uit J.J. van der Leeuw, Het Vuur der Schepping, Uitgeverij der Theosofische Vereniging, 1957

Het Levensritme

J.J. van der Leeuw

Het proces van de schepping is een goddelijke zelfbeperking, een bepaling van Gods oneindige Tegenwoordigheid binnen Zijn heelal, een uitgaan van de eenheid van de goddelijke Zaligheid naar de veelvuldigheid van de goddelijke vergetelheid. Er is niets buiten God; het atoom, de plant, het dier, de mens zelf, allen zijn geheel en al goddelijk. In Zijn schepping echter is God zelfvergeten en zelfs de mens kent zich niet als God in de beginstadia van zijn evolutie. Slechts na vele, vele levens in de stof, gedurende welke zijn aandacht buitenwaarts is gericht op het geschapen heelal, ontdekt de mens wederom het goddelijke Zelf, dat zijn ware Zelf is en begint het Pad te betreden dat naar God terug leidt. Zo is dan het doel van de menselijke evolutie: eenmaking of hereniging met het goddelijke, de yoga van de hindoe en de mystieke vereniging van de devote christen.

De adem Gods

Alle schepping is dus tweeledig: een uitgaan vanuit de eenheid en het goddelijke naar de veelheid van het geschapene en een wederkeren vanuit de vergetelheid in de stof tot bewuste hereniging in God. Dit is het eeuwige ritme van de schepping dat in de wijsbegeerte van de Hindoes wordt genoemd 'de adem van Brahma', waarbij de uitademing het heelal veroorzaakt en de inademing dit weer doet opgaan in eenheid. Het is belangwekkend op te merken hoeveel woorden die het begrip 'geest' weergeven, tevens de betekenis hebben van 'adem'. Zo zijn daar het Sanskriet woord Atma, het Hebreeuwse Roeach, het Griekse Pneuma, het Latijnse Spiritus, waarvan het Engelse Spirit en het Franse Esprit afstammen; zij betekenen alle 'adem' of staan met dat begrip in verband.

Deze adem Gods is het ritme van de schepping, dat de aard zelf is van het goddelijke en dat daarom in alle dingen kan worden teruggevonden in alle kringlopen van openbaring, van de kleinste tot de grootste. Het cyclisch scheppingsproces is de grondwet van het heelal en al onze tijdkringen, de yuga's van de Hindoe-wijsgeren, en alle tijdperken van evolutie zijn uitingen van die ene eeuwige kringloop van de schepping, waarin en waardoor het heelal bestaat.

De grootste van deze kringlopen van schepping waarvan wij kennis dragen, is het ontwaken van een heelal uit de eenheid van pralaya, zijn bestaan in verscheidenheid gedurende een manvantara van uiterlijke manifestatie en zijn terugkeer door die manifestatie tot de eenheid van goddelijk bestaan, maar even goed als in dit grootste aller tijdperken kan in de korte periode van een enkele dag het eeuwige ritme van de schepping worden teruggevonden.

Bij de dageraad ontwaakt de wereld uit de eenheid van de nacht tot de veelheid van uiterlijke werkzaamheid, in de zonsopgang voelen wij het juichende leven, dat wedergeboren wordt na de nacht van rust. In het midden van de dag is de strijd van de uiterlijke werkzaamheid, de worsteling van de strevende en zwoegende schepselen op zijn hoogst, maar in de avond, als de dagtaak voorbij is, keert de wereld tot rust terug; in de zonsondergang ligt een vrede, die als balsem is voor de wonden van de strijd. Op dat ogenblik, wanneer de zon onder de kim zinkt, is het alsof de gehele wereld één is in aanbidding; alle schepselen schijnen verenigd in de harmonie van de geest, een wereld, moe van werk en lijden, keert terug tot de goddelijke rust, waaruit zij bij de dageraad ontwaakte. De adem van de schepping keert terug.

Evenals de kringloop van een enkele dag, vinden wij het ritme van de schepping ook terug in de loop van het jaar. In de lente ontwaakt de buitenwereld uit de eenheid en rust van de winter en de natuur wordt herboren met alle vreugde en levenslust van de jeugd. In de volle zomer is de verscheidenheid van uiterlijke openbaring op zijn hoogtepunt; de wereld, de natuur is verheerlijkt en daarna, in de herfst, begint de terugkeer tot eenheid, de herfst is van een zachte droefgeestigheid, een vrede die de lente niet kende en waarin alle dagen terug schijnen te keren naar het Ene Leven van God waaruit zij zijn voortgekomen. Dan, in de winter is alles weer in rust; de eenheid van de geest doet zich gelden, terwijl het leven schijnt te zijn onttrokken aan de buitenwereld. De adem van de schepping is teruggekeerd, voor één ogenblik is alles één met God en in de diepste middernacht van de winter, de kerstnacht, als heel de natuur stil is, wordt de Christus, het goddelijke kind opnieuw geboren. Het is van diepe betekenis, dat de geboorte van Christus op dit tijdstip van het jaar is geplaatst, wanneer de geest in het innerlijk openbaar is en de natuur daarbuiten dood schijnt.

De kringloop van het menselijk leven

In het menselijk leven komt hetzelfde ritme van de schepping tot uiting. Het kind is eerst nog één met het goddelijke Leven: in de kindertijd ligt een harmonie en gratie die verloren gaat, als het kind opgroeit. Met het ontwaken van de individualiteit vervreemdt de ziel van de goddelijke Eenheid en wordt zij het afzonderlijke schepsel, dat strijdt voor het zelf in de volheid van de individuele ontplooiing. In de ouderdom echter zien wij vaak die wondere terugkeer tot de eenheid die als een zachte en wijze vrede schijnt neer te dalen op de ziel die haar kringloop van bestaan heeft volbracht. Het leven van een menselijk wezen is slechts een dag in het grotere leven van de eeuwige geest, die het ware Zelf van de mens is. In dit grotere leven, die pelgrimstocht van de ziel, komt weer het ritme van de schepping tot uiting; de ziel gaat van de eenheid in God door eeuwen van lijden en gebondenheid in de stof, een kruisiging in de wereld van uiterlijk bestaan, terug tot God uit Wie zij is voortgekomen, maar nu in vol zelfbewustzijn, met zich brengend de oogst van haar eeuwen van lijden.

De zang der schepping

Zo vinden wij overal dezelfde eeuwige adem van de schepping; de uitademing in openbaring en verscheidenheid, de inademing tot de eenheid van goddelijk Leven. Dat is de zang van de schepping, de zang die God zingt en waarvan alle zangen in dit heelal deel uit maken. Elk schepsel, elk ding, elk atoom, alles wat is en gebeurt, vormt een noot in die grote symfonie van de schepping. Dit is de zang van God de Heilige Geest, de zang die Hij zingt zowel in onze zielen als in het kleinste atoom. Als wij eenmaal die zang van de schepping gehoord hebben, kan de wereld nooit meer lelijk of slecht zijn. Wat wij slecht of lelijk noemen, wijst slechts op onze onbekwaamheid om de schijnbare wanklank te horen opgaan in grotere harmonie van het scheppende ritme. Pas wanneer wij in ons bewustzijn de zang van God de Heilige Geest gehoord hebben, kunnen wij die overal rondom ons horen en wordt het ganse heelal met zijn miljoenen schepselen, zijn onophoudelijke werkzaamheid, met zijn schijnbare wanklanken en disharmonie, al zijn lijden en ellende, opgelost in de ene immer klinkende harmonie van de zang van de schepping. Dan blijft er niets dan dat ene majestueuze ritme, waarin wij allen bestaan als noten in een grote symfonie. Dat is het ritme van de wereld, het ritme van onze menselijk ziel, het ritme van het Leven.