Uit Vidya nummer 4, zomer 1998.

Wat er ook gebeurt, het is voor onze bestwil.

Wij zijn verbijsterd over het mysterie dat wij zelf hebben gemaakt en over de raadsels van het leven die we maar niet oplossen, en we beschuldigen dan de grote sfinx dat ze ons verslindt. Maar er is werkelijk geen ongeval in ons leven, geen ongeluksdag en geen tegenspoed, die niet kan worden herleid tot onze eigen daden in dit of in een ander leven.
H.P.Blavatsky, De Geheime Leer, i 643*

Een van de grootste problemen in het leven die wij het hoofd moeten bieden is het aanvaarden van de gevolgen van gebeurtenissen die anders uitpakten dan wij verwacht hadden. We zieden van woede als wij misleid zijn. Om dit gedrag te rechtvaardigen, schelden wij op mensen en factoren die er niets mee te maken hebben. Dit brengt ons in een staat van voortdurende ontevredenheid, en wij worden uitmuntende advocaten in het vinden van schijnbare oorzaken om onze overhaaste conclusies te staven.

Maar hebben wij ooit getracht onze beslissingen te herzien nadat de gebeurtenis voorbij is, in het licht van bepaalde andere voorvallen? Hebben wij ooit geprobeerd onze emoties los te maken van het resultaat van de gebeurtenis en geprobeerd de conclusies opnieuw objectief te evalueren? Misschien niet echt. Wij hebben onszelf gehypnotiseerd tot het geloven in de juistheid van onze beslissingen.

Als wij in alle nederigheid onze beslissing opnieuw zouden bekijken, of de conclusie die wij instinctief trokken niet als onvermijdelijk zouden aannemen, laten wij in feite de zaak open voor herziening. Meestal zouden wij dan merken dat de resultaten in werkelijkheid ten goede zouden komen aan onszelf en anderen, hoe onwaar dit ook (aanvankelijk) mocht lijken.

Er is een mooi verhaal om dit denkbeeld te illustreren.

Er was eens een koning aan wie een ambassadeur de complimenten van een koning van een naburig rijk kwam brengen. Als koninklijk geschenk bracht hij een zwaard mee dat ingelegd was met juwelen. De overhandiging vond plaats temidden van de pracht en praal van het hof. De koning, die zijn vreugde hierover niet kon verbergen, haalde zijn zwaard tevoorschijn en kon zich er niet van weerhouden het in de lucht te zwaaien. In zijn jubelende stemming hakte de koning per ongeluk zijn pink eraf. De stemming aan het hof veranderde plotseling in somberheid. Sommige hovelingen renden heen en weer om medische hulp, anderen boden hun sympathie en troost aan de koning.

Temidden van dit alles probeerde de oudste minister op zijn eigen manier de pijn van de koning te verzachten door tegen hem te zeggen, 'Wat er ook gebeurt, het is voor uw eigen bestwil'. Dit maakte de koning razend en hij beschuldigde de minister van gebrek aan betrokkenheid. In zijn woede gaf de koning opdracht de minister gevangen te zetten.

Verscheidene jaren later leidde de koning een koninklijke jachtexpeditie naar het grote woud buiten de stad. In het vuur van de jacht raakte de koning verwijderd van zijn gevolg. Hij merkte dat hij hopeloos in het dichte woud verdwaald was. Terwijl de koning over zijn toeren ronddwaalde, kwam hij terecht in een nederzetting en hij slaakte een zucht van verlichting. Maar zijn geluk was van korte duur. De in stamverband levende mensen kenden de zeden van de buitenwereld niet en zijn wilden de identiteit van de koning niet aanvaarden. De gevangengenomen koning werd door de binnenhof van de tempel gesleept, vastgebonden aan een paal en er werden voorbereidingen getroffen om hem te onthoofden als offer voor de stamgoden! Maar terwijl hij de handen van koning aan het vastbinden was, zag de stampriester opeens ontzet dat deze man een vinger kwijt was! Zo'n offer werd als onvolmaakt en onheilspellend beschouwd. De voorbereidingen voor het ceremoniële offer werden abrupt gestopt en de koning werd vrijgelaten. De verdwaasde koning rende weg alsof hij door een bovennatuurlijke kracht achternagezeten werd. Hij rende maar door en na wat een eeuwigheid leek bereikte hij de grenzen van zijn koninkrijk. Zonder zelfs maar op adem te komen ging hij meteen naar de kerker waar hij zijn oudste minister had laten gevangenzetten. Eigenhandig bevrijdde de koning zijn minister en omhelsde hem vanwege de nieuwe gave van leven die hij gekregen had.

Vervolgens vertelde de koning wat er was voorgevallen en bekende nederig dat hij in haast had gehandeld toen hij de minister had laten opsluiten. De koning kon nu met overtuiging aanvaarden dat de vinger die er per ongeluk afgehakt was, hoe pijnlijk dat ook op het moment zelf geweest was, hem in feite geluk gebracht had. Zo was immers voorkomen dat hij onthoofd werd. De minister wees erop dat bij een jachtpartij onder normale omstandigheden de oudste minister zich altijd aan de zijde van de koning bevond. Bij het zien dat de koning ongeschikt was als offer, zou de priester zich ongetwijfeld tot de minister gewend hebben! Zo was ook de gevangenneming van de minister voor zijn eigen bestwil, en een verkapte zegen.

Zo is het maar net: alles wat er gebeurt, is voor onze eigen bestwil.


Vertaling citaat H.P.B. uit De Geheime Leer, T.U.P.A., 1988.

Vertaling: A.M.I.