Het pad

H.P. Blavatsky

Mijn voornaamste en enige doel was naar voren te brengen dat de fundamentele principes van iedere exoterische religie en filosofie, oud of nieuw, vanaf het eerste begin slechts echo’s waren van de aloude ‘Wijsheidsreligie’. Ik trachtte aan te tonen dat de BOOM VAN KENNIS, net als de Waarheid zelf, Eén was: en dat, hoezeer ook verschillend van vorm en kleur, het blad aan de twijgen, de stam en zijn hoofdtakken nog steeds die waren van dezelfde oude Boom, in de schaduw waarvan de (nu) esoterische religieuze filosofie van de rassen die onze huidige mensheid op aarde voorgingen, zich had ontwikkeld en gegroeid was.

Ik geloof dat ik deze doelstelling zoveel mogelijk volvoerd heb in de eerste twee delen van De Geheime Leer. Het was niet de occulte filosofie van de esoterische leringen die ik op mij genomen had aan de wereld in het algemeen uit te leggen, want dan zou de kwalificatie ‘Geheim’ verworden zijn tot het geheim van ‘Jan Klaassen’ (een poppenkastpop), uitgeschreeuwd als op het toneel; maar eenvoudig om ‘dat wat gedeeld kon worden’ uit te delen, en om het naast het geloof en de dogma’s van voorbije en huidige naties te leggen, aldus het origineel en de bron van de laatstgenoemde te belichten en hoe verminkt zij geworden waren. Als mijn werk in deze tijd van materialistische aannames en universele beeldenstorm te prematuur is voor de massa wereldse mensen… dan heeft die massa pech gehad. Maar daar het niet te prematuur was voor de serieuze bestudeerders van de theosofie, behalve misschien dan voor hen die gehoopt hadden dat een betoog over het soort gecompliceerde overeenkomsten die bestaan tussen de religies en filosofieën van het bijna vergeten verleden, en die van de huidige dag, even eenvoudig zouden kunnen zijn als een keukenmeidenroman uit de stationsboekhandel. Zelfs het bestuderen van een afzonderlijk filosofisch systeem, of dat nu dat van Kant of van Herbert Spencer, van Spinoza of van Hartmann is, vereist meer dan een studie van een paar jaar. Lijkt het daarom niet redelijk dat een werk dat verscheidene dozijnen filosofen en meer dan een half dozijn wereldreligies vergelijkt, een werk dat de wortels met de grootste omzichtigheid dient te onthullen, daar het slechts een toespeling kan maken op de geheime bloesems hier en daar – niet bij eerste lezing begrepen kan worden, noch zelfs na verscheidene malen lezen, tenzij de lezer voor zichzelf een systeem ervoor uitwerkt?…

Er zijn verscheidene manieren om kennis te vergaren: (a) door de uitspraken van de kerk of de moderne wetenschap blindelings te aanvaarden; (b) door beide te verwerpen en te beginnen met voor zichzelf te waarheid te onderzoeken. De eerste methode is gemakkelijk en leidt tot maatschappelijk respect en eerbetoon van onze medemens; de tweede manier is moeilijk en vraagt meer dan gewone toewijding aan de waarheid, het negeren van persoonlijk voordeel en een niet aflatend doorzettingsvermogen. Zo was het vroeger en zo is het nu, behalve misschien dat zulk een toewijding aan de waarheid zeldzamer is in onze tijd dan vroeger. De onwil van de moderne Oosterse student om voor zichzelf te denken is nu even groot als Westerse eisen en kritiek op de ideeën van anderen.

Hij eist en verwacht dat zijn ‘Pad’ bereid is met alle egoïstische bemoeienis van modern gemak, geasfalteerd, voorzien van een snelle spoorweg en een telegraaf, en zelf met een telescoop, waardoor hij, terwijl hij op zijn gemak achteroverleunt, de arbeid van andere mensen kan observeren; en terwijl hij hen bekritiseert, uitkijkt naar het gemakkelijkste, om occultistje te spelen en amateur bestudeerder van de theosofie. Het echte ‘Pad’ naar esoterische kennis is heel anders. De toegang ertoe is overwoekerd met de bramen van verwaarlozing; de travestieën van de waarheid gedurende lange eeuwen belemmeren de ingang en het wordt verduisterd door de trotse minachting van zelfgenoegzaamheid, waarbij iedere waarheid buiten alle proportie wordt verdraaid. Alleen al de drempel over te gaan vereist een niet aflatende inspanning, vaak zonder resultaat, gedurende vele jaren, en wanneer men eenmaal aan de andere kant van die drempel staat, moet de vermoeide pelgrim te voet omhooggaan, want het smalle pad leidt naar afschrikwekkende bergtoppen, nooit gemeten en onbekend behalve voor hen die al eerder de in wolken gehulde top bereikt hebben. Zo moet hij, stap voor stap, omhoog klimmen, waarbij hij elke duimbreed voor zich moet overwinnen door zijn eigen inspanningen; terwijl hij geleid wordt door vreemde wegwijzers waarvan hij de aard slechts kan vaststellen door de verweerde, half uitgewiste inscripties te ontcijferen, al voortgaande, want wee hem als hij, in plaats van ze te bestuderen, ze rustig betitelt als ‘niet te ontcijferen’. De ‘Leer van het Oog’ is maya; alleen die van het ‘Hart’ kan hem tot een uitverkorene maken.

Moeten wij ons erover verbazen dat zo weinigen het doel bereiken, dat zo velen geroepen worden, maar zo weinigen uitgekozen? Wordt de reden hiervoor niet verklaard in drie regels op p. 27 van ‘De Stem van de Stilte’? Hier staat dat terwijl “eerstgenoemden trots herhalen, ‘Zie, ik weet’, de laatsten, degenen die nederig zijn, zachtjes bekennen, ‘naar ik gehoord heb’”. Zo worden zij de enige ‘uitverkorenen’.