Theosofia, Mei 1971, pag. 149

Wereldtijdperken en Wereldbeelden 

door Ir. J. M. J. Kicken

Wie de geschiedenis van de mensheid gedurende de laatste eeuwen bestudeert, constateert daarin een zeer dynamische ontwikkeling, die in onze tijd het karakter heeft aangenomen van een stroomversnelling. De voornaamste oorzaak hiervan is ongetwijfeld de opkomst van de wetenschap in de 16e eeuw. Door haar toepassing in de techniek kreeg de mens meer en meer macht over de natuur. In de 20e eeuw nam niet alleen de techniek een hoge vlucht, maar werd de wetenschappelijke methode ook toegepast op de maatschappij (economie, sociologie, planning, futurologie, enz.). Met deze ontwikkeling hangt samen een diepgaande verandering van instelling. Het geloof in God heeft plaats gemaakt voor het geloof in de wetenschap. Vertrouwde de mens in vroegere tijden op hogere machten, thans vertrouwt hij alleen nog maar op zichzelf. Sterk verbreid is de opvatting dat het geloof in hogere machten door de mens zelf geschapen is (de z.g. projectietheorie), doch dat de moderne, rationeel-wetenschappelijk denkende mens wel beter weet. A. Comte, een van de grondleggers van het positivisme, waardeert deze ontwikkeling positief en ziet hierin een volwassen worden van de mens, na de kinderlijke dwalingen van het religieuze en metafysische tijdperk. Dit soort opvattingen is kenmerkend geworden voor onze westerse cultuur, een culmineerde in het dood verklaren van God.

Hoe komt het toch dat vele mensen in deze tijd God inderdaad als dood beschouwen of twijfelen aan Zijn bestaan? Waarom was dit in oude culturen geen probleem en nu wel? Bestaat er inderdaad geen hogere, geestelijke werkelijkheid of . . . is het soms zo dat de mens steeds verder van de oergrond van zijn bestaan is vervreemd? Volgens de occulte opvatting is dit laatste het geval. De grote kennis van de materiŽle wereld is gekocht tegen een afgesneden worden van de geestelijke wereld, van de geborgenheid in de kosmos. Deze ontwikkeling is niet toevallig, doch past in het plan der evolutie. Het is dit aspect waarmee we ons in dit artikel bezig zullen houden.

Daartoe knopen we aan bij de uit het Oosten afkomstige leringen over de cycluswetten volgens welke de ontwikkeling der mensheid verloopt. Net zoals de dag gevolgd wordt door de nacht en de zomer door de winter, zo worden perioden van een bewust beleven van een geestelijke wereld gevolgd door perioden van geestelijke duisternis. Wie zich de moeite neemt om zich te verdiepen in oude culturen, moet inderdaad tot de conclusie komen dat deze culturen een geestelijke rijkdom en wijsheid bezaten welke we ons met ons verstand nauwelijks kunnen voorstellen. In talloze mythologieen en heilige geschriften wordt gesproken van een gouden tijd, waarin "de goden op aarde leefden". Deze tijd ligt definitief achter ons, maar komt - volgens deze cycluswetten - in de toekomst weer terug, zij het in andere vorm. Daartoe is het echter noodzakelijk dat de mens eerst door een dal gaat. Ligt in deze gedachte niet de zin van de geschiedenis besloten?

De Indische tijdrekening geeft nauwkeurige jaartallen aan voor de tijdperken in de geschiedenis. Zij onderscheidt vier yuga's of tijdperken, te weten het satya-yuga of Gouden Tijdperk (dat 4800 jaren duurt), het treta-yuga of Zilveren Tijdperk (3600 jaren) het dwapara-yuga of Bronzen Tijdperk (2400 jaren) en tenslotte het kali-yuga of IJzeren (Zwarte) Tijdperk, dat 1200 jaren omvat. Ieder tijdperk bestaat uit een ochtendschemering (sandhya) dat 1/12 van de volledige duur van een tijdperk beslaat, dan het eigenlijke tijdperk zelf en tenslotte een avondschemering (sandhyansa). Dit wordt o.a. beschreven door Manu in zijn Samhita. Het schema van 4-3-2-1 is essentieel en keert telkens weer terug. Volgens de Hindoe-kalender zijn deze jaren geen gewone jaren, maar "goddelijke jaren", waarbij 1 "goddelijke dag" overeenkomt met 1 kalenderjaar. Het Kali-Yuga zou dan 360 x 1200 = 432.000 jaren duren. Dit is begonnen bij de dood van Krishna (3101 v. Chr.), zodat nu 5070 jaren van dit tijdperk verstreken zijn.

Volgens Swami Sri Yukteswar Giri (l), de guru van Yogananda, is dit rekenen met "goddelijke jaren" echter niet correct. Als men rekent in gewone jaren i.p.v. goddelijke jaren, dan duren de 4 yuga's samen (het z.g. Maha Yuga) niet 1.728.000 + 1.296.000 + 864.000 + 432.000 = 4.320.000 jaren, maar 4800 + 3600 + 2400 + 1200 = 12.000 jaren. Deze periode vormt de neergaande boog, welke gevolgd wordt door een opgaande boog van eveneens 12.000 jaren, welke symmetrisch is t.o.v. de eerste. De volledige cyclus omvat dus 24.000 jaren en begint volgens Sri Yukteswar wanneer het lentepunt het teken Maagd binnentreedt (voor de huidige cyclus is dat 11501 v. Chr.).

We krijgen dan het volgende schema:

11501 - 6701 v. Chr.: SATYA of KRITA YUGA

6701 - 3101 v. Chr.: TRETA YUGA (Indische en oud-Perzische cultuur)

3101 - 701 v. Chr. DWAPARA YUGA (Egyptisch-Chaldeeuwse cultuur)

701 v. Chr. -  499 n. Chr.: KALI YUGA - neergaande boog (Griekse en Romeinse cultuur)

499 - 1699 n. Chr. KALI YUGA opgaande boog (Christelijke Middeleeuwen)

1699 - 4099: DWAPARA YUGA (tegenwoordige cultuur). (*)

Uit dit schema blijkt dat het dieptepunt van de huidige cyclus viel in 499 n. Chr. (toen het lentepunt in het teken Vissen trad) en dat we momenteel reeds 270 jaren van het DwaparaYuga achter de rug hebben. Tevens zien we dat 1899 het jaar is waarin de sandhya van het Dwapara Yuga verstreken is. Nu is het wel opmerkelijk dat zowel mevr. Blavatsky als Rudolf Steiner dit jaar herhaalde malen als een keerpunt hebben aangemerkt. Afgezien van de vraag in hoeverre deze jaartallen nu wel juist zijn, kan men zich afvragen hoe het nu komt dat er tijden zijn waarin de mensheid spiritualistisch is ingesteld en andere, waarin hij materialistisch denkt. Welke krachten zijn hier in het spel?

Ook deze vraag wordt in het onderhavige werkje van Sri Yukteswar bevredigend beantwoord. De verklaring is, net als die van het wisselen van dag en nacht, zomer en winter, astronomisch. De zon zou namelijk om een geestelijk centrum (Vishnuvavi) draaien, waarvan de scheppende kracht Brahma uitgaat. Brahma regelt Dharma, de geestelijke deugden van de innerlijke wereld. Als de zon dicht in de buurt van dit Centrum staat, schijnt het Licht van Waarheid en Wijsheid over de aarde en is de mens in staat tot geestelijke zaken door te dringen. Staat de zon ver van dit Centrum, dan is de mensheid daarentegen sterk op de materie gericht en is slechts een enkeling in staat om geestelijke waarheden te omvatten. Uit het gegeven schema blijkt, dat de zon sedert 499 n. Chr. naar dit kosmisch centrum toebeweegt, zodat te verwachten is dat geestelijke inzichten steeds meer baan zullen breken. De tegenwoordige belangstelling voor bewustzijnsverruiming (vooral door jongeren) is wellicht een symptoom in deze richting. De astrologen schrijven deze ontwikkeling gewoonlijk toe aan het naderende Aquarius tijdperk, dat in het schema van Sri Yukteswar echter pas in 2499 begint. Over dit punt bestaan nogal veel controversen, waarin we ons hier niet zullen verdiepen. (2) In ieder geval is het de verdienste van Sri Yukteswar dat hij een verband legt tussen de traditionele yuga's en de verschuiving van het lentepunt. Het enige wat hier niet helemaal klopt is, dat hij deze cyclus op 24.000 jaren stelt i.p.v. de algemeen aanvaarde waarde van 25.920 jaren (het z.g. Platonisch Jaar).

Er zij hier uitdrukkelijk op gewezen dat men al deze cycluswetten niet als een automatisme moet opvatten, dat de loop der geschiedenis zou determineren. Weliswaar veranderen de kosmische constellaties, doch het is steeds de mens die in vrijheid beslist hoe hij hierop reageert. Verder is het waarschijnlijk zo dat er verschillende cycli door elkaar lopen, zodat de werkelijkheid veel gecompliceerder is dan geschetst wordt in de diverse theorieŽn op dit gebied. Het is daarom verstandig om al deze schema's niet als absolute waarheden op te vatten, maar slechts als een hulpmiddel om te trachten een lijn in de geschiedenis te ontdekken, welke de mens naar zijn bestemming voert.

De twaalf tijdperken(groter)

In onze beschouwing hebben we ons beperkt tot 2 wereldbeschouwingen (de spiritualistische en de materialistische) die a.h.w. 2 tegenpolen vormen. Nu heeft Rudolf Steiner (3) dit thema nader uitgewerkt door een andere polariteit in te voeren, n.l. die tussen idealisme en realisme. Deze 4 fundamentele wereldbeschouwingen vormen een kruis, dat tenslotte nog tot een twaalfhoek is uit te breiden door 8 andere wereldbeschouwingen (min of meer overgangsvormen) in te voegen. We krijgen dan bovenstaand schema: De 8 tussenliggende wereldbeschouwingen vereisen een korte toelichting. Het pneumatisme is een verpersoonlijkt spiritualisme (pneuma = adem, geest). In het psychisme gaat men er van uit dat ideeŽn gebonden zijn aan menselijke wezens. Het rationalisme erkent alleen (abstracte) ideeŽn die ontleend zijn aan de zintuiglijk waarneembare wereld. Het mathematisme ziet de wereld als een ingewikkelde machine, beheerst door streng wiskundige wetten. Het sensualisme gaat uit van de zintuiglijke indrukken, het fenomenologisme van de verschijnselen (zowel uiterlijk als innerlijk). Het dynamisme stelt de werkzaamheid van krachten centraal terwijl het monadisme gebaseerd is op een goddelijke wereldgrond die monaden van verschillende graad van bewustzijn uitzendt (Leibniz).

Wie dit schema aandachtig bestudeert ontdekt al vlug een bepaalde samenhang, welke duidt op een ontwikkelingsgang. Interessant is bovendien de mogelijkheid tot astrologische duiding, doordat iedere wereldbeschouwing in een bepaald teken van de Dierenriem staat.

Deze 12 wereldbeschouwingen zijn in 2 opzichten van grote betekenis. Op de eerste plaats zijn ze te beschouwen als verschillende standpunten vanwaaruit men dezelfde werkelijkheid beziet. Daarom is het zinloos om te beweren dat slechts ťťn wereldbeschouwing de juiste is. Elke heeft haar eigen waarde en beperking. Deze situatie is te vergelijken met een aantal mensen die om een boom zitten. Elk. ziet slechts een gedeelte van de boom. De hele boom is slechts te zien als men er om heen loopt! Zo kan men zich voorstellen dat de mensheid alle wereldbeschouwingen doorlopen moet om tot grotere bewustwording te geraken. In dit kader bezien heeft de mens in iedere incarnatie zijn eigen specifieke gerichtheid, bedoeld om hem een bepaald aspect van de werkelijkheid te laten ervaren. Wie dit eenmaal ziet, gaat dan meer begrip krijgen voor andere wereldbeschouwingen dan de zijne en zal zich niet te sterk identificeren met zijn eigen wereldbeschouwing.

Op de tweede plaats krijgt de geschiedenis van culturen meer zin wanneer men zich realiseert dat aan iedere cultuur een bepaald wereldbeeld ten grondslag ligt. Zo zijn de oude theocratisch en hiŽrarchisch opgebouwde culturen (bijv. de Egyptische) gebaseerd op een spiritualistisch wereldbeeld. Aan het hoofd van een dergelijke cultuur staat de priester-koning, die rechtstreeks contact heeft met de goden. De theocratische staat is absoluut - op het overtreden van de goddelijke wil staat de doodstraf. In een idealistische wereldbeschouwing hebben geestelijke wezens plaats gemaakt voor scheppende ideeŽn. Hierbij past een cultuur waarbij kunst en.filosofie bloeien (bijv. de Griekse cultuur, de Renaissance). Het materialisme ontkent iedere geestelijke werkzaamheid en ziet de materiŽle werkelijkheid als primair. Wie de materie dient wordt met materie beloond en zo ontstond de moderne welvaartsstaat. Dit stadium mag men niet louter negatief beoordelen. Het heeft de mens immers zelfstandig gemaakt, zijn rede tot ontwikkeling gebracht en zijn ik-bewustzijn versterkt. Gevaarlijk wordt het pas wanneer de mens in dit stadium blijft steken. Dit gebeurt bijv. indien individualisme ontaardt in egoÔsme en techniek en economie een doel worden i.p.v. middel.

In het diepte punt van het materialisme, als de menselijke eenzaamheid het grootste is, kan de mens in zichzelf de kracht vinden waardoor hij tot een nieuwe relatie met de geestelijke, scheppende werkelijkheid kan komen. Dan wordt hij echter niet van buiten geleid (zoals in oude culturen), maar van binnen. Dan wordt de weg gebaand naar een cultuur welke gebaseerd is op de wereldbeschouwing van het realisme, dat uitgaat van een eenheid van geest en stof (teken Weegschaal!). Van hieruit kan een nieuwe cultuur groeien, waarin de mens beseft, deel uit te maken van 2 werelden, namelijk een fysieke wereld enerzijds (door zijn lichaam) en een geestelijke wereld anderzijds (door zijn IK). Het is dan zijn taak om vanuit de scheppende krachten van dat IK ideeŽn in de materiŽle wereld te realiseren, niet uit egoÔstische motieven, maar in het besef dat zijn IK deel uitmaakt van ťťn Levensstroom. Samenwerking zal daarom in een realistische cultuur een grote rol spelen. Het ziet er alleszins naar uit dat dit de opdracht is waarvoor de mensheid van vandaag zich gesteld ziet. Het mag ons hoopvol stemmen dat steeds meer mensen in deze wereld - vooral jongeren - zich hiervan bewust worden.

Voetnoten

1) Sri Yukteswar: De heilige wetenschap, N. Kluwer, Deventer 1968

2) Zie bijv. de discussies in “Lucifer” van februari, maart, april en juni 1970. Zie ook H. Merens: Theosofisch-astrologische verhandelingen, Theosofia no 1 t/m 5, januari-mei 1964

3) Dr. Rudolf Steiner: Der menschliche und der kosmische Gedanke (4 voordrachten, Berlijn, 18-24 januari, 1914)

*) De indeling in yuga's die hier gebruikt wordt gaat in tegen de indeling van H.P. Blavatsky en ook de Indische indeling. In beide indelingen zitten we diep in Kali Yuga en dat al sinds te tijd van Krishna en nog duizenden jaren lang. Om precies te zijn duurt Kali Yuga 432.000 jaar lang. Hiervan zijn slechts ongeveer 5000 jaar verstreken. De cycli zoals beschreven in bovenstaand artikel zijn duidelijk sub-cycli van de grotere cyclus waar Kali Yuga een onderdeel van is. Op dezelfde manier is de lente deel van de jaar-cyclus. Ook is de nacht deel van de cyclus van 24 uur waarin de aarde om haar as draait.

De indeling van Blavatsky is goed uitgelegd op:
http://www.theosofie.net/onlineliteratuur/ow/y.html