Chela’s

H.P. Blavatsky

Wat zijn chela’s, en over welke vermogens beschikken zij? Hebben zij tekortkomingen, en in welke details verschillen zij van mensen die geen chela zijn? Moet ieder woord dat door een chela geuit wordt als een waarheid worden opgevat? Deze vragen dringen zich op omdat vele mensen er een tijdlang bijzonder absurde denkbeelden over chela’s op nagehouden hebben, en toen men ontdekte dat deze ideeën gewijzigd moesten worden, was de reactie in sommige gevallen tamelijk heftig.

Het woord ‘chela’ betekent gewoon ‘een discipel’; maar het is verder uitgekristalliseerd in de literatuur van de theosofie, en heeft volgens sommigen evenveel verschillende definities als het woord ‘God’ zelf. Sommige mensen zijn zo ver gegaan dat ze zeiden dat wanneer iemand een chela is, hij onmiddellijk naar een niveau wordt getild waarop ieder woord dat hij ongelukkigerwijs uitspreekt wordt genoteerd als ex cathedra, en hem wordt niet het voorrecht gegund te spreken als een gewoon iemand. Als ontdekt werd dat enige uitspraak op persoonlijke titel en verantwoordelijkheid gedaan was, werd hij ervan beticht zijn gehoor te hebben misleid.

Nu moet dit onjuiste idee voor eens en voor altijd gecorrigeerd worden. Er zijn chela’s en chela’s, net als er MAHATMA’S zijn en MAHATMA’S. Er zijn MAHATMA’S die in feite zelf de chela’s zijn van hen die nog hoger zijn. Maar niemand zou ook maar een moment een chela die net zijn moeizame reis begonnen is verwarren met die grotere chela die een MAHATMA IS.

In feite is de chela een ongelukkig mens die de eerste stappen gezet heeft op ‘een niet gemanifesteerd pad’, en Krishna zegt dat ‘dat het moeilijkste pad is’.

In plaats van de constante spreekbuis te zijn van zijn goeroe, merkt hij dat hij meer alleen staat in de wereld dan zij die geen chela’s zijn, en zijn weg is omgeven met gevaren die menig aspirant zouden afschrikken als ze in natuurlijke kleuren afgeschilderd waren, zodat in plaats van het aanvaarden van zijn goeroe en het slagen voor een toelatingsexamen met het oog op het krijgen van een propedeuse in de Kunst van het Occultisme onder de constante en vriendelijke leiding van zijn meester, hij eigenlijk binnendringt in een bewaakte omheining, en vanaf dat moment moet hij vechten en overwinnen – of sterven. In plaats van te aanvaarden, moet hij aanvaarding waardig zijn. Evenmin mag hij zichzelf aanbieden. Een van de Mahatma’s heeft eens geschreven – ‘Dring uzelf nooit aan ons op voor het chelaschap; wacht tot het op u neerdaalt’.

En nadat hij geaccepteerd is als chela, is het niet waar dat hij alleen maar het instrument is van zijn goeroe. Hij spreekt net als vroeger als alle gewone mensen, en alleen wanneer de meester door middel van het magnetisme van de chela een feitelijk geschreven brief stuurt, kunnen de toeschouwers zeggen dat door hem een communicatie tot stand kwam.

Misschien gebeurt het hen, net als iedere andere auteur af en toe, dat zij tot ware of schone uitingen komen, maar dat is nog geen reden om te concluderen dat tijdens die uiting de goeroe door de chela sprak. Als de kiem van een goede gedachte aanwezig was in het verstand, zou de invloed van de goeroe, net als de milde regen op het zaad, er de oorzaak van hebben kunnen zijn dat deze plotseling tot leven kwam en ongewoon bloeide, maar dat is niet de stem van de meester. In feite zijn de gevallen zeldzaam waarin de meesters door een chela spreken.

De krachten van chela’s variëren al naar gelang hun vooruitgang; en iedereen zou moeten weten dat als een chela enige ‘krachten’ heeft, hem niet is toegestaan deze te gebruiken behalve in zeldzame en buitengewone gevallen, en hij mag er nimmer over opscheppen dat hij ze bezit. Daaruit volgt dus dat zij die slechts beginners zijn, niet meer of grotere krachten bezitten  dat een gewoon mens. In feite is het doel voor de chela niet het verwerven van psychische vermogens; zijn voornaamste taak is zich zelf te ontdoen van dat overheersende gevoel van persoonlijkheid dat de dikke sluier is die ons onsterfelijke deel voor het oog verbergt – de echte mens. Zolang hij dit gevoel laat bestaan, zo lang zal hij precies op de drempel van het occultisme moeten blijven staan, niet in staat verder te gaan.

Sentimentaliteit, nu, helpt een chela niet verder. Zijn werk is hard, zijn pad vol stenen, het einde is ver weg. Met sentimentaliteit alleen zal hij helemaal geen vooruitgang boeken. Wacht hij tot de meester hem vraagt zijn moed te tonen door zichzelf in de afgrond te storten of door de koude hellingen van de Himalaya te trotseren? IJdele hoop; zo zullen zij hem niet roepen. En aldus, daar hij zichzelf niet mag hullen in sentiment, moet het publiek, wanneer zij hem willen beschouwen, geen valse sluier van sentimentaliteit over al zijn woorden en daden gooien.

Laat ons daarom van nu af aan er op toezien dat er wat meer onderscheidingsvermogen gebruikt wordt bij het kijken naar chela’s.