkelijkheid" hebben bereikt. Wij zullen echter pas vrij zijn van de door maya voortgebrachte waanvoorstellingen, wanneer wij het absolute Bewustzijn hebben bereikt en het onze daarin hebben laten opgaan'.

Verwant aan het ontologisch gebruik van maya is een gebruik dat ik, door gebrek aan een betere term, een psychologisch gebruik noem. Terwijl de mayavische wereld zoals wij die zien een soort objectief bestaan heeft, dat wil zeggen intersubjectief of algemeen ervaren door ons allen (en wij kunnen zelfs visuele illusies fotograferen als spiegelbeelden, 'gebogen stokken' en regenbogen), is er een ander soort illusie die zuiver psychologisch of subjectief is. Dat gebeurt wanneer wij een voorwerp aanzien voor een ander voorwerp, zoals een opgerold touw voor een slang, of een glinsterend stukje schelp op het strand voor een zilver muntje. Die illusies kunnen niet gefotografeerd worden; zij zijn zuiver subjectief. Om ze te onderscheiden van de zogenaamde 'objectieve' of intersubjectieve illusies, zouden wij deze laatste mayavische waarnemingen 'begoochelingen' kunnen noemen. De dolk van Macbeth is nog een voorbeeld van zo'n maya. Wij kunnen het gebruik van 'begoocheling' verder uitbreiden tot de neiging - van de kant van dieren en heel naïeve mensen - om intersubjectieve illusies te zien als realiteit, om aan te nemen dat er iemand anders (of een andere vogel of vis of wat dan ook) in de spiegel zit, dat water feitelijk rechte stokken die er in gezet worden verbuigt, of dat je echt de plaats kunt vinden waar een regenboog de grond raakt.

Het belang van dit onderscheid tussen illusie en begoocheling ligt in de psychologische analyse van de laatste. Hierin heeft de Indiase psychologie inzichten die westerse filosofie en psychologie missen. Ten eerste, als iemand bijvoorbeeld een touw aanziet voor een slang, moet er feitelijk een touw zijn dat je kunt waarnemen. Dit wordt het substraat (adhishthana) van de begoocheling genoemd. De Indiase filosofie wijst erop dat zelfs dromen een substraat hebben: het verstand. Ten tweede, de begoocheling betreft twee processen in het bewustzijn. In de eerste plaats wordt de feitelijke aard van het substraat (bv. het touw) onjuist geïnterpreteerd door de neiging van het verstand om vormen te identificeren en te benoemen (namarupa); het verstand lijkt meestal niet in staat alleen maar te zien wat er is (bv. een onduidelijke rol van iets) en het beoordelen ervan achterwege te laten. Dit wordt in Advaite Vedanta (avarana-sakti) genoemd, de macht van het verbergen. En in de tweede plaats wordt het onjuist waargenomen object (bv. de slang) dan door het verstand op het substraat geprojecteerd zodat men in feite het object dat men ten onrechte dacht dat het was, ziet (of hoort, voelt enz. al naar gelang de aard van de begoocheling). Dit wordt genoemd vikshepa-sakti, de macht van projectie. De volgende keer dat u een waarnemingsfout van dit soort maakt, doe dan eens uw ogen dicht en probeer de herinnering aan uw onjuiste waarneming terug te halen; dan merkt u dat u feitelijk het onjuist waargenomen object wel opmerkte en dat u pas achteraf uw vergissing corrigeerde.

In feite is de psychologische analyse van maya misschien ingewikkelder dan dit. Want Kol. Olcott vertelt in Oude Dagboekbladen dat Madame Blavatsky vaak zijn onderscheidingsvermogen placht te toetsen door wat hij noemde 'een maya' te scheppen, hetzij door een schijnbaar voorwerp te projecteren (bv. een schilderij aan de muur) zodat hij op het eerste gezicht dacht dat het er werkelijk hing, of door een voorwerp telepathisch in zijn verstand te brengen (bv. langer haar dan zij in werkelijkheid had) zodat hij dat uiterlijk zag. Hier was de macht van het projecteren van haar en de macht van het verbergen, vermoedelijk, van hem. Deze mogelijkheid wordt genoemd in de Indiase filosofie in termen van een mayavin of 'illusionist' en de context waarin dit vermeld wordt lijkt massahypnose te suggereren.

Hoe dan ook, als theosofen kunnen wij ons deze analyse toeëigenen om de vier verschillende betekenissen van maya, zoals tot nu toe besproken, uit te leggen. Kosmologisch wordt het universum geschapen of geprojecteerd of uitgeademd of gevibreerd - al naar gelang de metafysische theorie waaraan wij de voorkeur geven - uit de Ene Realiteit. Het bestaat zeker; het wordt alleen maya genoemd omdat het geen onafhankelijk bestaan heeft en omdat het een tijdelijk en geen permanente manifestatie is. Het is alleen maya in de filosofische zin van het woord. Maar als deel van die manifestatie nemen wij aan dat de manier waarop wij de wereld zien, de manier is zoals de wereld werkelijk is. Wij leggen onze interpretatie, ons oordeel erover, bovenop de gemanifesteerde wereld op basis van onze zintuiglijke perceptie ervan. Maar die waarneming hangt af van de constructie van onze gevoelsorganen en van de informatieverwerkende centra in ons brein. Vanuit een pragmatisch of praktisch oogpunt is daarmee niets mis. Alleen zouden wij niet zo arrogant moeten zijn om aan te nemen dat onze visie de norm is waarmee wij andere visies beoordelen - die van dolfijnen, honden, kraaien, of mieren, bijvoorbeeld of van helderzienden of Mahatmas. Wij zouden niet moeten zeggen dat de dingen echt zo zijn. Verder leggen wij soms begoochelende waarnemingen op aan de wereld van onze opgelegde creatie: superpositie op superpositie, als het ware. Analyse van dit laatste type maya is waardevol omdat het ons helpt de processen die bij de andere typen spelen, te begrijpen.

Een vijfde en heel belangrijke betekenis - of implicatie - van maya volgt uit de andere vier. Wij zouden het de evaluatieve of axiologische betekenis van maya kunnen noemen. De leerstelling van maya impliceert dat materiële en zelfs psychische objecten geen intrinsieke waarde hebben. Zoals de Brhadaranyaka Oepanisjad (4.5,6; vert.J.A.Blok) het formuleert:

'Zie, niet om de wille van de echtgenoot is de echtgenoot dierbaar, maar om de wille van de Atman is de echtgenoot dierbaar.
Niet om de wille van de vrouw is de vrouw dierbaar, maar om de wille van de Atman is de vrouw dierbaar.
Niet om de wille van zonen zijn zonen dierbaar, maar om de wille van de Atman zijn zonen dierbaar.
Niet om de wille van weelde is weelde dierbaar, maar om de wille van de Atman is weelde dierbaar', enz.

Dat wil zeggen, het is Atman, het Zelf, de onderliggende Realiteit van alle gemanifesteerde dingen, die hen hun intrinsieke waarde verleent. En bedenk dat in de Oepanisjads, Atman en Brahman alleen maar twee verschillende namen zijn voor dezelfde Realiteit. Alleen die Realiteit heeft intrinsieke waarde, is van waarde voor Het Zelf alleen. Alleen het ene 'Alomtegenwoordige, Eeuwige, Grenzeloze en Onveranderlijke PRINCIPE', zoals De Geheime Leer het formuleert (I,14), heeft realiteit, heeft intrinsieke waarde. Al het andere heeft alleen extrinsieke waarde - pragmatische waarde, zouden we het kunnen noemen. Het is waardevol om wat het kan doen voor een mens (of een ander wezen) in een bepaalde situatie (bijvoorbeeld, een auto hebben om uw lichaam sneller en comfortabeler over het aardoppervlak te transporteren dan u kunt lopen of fietsen). Maar wij neigen ertoe voorwerpen om zichzelf te waarderen, om ons te hechten aan onze bezittingen alsof zij een of andere intrinsieke waarde hadden (waarde toekennen aan de automobiel vanwege het ontwerp van de carrosserie, de chroomstrippen, de accessoires en dergelijke). Vaststellen dat zij uiteindelijk maya zijn, zou voor ons die neiging ietwat moeten temperen. Natuurlijk elimineert het besef hiervan bij de Mahatmas deze neiging helemaal. Hun waarden liggen elders!

Misschien kunnen een paar voorbeelden mijn standpunt verhelderen. Stelt u zich voor dat u een verzamelaar was van memorabilia van een of andere heilige, vooral plastic beeldjes van hem. Zolang er andere verzamelaars zijn die zulke beeldjes willen, hebben zij enige geldswaarde. In sommige landen zijn er publicaties voor verzamelaars van dat soort dingen, die de huidige waarde van zulke voorwerpen vermelden, gebaseerd op een wet van vraag en aanbod. Maar stelt u zich nu voor dat om welke reden dan ook, de mensen die plastic beeldjes niet meer wilden hebben. Dan zou uw verzameling helemaal geen geldswaarde meer hebben. Hun geldswaarde was zuiver extrinsiek; zij duurde zolang er andere mensen waren die ze wilden hebben. Misschien hebben de beeldjes nog enige waarde - binnen het rijk van maya, natuurlijk - door u vreugde te geven, uw devotie eerop te focussen, of om u kortstondig te verwarmen door ze te verbranden. Maar hun extrinsieke waarde hing volkomen af van de begeerten van anderen. Het is al net zo met goud: het is intrinsiek waardevol om zijn vormbare eigenschappen en extrinsiek waardevol omdat mensen het begeren voor sieraden, enz. Zo ook een biljet papiergeld dat gedrukt is door een land dat (om welke reden dan ook) niet meer bestaat. U kunt er niets meer voor kopen, dus het is extrinsiek waardeloos (tenzij musea dat soort dingen willen bewaren als een geschiedkundige herinnering). Het was waardevol - alweer, binnen het mayavisch rijk - zolang het land dat het drukte bestond en de financiële mogelijkheid had om zijn valuta te garanderen.

De Bhagavad Gita herinnert ons hieraan wanneer beschreven wordt hoe

'in de geleerde, ingetogen Brahmaan, in de os, in de olifant, ja zelfs in de hond en de paria, de wijze een en hetzelfde ziet' (5.18); en
'gelijkelijk blikt (de wijze) op aardklompen, stenen en goud' (6.8).

Maar alweer, dat betekent niet dat deze dingen niet van enig nut zijn, zelfs voor de wijze. Tenslotte is goud nuttig voor het geleiden van elektriciteit, enz. En zelfs sommige perceptuele illusies hebben hun waarde. Stelt u zich een spiegelbeeld voor dat ons ten dienste staat bij het haren kammen, lippenstift opdoen of scheren. Of een regenboog, die esthetische waarde heeft.

Tot nu toe heb ik vijf betekenissen van maya naar voren gebracht, die alle onderling verbonden zijn. Madame Blavatsky maakt nog een interessante opmerking over de term, die betrekking heeft op wat de etymologische en theologische betekenis ervan genoemd kan worden. Aan het begin van dit opstel heb ik aangegeven dat het woord een vrouwelijk zelfstandig naamwoord is in het Sanskriet, en verbonden lijkt met de sakti of scheppende kracht van de goden van het Hindoeïsme. Maar H.P. Blavatsky geeft ook aan dat de term herleid kan worden tot Griekse, Romeinse en zelfs Christelijke voornamen. In het bijzonder Maia, Maria en Mary zijn alle uiteindelijk afgeleid van Maya. En bedenk dat de naam van de moeder van Siddhartha Gautama, de Boeddha, Maya was. H.P. Blavatsky wijst erop dat Maia, de dochter van Atlas en moeder van Mercurius (of Hermes) in de Grieks-Romeinse mythologie 'moeder' of 'voedster' betekent, en haar naam heeft gegeven aan de maand mei, die, zoals zij zegt, 'aan al die godinnen was gewijd, voordat zij werd gewijd aan Maria (GL,I,396). Zo werd mei ook de maand waarin wij moederdag vieren! In haar mythologische incarnatie als de Griekse godin Maia (die overeenkomt met de Romeinse godin Vesta), zo vervolgt H.P. Blavatsky, is Maya 'onze moeder-aarde, onze verpersoonlijkte voedster' (Ibid.). Metaforisch suggereert dat Materie. H.P. Blavatsky wijst erop dat in de Hindoe mythologie, de kosmische kracht van Maya geassocieerd was met Durga, een van de namen van de echtgenote van Siva (Ibid.). Dit suggereert weer de vrouwelijke kracht van de schepping.

Maar wat is de occulte naam voor deze kracht? Ik stel voor dat het geen andere is dan Fohat - of tenminste een aspect van Fohat. In een uitvoerige discussie over Fohat in De Geheime Leer zegt HPB dat 'Fohat, overdrachtelijk, evenals Rudra (d.w.z., Siva) aan Brahma is ontsprongen, en zich daarna heeft gemetamorfoseerd in een mannelijk en een vrouwelijk beginsel, dat wil zeggen een polariteit, in positieve en negatieve elektriciteit' (GL,I,145). En dan zegt zij dat het Fohat is 'die materie belevendigt tot activiteit en evolutie' (GL,I,148). Als mijn veronderstelling juist is, komt dat goed overeen met de observatie dat maya zowel de kracht is die illusies produceert als het illusoire resultaat van die kracht. Het spoort ook met de bewering van Advaita Vedanta dat God, gewoonlijk Isvara genaamd, gezien wordt als 'Brahman plus Maya'.

Maya heeft dus een etymologische betekenis. Zo blijkt het woord verband te houden met Griekse, Romeinse en nu ook met Engelse namen. Maar belangrijker is dat het een theologische betekenis heeft, door de relatie van de Griekse mythologie met esoterisch Hindoeïsme, esoterisch Boeddhisme en esoterisch Christendom. Dat is precies wat theosofen zouden verwachten en wat H.P. Blavatsky tracht aan te tonen in De Geheime Leer.

Samenvattend heeft de leerstelling van maya (1) kosmologische betekenis als de scheppende kracht die het heelal manifesteert, (2) ontologische betekenis doordat zij de niet-permanente natuur aangeeft van het gemanifesteerde heelal en zijn afhankelijkheid van een dieper niveau van Realiteit, (3) epistemologische betekenis door ons te waarschuwen dat wij niet aan de hand van{onze} waarnemingen van de wereld voetstoots kunnen aannemen dat de wereld ook echt zo in elkaar zit, zelfs niet vanuit een pragmatisch gezichtspunt, (4) psychologische betekenis als een verklaring voor begoochelingen, inclusief hypnotisch of telepathisch geïnduceerde begoochelingen, (5) axiologische betekenis die aangeeft dat de objecten van onze perceptuele wereld geen intrinsieke waarde hebben, daarbij hun praktische waarde voor ons in het juiste perspectief zettend, (6) etymologische betekenis die ons de afleiding en achtergrond toont van het woord 'moeder', en zelfs waarom moederdag in mei gevierd wordt, en (7) theologische betekenis die de relatie laat zien tussen Hindoeïstische, Boeddhistische, Griekse, Romeinse en Christelijke mythologie. Met andere woorden, het is een leerstelling die zwanger is van betekenis - als ik mij een grapje mag veroorloven over het feit dat het grammaticaal een vrouwelijk zelfstandig naamwoord is.

Is de leerstelling van maya nu een pessimistische lering, zoals sommige westerse filosofen hebben aangenomen, en zoals zelfs HPB soms lijkt te suggereren wanneer zij naar de wereld verwijst als 'deze onbeperkte woestijn van illusie' en een van de 'grote oorzaken van ellende' (GL,I,38)?

Is het alleen maar het Indiase equivalent van die pessimistische waardering van het leven die te vinden is in het boek Prediker, 'IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid' (1:2)? Of zoals de Bijbel zegt: 'Het ene geslacht gaat en het andere geslacht komt, maar de aarde staat in eeuwigheid; ook rijst de zon op en de zon gaat onder, en hijgend ijlt zij naar haar plaats, waar zij oprees. De wind gaat naar het Zuiden, en zij draait naar het Noorden; aldoor draaiend gaat hij voort, en op zijn kringloop keert de wind weer terug... alle dingen zijn onuitsprekelijk vermoeiend, en er is niets nieuws onder de zon' (1:4-9).

Nee, maya is niet zulk pessimisme. Het is gewoon een manier om ons eraan te herinneren dat de wereld waarin wij leven, met al haar schoonheid van het spel van het zonlicht op de blaadjes en de grootsheid van de stormen - en, ja, zelfs de hinder van de muggenn - van spirituele, esthetische en praktische waarde is - zelfs van vitale waarde - maar dit mag niet verward worden met de Ultieme Realiteit, die nog glorieuzer is, en van veel groter betekenis.


Uit: The Theosophist, juni 1999

(*) Dr. Richard Brooks, emeritus hoogleraar filosofie, is al jarenlang lid van de TS in de Verenigde Staten. Dit artikel is een weergave van een lezing gehouden ter gelegenheid van de conventie te Adyar, december 1998

Vertaling: A.M.I.