1985, Theosophical University Press, Den Haag, vertaling van "The Key to Theosophy", 1889

De Sleutel Tot de Theosofie

Hoofdstuk 1:
De Theosofie en de Theosophical Society

H.P. Blavatsky

In de oorspronkelijke tekst komen Griekse letters voor. Deze zijn steeds vervangen door Latijnse letters, omdat HTML geen Griekse letters toestaat.

De Betekenis van de Naam

Belangstellende: Men spreekt over theosofie en haar leringen vaak als een nieuwerwetse godsdienst. Is het een godsdienst?

Theosoof: Dat is het niet. Theosofie is goddelijke kennis of wetenschap.

B: Wat is eigenlijk de betekenis van het woord?

Th: "Goddelijke wijsheid", Theosophia, of wijsheid van de goden, zoals Theogonia afstamming van de goden is. Het woord Theos betekent in het Grieks een god, een van de goddelijke wezens, beslist niet "God" in de betekenis die er in onze tijd aan wordt gehecht. Daarom is het niet "wijsheid van God", zoals sommigen het hebben vertaald, maar goddelijke wijsheid, zoals de goden die bezitten. Het woord is vele duizenden jaren oud.

B: Wat is de oorsprong van de naam?

Th: Die is tot ons gekomen van de Alexandrijnse filosofen, waarheidsminnaars, philateleten genaamd, van phil "minnend" en aletheia "waarheid". De naam theosofie dateert uit de derde eeuw van onze jaartelling en komt voor het eerst voor bij Ammonius Saccas en zijn leerlingen, (1)die het eclectisch theosofisch stelsel invoerden.

B: Wat was het doel van dit stelsel?

Th: In de eerste plaats om zijn aanhangers en al degenen die "minnaars van de waarheid" waren bepaalde grote zedelijke waarheden in te prenten. Vandaar het motto dat de Theosophical Society heeft aangenomen: "Er is geen godsdienst hoger dan de waarheid." (2) Het voornaamste doel van de stichters van de Eclectische Theosofische School was een van de drie doelstellingen van haar moderne opvolgster, de Theosophical Society, namelijk alle godsdiensten, sekten en volkeren in een gemeenschappelijk ethisch stelsel, gebaseerd op eeuwige waarheden, met elkaar te verzoenen.

B: Hoe kunt u aantonen dat dit niet een onmogelijke droom is; en dat alle wereldgodsdiensten inderdaad op één en dezelfde waarheid zijn gebaseerd?

Th: Door een vergelijkende studie en analyse. De "wijsheidsreligie" was in de oudheid één; en de gelijkheid van de oorspronkelijke religieuze filosofie wordt ons bewezen door de identieke leringen die aan ingewijden werden gegeven tijdens de MYSTERIËN, een instelling die eens algemeen verspreid was. "Alle oude erediensten wijzen op het bestaan van één theosofie die eraan voorafging. De sleutel waarmee er één geopend kan worden, moet ze alle ontsluiten; anders kan het niet de juiste sleutel zijn." (Eclect. Philo.)

Het Beleid van de Theosophical Society

B: In de dagen van Ammonius bestonden er verschillende oude, grote godsdiensten en alleen al in Egypte en Palestina waren er talrijke sekten. Hoe kon hij die met elkaar verzoenen?

Th: Door te doen wat wij nu weer proberen te doen. De neoplatonisten vormden een grote groep en behoorden tot verschillende religieuze filosofieën; (3) zo ook onze theosofen. In die tijd bevestigde de jood Aristobulus dat de zedenleer van Aristotelesde esoterische leringen van de Mozaïsche wet vertegenwoordigde; Philo Judaeus trachtte de Pentateuch overeen te brengen met de filosofie van Pythagoras en Plato; en Josephus toonde aan dat de Essenen van Carmel eenvoudig de nabootsers en volgelingen van de Egyptische therapeutae (genezers) waren. Heden ten dage is het nog zo. Wij kunnen de afkomst van elke christelijke geloofsleer en van iedere sekte, zelfs de kleinste, aantonen. Deze laatste zijn de kleinere twijgen of loten die aan de grotere takken zijn gegroeid; maar de twijgen en de takken ontspringen aan dezelfde stam - de WIJSHEIDSRELIGIE. Dit te bewijzen was het doel van Ammonius, die probeerde heidenen en christenen, joden en afgodendienaars ertoe te bewegen hun geschillen en twisten te vergeten en slechts te bedenken, dat zij allen in het bezit waren van dezelfde waarheid in een ander kleed en allen kinderen waren van een gemeenschappelijke moeder. (4) Dat is ook het doel van de theosofie.

B: Welke gezaghebbende bronnen hebt u om dit over de oude Alexandrijnse theosofen te zeggen?

Th: Een bijna ontelbaar aantal bekende schrijvers. Mosheim, één van hen, zegt dat: -

Ammonius leerde dat de godsdienst van de menigte hand in hand ging met de filosofie, en dat ze met deze het lot had gedeeld geleidelijk door louter menselijke waandenkbeelden, bijgeloof en leugens te zijn verdraaid en verduisterd; dat ze daarom tot haar oorspronkelijke zuiverheid moest worden teruggebracht door haar van die ongerechtigheden te ontdoen en volgens filosofische beginselen te verklaren; en dat alles wat Christus beoogde was de wijsheid van de Ouden weer in haar oorspronkelijke zuiverheid te herstellen; de algemeen heersende macht van het bijgeloof te beperken, en de vele dwalingen die in de verschillende volksgodsdiensten waren binnengedrongen ten dele te verbeteren en ten dele uit te roeien.
Ook dit is precies wat de moderne theosofen zeggen. Maar terwijl de grote philaleeth in het beleid dat hij volgde werd gesteund en geholpen door twee kerkvaders, Clemens en Athenagoras, door alle geleerde rabbijnen van de synagoge, de Academie en het Gymnasium, en hij een gemeenschappelijke leer voor allen onderwees, ontvangen wij, zijn volgelingen in hetzelfde voetspoor, geen erkenning, maar worden integendeel beschimpt en vervolgd. Het blijkt dus dat de mensen 1500 jaar geleden verdraagzamer waren dan ze nu zijn, in deze verlichte eeuw.

B: Werd hij aangemoedigd en gesteund door de kerk omdat hij, ondanks zijn ketterijen, toch het christendom onderwees en christen was?

Th: Helemaal niet. Hij werd als christen geboren, maar heeft nooit het christendom van de kerk aanvaard. Dezelfde schrijver zegt nog van hem:

Hij behoefde zijn kennis slechts over te dragen in overeenstemming met de oude zuilen van Hermes, die Plato en Pythagoras vóór hem kenden en waarop zij hun filosofie baseerden. Daar hij hetzelfde vond in de inleiding tot het Evangelie naar Johannes, veronderstelde hij zeer terecht dat het de bedoeling van Jesus was geweest de grote leer van wijsheid in haar oorspronkelijke, ongeschonden staat te herstellen. De verhalen in de bijbel en de legenden over de goden beschouwde hij als allegorieën die de waarheid illustreren, of anders als fabels die moesten worden verworpen." De Edinburgh Encyclopedia zegt bovendien: "Hij erkende dat Jezus Christus een uitnemend mens was en de 'vriend van God', maar beweerde dat het niet zijn bedoeling was de aanbidding van demonen (goden) geheel af te schaffen en dat zijn enige oogmerk was de oude godsdienst te zuiveren.

De wijsheid in alle tijden esoterisch

B: Hoe kan men zeker weten dat dit de leringen van Ammonius Saccas zijn, daar hij nooit iets op schrift heeft gesteld?

Th: Ook Boeddha, Pythagoras, Confucius, Orpheus, Socrates en zelfs Jezus hebben geen geschriften nagelaten. Toch zijn de meesten van hen historische personen en zijn al hun leringen blijven bestaan. De leerlingen van Ammonius (onder wie Origenes en Herennius) hebben verhandelingen geschreven en zijn zedenleer uiteengezet. Deze zijn zeker even historisch, zo niet meer, als de geschriften van de apostelen. Bovendien hebben zijn leerlingen - Origenes, Plotinus en Longinus (raadsheer van de beroemde koningin Zenobia) - allen omvangrijke documenten nagelaten van het philaletisch stelsel - tenminste voor zover hun geloofsbelijdenis openlijk bekend was, want de school was verdeeld in een exoterische en een esoterische leer.

B: Hoe heeft deze laatste onze tijd bereikt, daar u van oordeel bent dat wat terecht WIJSHEIDSRELIGIE wordt genoemd, esoterisch was?

Th: De WIJSHEIDSRELIGIE was altijd één, en daar zij het laatste woord vormt van kennis die voor de mens mogelijk is, werd ze zorgvuldig bewaard. Ze is vele eeuwen ouder dan de Alexandrijnse theosofen, bereikte die van deze tijd en zal iedere andere religie en filosofie overleven.

B: Waar en door wie werd ze zo bewaard?

Th: Bij de ingewijden van ieder land; bij ernstige zoekers naar waarheid - hun discipelen; en in die delen van dee wereld waar zulke zaken altijd zeer waardevol werden geacht en nagestreefd: in India, Midden-Azië en Perzië.

B: Kunt u enkele bewijzen geven voor het esoterische karakter ervan?

Th: Het beste bewijs dat u voor dit feit kunt krijgen is, dat iedere oude religieuze of liever filosofische cultus uit esoterisch of geheim onderricht en een exoterisch (uiterlijk en openbare) eredienst bestond. Verder is het een welbekend feit dat bij ieder volk de MYSTERIËN van de Ouden de "grotere" (geheime) en de "kleinere" (openbare) MYSTERIËN omvatten - b.v. bij de beroemde plechtigheden in Griekenland, Eleusinia genaamd. Van de hiërofanten van Samothrace, Egypte en de ingewijde brahmanen van het oude India, tot de latere Hebreeuwse rabbijnen, hielden allen hun werkelijke bonafide overtuigingen geheim uit vrees voor ontwijding. De joodse rabbijnen noemden hun profane religieuze boeken de Mercavah (het uiterlijke lichaam), "het voertuig" of het omhulsel dat de verborgen ziel bevat - d.w.z. hun hoogste geheime kennis. Bij geen van de oude volken maakten de priesters ooit hun werkelijke filosofische geheimen aan de menigte bekend, maar gaven aan de laatsten alleen het omhulsel. Het noordelijk boeddhisme heeft zijn "groter" en zijn "kleiner" voertuig, bekend als de Mahayana, de esoterische, en de Hinayana, de exoterische scholen. Men mag hen die geheimhouding ook niet kwalijk nemen; want u zou er toch ook niet aan denken uw kudde schapen te voeden met geleerde verhandelingen over plantkunde, in plaats van met gras? Pythagoras noemde zijn gnosis "de kennis van de dingen die zijn", en bewaarde die kennis alleen voor zijn door een gelofte gebonden discipelen: voor hen die zulk geestelijk voedsel konden verwerken en daardoor werden bevredigd; en hij liet hen plechtig beloven stilzwijgen en geheimhouding te bewaren. Occulte alfabetten en geheime cijferschriften hebben zich ontwikkeld uit het oude Egyptische hiëratische schrift, waarvan het geheim in die oude tijden alleen in het bezit was van de hiërogrammatici of ingewijde Egyptische priesters. De biografen van Ammonius Saccas vertellen ons dat hij zijn leerlingen door een eed zijn hogere leringen niet te onthullen, behalve aan hen die al in voorbereidende kennis waren onderricht en ook door een gelofte waren gebonden. En vinden wij tenslotte hetzelfde ook niet terug in het vroege christendom, bij de gnostici en zelfs in de leringen van Christus? Sprak hij niet tot de menigte in gelijkenissen, die een tweeledige betekenis hadden, en legde hij zijn redenen niet alleen aan zijn discipelen uit? Hij zegt "U is gegeven het geheimenis van het koninkrijk Gods, maar tot hen die buiten staan, komt alles in gelijkenissen" (Marcus 4:11). "De Essenen van Judea en Carmel maakten ook een dergelijk onderscheid en verdeelden hun aanhangers in neofieten, broeders en de volmaakten of ingewijden" (Eclec. Phil.). Uit elk land zouden voorbeelden van deze aard kunnen worden aangevoerd.

B: Kan men de "Geheime Wijsheid" eenvoudig door studie verwerven? De encyclopedieën omschrijven theosofie vrijwel op dezelfde wijze als het woordenboek van Webster dat doet, namelijk als "een veronderstelde omgang met God en hogere geesten en het daaruit voortvloeiend bereiken van bovenmenselijke kennis door fysische middelen en chemische processen." Is dat juist?

Th: Dat denk ik niet. Bovendien is er geen enkele samensteller van een woordenboek in staat zichzelf of anderen uit te leggen hoe bovenmenselijke kennis door fysische of chemische processen kan worden verkregen. Als Webster had gezegd "door metafysische en alchemische processen", dan zou de omschrijving bij benadering juist zijn: zoals het er nu staat is het bespottelijk. De oude theosofen, evenals de tegenwoordige, zeiden dat het oneindige niet door het eindige kan worden gekend, - d.w.z. waargenomen door het eindige zelf - maar dat de goddelijke essentie zich in een toestand van extase aan het hogere geestelijke Zelf kan doen kennen. Die toestand kan moeilijk met "fysische en chemische middelen" worden bereikt, zoals hypnose.

B: Hoe verklaart u het dan?

Th: Plotinus heeft de echte extase omschreven als "de bevrijding van het denken van zijn eindig bewustzijn, waardoor het één wordt en zich vereenzelvigt met het oneindige." Dat is de hoogste toestand, zegt prof. Wilder, maar niet van blijvende aard en wordt alleen door zeer, zeer weinigen bereikt. Het is inderdaad hetzelfde als de toestand die in India bekend is als samadhi. Dit laatste wordt door de yogi's beoefend, die het lichamelijk vergemakkelijken door de grootst mogelijke onthouding van voedsel en drank, en mentaal door een onophoudelijk streven het denken te zuiveren en te verheffen. Meditatie is stil en woordeloos gebed of, zoals Plato het uitdrukte, "het zich vurig richten van de ziel op het goddelijke; niet vragen om een bepaald goed (zoals in de gewone betekenis van het gebed), maar om het goede zelf - om het universele hoogste goed", waarvan wij op aarde een deel zijn; uit de essentie daarvan zijn wij allen voortgekomen. Plato voegt er daarom aan toe, "blijf stil in de tegenwoordigheid van de goddelijke wezens tot zij de nevelen voor uw ogen verwijderen en u door het licht dat van hen uitstraalt in staat te stellen, niet te zien wat u goed schijnt, maar wat wezenlijk goed is."(5)

B: Theosofie is dus niet een nieuw ontworpen stelsel, zoals sommigen menen?

Th: Alleen onwetende mensen kunnen er zo over spreken. Ze is in haar leringen en zedenleer, zo niet in naam, zo oud als de wereld, en ze is ook het ruimste en meest universele stelsel van alle.

B: Hoe komt het dan dat de theosofie in de landen van het westelijk halfrond zo onbekend is gebleven? Waarom moest ze een gesloten boek blijven voor de rassen die, naar algemeen wordt erkend, tot de meest beschaafde en ontwikkelde behoren?

Th: Wij geloven dat er in vroeger tijden even beschaafde en zeker meer geestelijk "ontwikkelde" volkeren waren dan wij. Maar er zijn verschillende redenen voor deze zelf-veroorzaakte onwetendheid. Een ervan gaf Paulus aan de beschaafde Atheners - een eeuwenlang gemis aan werkelijk geestelijk inzicht en zelfs belangstelling, tengevolge van hun al te grote gehechtheid aan zintuigelijke zaken en hun lange onderworpenheid aan de dode letter van dogma en ritueel. Maar de krachtigste reden ervoor ligt in het feit dat de ware theosofie altijd geheim is gehouden.

B: U hebt bewijzen aangevoerd dat die geheimhouding heeft bestaan; maar wat was de ware reden daarvoor?

Th: De redenen daarvoor waren: Ten eerste, de verdorvenheid van de gemiddelde menselijke natuur en haar zelfzucht, die altijd uit is op bevrediging van persoonlijke begeerten ten koste van naasten en verwanten. Aan zulke mensen konden nooit goddelijke geheimen worden toevertrouwd. Ten Tweede, kon men er niet op vertrouwen dat ze de heilige en goddelijke kennis voor ontwijding zouden behoeden. Dit laatste heeft geleid tot verwording van de meest verheven waarheden en symbolen en tot het geleidelijk misvormen van geestelijke zaken tot menselijke, concrete en grove voorstellingen - met andere woorden, tot het verlagen van het godsbegrip en tot afgoderij.

Theosofie is geen Boeddhisme

B: Er wordt vaak over u gesproken als "esoterische boeddhisten". Bent u dan allemaal volgelingen van Gautama Boeddha?

Th: Evenmin als musici allen volgelingen van Wagner zijn. Sommigen van ons zijn boeddhisten wat hun godsdienst betreft; toch zijn er veel meer hindoes en brahmanen dan boeddhisten onder ons, en meer als christenen geboren Europeanen en Amerikanen dan bekeerde boeddhisten. Het misverstand is ontstaan door een verkeerd begrip van de werkelijke betekenis van de titel van het uitstekende werk van de heer Sinnett, "Esoteric Buddhism"; het laatste woord had met één d, in plaats van met twee d's moeten zijn gespeld en dan zou 'Budhism" hebben betekend wat ermee was bedoeld, namelijk "wijsheid-isme (bodha, bodhi, "intelligentie", "wijsheid") in plaats van boeddhisme, de religieuze filosofie van Gautama. Zoals reeds gezegd is de theosofie de WIJSHEIDSRELIGIE.

B: Wat is dan het verschil tussen boeddhisme, de door de prins van Kapilavastu gestichte godsdienst, en 'budhism'. "wijsheid-isme", waarvan u zegt dat het gelijk is aan theosofie?

Th: Precies hetzelfde verschil als er bestaat tussen de geheime leringen van Christus, die "de mysteriën van het koninkrijk der hemelen" worden genoemd, en het latere ritueel en de dogmatische theologie van kerken en sekten. Boeddha betekent de door bodha of begrip, wijsheid "verlichte". Dit is met wortel en al overgegaan in de esoterische leringen die Gautama alleen aan zijn uitverkoren arhats meedeelde.

B: Maar sommige oriëntalisten ontkennen dat Boeddha ooit een esoterische leer heeft onderwezen.

Th: Zij kunnen net zo goed ontkennen dat de natuur nog verborgen geheimen heeft voor de wetenschapsmensen. Verderop zal ik het bewijzen door het gesprek van Boeddha met zijn discipel Ananda. Zijn esoterische leringen waren eenvoudig de gupta vidya (geheime kennis) van de oude brahmanen, en op enkele uitzonderingen na hebben hun hedendaagse opvolgers de sleutel daartoe volkomen verloren. Deze vidya is overgegaan in wat nu bekend staat als de innerlijke leringen van de Mahayana school van het noordelijk boeddhisme. Zij die dit ontkennen zijn eenvoudig onwetend en hebben geen recht zich oriëntalisten te noemen. Ik raad u aan Chinese Buddhism van de eerw. heer Edkins te lezen - vooral de hoofdstukken over de exoterische en esoterische scholen en leringen - en dan de getuigenis van de hele klassieke wereld over dit onderwerp daarmee te vergelijken.

B: Maar is de zedenleer van de theosofie niet gelijk aan die welke Boeddha onderwees?

Th: Zeker wel, want deze zedenleer is de ziel van de wijsheidsreligie en was eens het gemeenschappelijk bezit van de ingewijden van alle volkeren. Maar Boeddha was de eerste die deze verheven zedenleer in zijn openlijke leringen vorm gaf, en ze tot grondslag en kern van zijn openbare stelsel maakte. Daarin ligt dan ook het geweldige verschil tussen het exoterische boeddhisme en elke andere religie. Want terwijl in andere religies ritueel en dogma op de eerste plaats en voornaamste plaats komen, is in het boeddhisme altijd de meeste nadruk op de zedenleer gelegd. Dit verklaart de overeenkomst, die vrijwel neerkomt op gelijkheid, tussen de zedenleer van de theosofie en die van de religie van Boeddha.

B: Zijn er belangrijke verschilpunten?

Th: Een groot onderscheid tussen de theosofie en het exoterische boeddhisme is, dat het laatste, vertegenwoordigd door de zuidelijke kerk, geheel en al (a) het bestaan van een godheid en (b) een bewust leven na de dood, of zelfs maar een zelfbewust voortbestaande individualiteit in de mens ontkent. Zo is tenminste de leer van de Siamese sekte, die nu als de zuiverste vorm van het exoterisch boeddhisme wordt beschouwd. En dat is juist, als wij alleen het oog hebben op de openbare leringen van Boeddha; de reden voor zijn terughoudendheid zal ik later geven. Maar de scholen van de noordelijke boeddhistische kerk, gevestigd in die landen waarheen zijn ingewijde arhats zich na de dood van hun Meester begaven, onderrichten alles wat nu theosofische leringen worden genoemd; want die maken deel uit van de kennis van de ingewijden - waarmee dus wordt bewezen hoe, door all te ijverige orthodoxie van het zuidelijke boeddisme, de waarheid is opgeofferd aan de dode letter. Maar hoeveel grootser en edeler, wijsgeriger en wetenschappelijker is deze leer, zelfs in haar dode letter, dan die van enige andere kerk of godsdienst. Toch is theosofie geen boeddhisme.

Voetnoten

(1) Ook analogeten genoemd. Prof. Alex. Wilder, lid van de T.S., heeft in zijn "Eclectic Philosophy" uiteengezet dat zij zo werden genoemd omdat het bij hen gebruikelijk was alle heilige legenden en verhalen, mythen en mysteriën, te verklaren volgens de regel of het beginsel van de analogie en overeenkomst; zodat gebeurtenissen, waarvan werd verteld dat ze in de uiterlijke wereld hebben plaatsgehad, beschouwd werden als een weergave van werkingen en ervaringen van de menselijke ziel. Zij werden ook wel neoplatonisten genoemd. Hoewel de theosofie of het eclectisch theosofisch stelsel algemeen in de derde eeuw wordt geplaatst, moet toch haar oorsprong veel vroeger liggen, als wij Diogenes Laertius mogen geloven, want hij schrijft het stelsel toe aan een Egyptische priester, Pot-Amun, die in het begin van de Ptolemeïsche dynastie leefde. Dezelfde schrijver vertelt ons dat de naam Koptisch is en een aan Amun toegewijde betekent, de god van wijsheid. Theosofie is het equivalent van brahmvidya, goddelijke kennis.

(2) De eclectische theosofie werd onderverdeeld in drie hoofdpunten: (1) Geloof in één absolute, onbegrijpelijke en opperste godheid of oneindige essentie, die de oorsprong is van de hele natuur en van al wat is, zichtbaar en onzichtbaar. (2) Geloof in de eeuwige, onsterfelijke natuur van de mens, omat zij als uitstraling van de Universele Ziel van dezelfde essentie is. (3) theurgie of "goddelijk werk", of een werk van goden voortbrengend; van theoi, "goden", en ergein, "werken". Deze term is al heel oud, maar was niet in algemeen gebruik, daar hij tot de woordenschat van de MYSTERIËN behoorde. Het was een mystiek geloof - in de praktijk bewezen door ingewijde adepten en priesters - dat de mens, door zich even rein te maken als de onlichamelijke wezens - d.w.z. door terug te keren tot zijn oorspronkelijke, natuurlijke zuiverheid - de goden ertoe kon bewegen de goddelijke mysteriën aan hem te onthullen en zelfs kon maken dat ze soms subjectief of objectief zichtbaar werden. Het was het transcendentale aspect van wat nu spiritisme wordt genoemd; maar daar de grote massa het had misbruikt en verkeerd opgevat, waren sommigen het als necromantie gaan beschouwen en werd het algemeen verboden. Een verwrongen nabootsing van de theurgie van Jamblichus is nog blijven voortleven in de ceremoniële magie van sommige moderne kabbalisten. De hedendaagse theosofie mijdt en verwerpt deze twee soorten magie en "necromantie" als zeer gevaarlijk. Ware goddelijke theurgie vereist een bijna bovenmenselijke zuiverheid en heiligheid van leven; anders zakt ze af tot mediumschap of zwarte magie. De rechtstreekse leerlingen van Ammonius Saccas, die Theodidaktos, "door god onderwezen" werd genoemd - zoals Plotinus en zijn volgeling Porphyrius - wezen aanvankelijk de theurgie af, maar werden er tenslotte door Jamblichus mee verzoend, die hierover een werk schreef getiteld "De Mysteriis", onder de naam van zijn eigen meester, een beroemde Egyptische priester, Abammon geheten. Ammonius Saccas was de zoon van christelijke ouders, en omdat hij vanaf zijn jeugd een afkeer had van het dogmatische, spiritualistische christendom, werd hij neoplatonist; er wordt van hem gezegd, evenals van J. Boehme en andere grote zieners en mystici, dat goddelijke wijsheid hem in dromen en visioenen werd geopenbaard. Vandaar de naam Theodidaktos. Hij besloot alle godsdienstige stelsels met elkaar te verzoenen en één universeel geloof, gebaseerd op de zedenleer, te grondvesten, door hun identieke oorsprong aan te tonen. Zijn leven was zo onberispelijk en rein, zijn geleerdheid zo diepgaand en veelomvattend, dat verscheidene kerkvaders in het geheim zijn leerlingen waren. Clemens van Alexandrië spreekt erg lovend over hem. Plotinus, de "Johannes" van Ammonius, was eveneens een algemeen geacht en gewaardeerd man, onkreukbaar en met uitermate diepe kennis. Toen hij negenendertig jaar oud was, vergezelde hij de Romeinse keizer Gordianus en diens leger naar het Oosten, om onderricht te worden door de wijzen van Bactrië en India. Hij had een school voor wijsbegeerte in Rome. Porphyrius, zijn leerling, wiens werkelijke naam Malek was (een vergriekste jood), verzamelde alle geschriften van zijn leermeester. Porphyrius was zelf ook een groot schrijver en gaf een zinnebeeldige vertolking van enkele delen van de geschriften van Homerus. Het meditatiestelsel waar de philalethen hun toevlucht toe namen, was de extase, een stelsel dat verwand is aan de Indische yogapraktijken. Wat van de Eclectische School bekend is, danken wij aan Origenes, Longinus en Plotinus, rechtstreekse leerlingen van Ammonius. (Zie Eclectic Philosophy, door A. Wilder.)

(3) Onder Philadelphos werd de joodse leer in Alexandrië gevestigd en al gauw werden de Helleense leraren geduchte concurrenten van het College van rabbijnen van Babylon. De schrijver van "Eclectic Philosophy" merkt zeer terecht op: "Naast de boeddhistische, vedantijnse en magische stelsels werden de filosofieën van Griekenland van die tijd verkondigd. Het was niet verwonderlijk dat weldenkende mensen van mening waren dat de woordenstrijd behoorde te eindigen, en het mogelijk achtten één harmonisch stelsel uit die verschillende leringen af te leiden . . . . Panaenus, Athenagoras en Clemens waren door en door onderlegd in de platonische filosofie en begrepen dat deze in wezen één was met de oosterse stelsels."

(4) Mosheim zegt over Ammonius: "Daar hij inzag dat niet alleen de wijsgeren van Griekenland, maar ook die van alle verschillende barbaarse volkeren op ieder essentieel punt in volmaakte overeenstemming met elkaar waren, stelde hij zich tot taak aan te tonen dat de talloze stellingen van al die onderscheidene sekten zijn ontsproten aan een en dezelfde bron en alle gericht zijn op hetzelfde doel." Als de schrijver over Ammonius in de Edinburgh Encyclopedia weet waar hij het over heeft, dan beschrijft hij de moderne theosofen, hun overtuiging en hun werk, want sprekende over theodidaktos zegt hij: "Hij nam de leerstellingen over die in Egypte werden ontvangen (de esoterische waren die uit India) over het heelal en de godheid, gezien als één groot geheel; over de eeuwigheid van de wereld . . . en stelde een systeem van zedelijke discipline samen, dat de mensen in het algemeen in staat stelde volgens de wetten van hun land en van de natuur te leven, maar van de wijzen eiste hij dat ze door overpeinzing hun denken verhieven."

(5) Dit is wat de geleerde schrijver van "The Eclectic Philosophy", prof. A. Wilder, lid van de T.S. [Theosophical Society], beschrijft als "geestelijke fotografie": De ziel is de camera waarin feiten en gebeurtenissen, zowel toekomstige, vroegere als tegenwoordige, worden vastgelegd; en het denkvermogen wordt er zich van bewust. Buiten onze dagelijkse wereld van beperkingen is alles één dag of toestand - het verleden en de toekomst in het heden vervat . . . . . . De dood is de laatste ecstasis op aarde. Dan wordt de ziel bevrijd van de beperkingen van het lichaam en wordt het edeler deel verenigd met de hogere natuur en krijgt deel aan de wijsheid en voorkennis van hogere wezens." Voor mystici is ware theosofie die toestand die Apollonius van Tyana aldus beschreef: "Ik kan het heden en de toekomst zien als in een heldere spiegel. De wijze behoeft niet te wachten op de dampen van de aarde en de desintegratie van de lucht om gebeurtenissen te voorzien. . . . De theoi of goden zien de toekomst; gewone mensen het heden; wijzen wat staat te gebeuren." "De theosofie van de wijzen", waarover hij spreekt, wordt goed weergegeven in de uitspraak: "Het koninkrijk Gods is in ons."