De geheime leer
De geheime leer
H.P. Blavatsky

Uit: Transactions of the Blavatsky Lodge, 50-53

De zeven dhyanis in de gupta vidya

(aum S.D. serie)

H.P. Blavatsky

Vraag: Wat is het echte verschil tussen de Dhyani-Boeddhas in de orthodoxe en in de esoterische opvatting?

Antwoord: Filosofisch is er een groot verschil. Als hogere Devas worden zij door de Boeddhisten, Boddhisatvas genoemd. Exoterisch zijn er vijf in getal, terwijl er in de esoterische scholen zeven zijn, en niet enkelvoudige Entiteiten maar HiŽrarchieŽn. Er staat in de Geheime Leer dat er vijf Boeddhas gekomen zijn en dat er nog twee moeten komen in de zesde en zevende rassen. Exoterisch is hun voorzitter Vajrasattva, de 'Opperste Intelligentie' of 'Opperste Boeddha', maar nog transcendenter is Vajradhara, die evenals Parabrahm, Brahma of Mahat transcendeert. Zo zijn de exoterische en occulte betekenissen van de Dhyani-Boeddhas volkomen verschillend. Exoterisch is ieder een drie-eenheid, drie in een. Alle drie manifesteren zich tegelijkertijd in drie werelden - als een menselijke Boeddha op aarde, een Dhyani-Boeddha in de wereld van de astrale vormen, en een arupa, of vormeloze, Boeddha in het hoogste rijk van Nirvana. Aldus wordt voor een menselijke Boeddha, een incarnatie van een van deze Dhyanis, het verblijf op aarde beperkt van zeven tot zevenduizend jaar in verscheidene lichamen, aangezien zij als mensen onderworpen zijn aan normale omstandigheden, ongelukken en dood. Anderzijds betekent dit in de Esoterische filosofie dat slechts vijf van de 'Zeven Dhyani-Boeddhas' - of liever, de Zeven HiŽrarchieŽn van deze Dhyanis, die, in de Boeddhistische mystiek, identiek zijn aan de hogere incarnerende Intelligenties, of de Kumaras van de Hindoes - tot nu toe op aarde verschenen zijn in een regelmatige opeenvolging van incarnaties. De laatste twee moeten nog komen tijdens de zesde en zevende Wortelrassen. Alweer, dit is half-allegorisch, zo niet helemaal. Want de zesde en zevende HiŽrarchieŽn zijn al geÔncarneerd op deze aarde, samen met de rest. Maar aangezien zij het zogenaamde 'Boeddhaschap' bereikt hebben, vrijwel vanaf het begin van het vierde Wortelras, zegt men dat zij sindsdien verblijven in bewuste gelukzaligheid en vrijheid tot het begin van de Zevende Ronde. Dan zullen zij de Mensheid leiden als een nieuw Boeddharas. Deze Dhyanis zijn alleen verbonden met de Mensheid, en strikt genomen, alleen met de hoogste 'beginselen' van de mensen.

Vraag: Gaan de Dhyani-Boeddhas en de Planeetgeesten die de leiding hebben over de werelden in pralaya, wanneer hun planeten die staat ingaan?

Antwoord: Pas aan het einde van de zevende Ronde, en niet tussen iedere rondte, want zij moeten toezicht houden op de werking van de wetten tijdens deze kortere pralayas. Meer details over dit onderwerp zijn al beschreven in het derde deel van de Geheime Leer. Maar al deze verschillen zijn in feite alleen maar functioneel, want zij zijn alle aspecten van een en dezelfde Essentie.

Vraag: Houdt de hiŽrarchie van Dhyanis, wiens werk het is een Ronde te beschermen, tijdens zijn periode van activiteit de wacht over de hele reeks werelden, of alleen over een bepaalde wereld?

Antwoord: Er zijn incarnerende en er zijn toezicht houdende Dhyanis. Over de functies van eerstgenoemden is u zojuist verteld; laatstgenoemden lijken hun werk op deze manier te doen. Iedere klasse of hiŽrarchie komt overeen met een van de Ronden, de eerste en laagste hiŽrarchie met de eerste en minder ontwikkelde Ronde, de tweede met de tweede, enzovoort tot de zevende Ronde bereikt is, die onder toezicht staat van de hoogste HiŽrarchie van de Zeven Dhyanis. Op het laatst zullen zij op aarde verschijnen, evenals sommige van de planeet(hiŽrarchieŽn), want de hele mensheid is dan bodhisattva geworden, hun eigen 'zonen', d.w.z. de 'Zonen' van hun eigen Geest en Essentie of - zichzelf. Aldus is er slechts een functioneel verschil tussen de Dhyanis en de Planeet(hiŽrarchieŽn). De ene groep is volkomen goddelijk, de andere van de sterren. Alleen de eerste groep wordt Anupadaka genoemd, ouderloos, omdat zij rechtstreeks uitstraalden van datgene wat noch Vader is noch Moeder, maar de ongemanifesteerde Logos. Zij zijn in feite het spirituele aspect van de zeven Logoi; en de Planeetgeesten zijn in hun totaliteit als de zeven Sephiroth (de drie hogere zijn super-kosmische abstracties en dekmantels in de Kabbala). Zij vormen de Hemelse mens, of Adam Kadmon; Dhyani is een soortnaam in het Boeddhisme, een afkorting voor al de goden. Toch moet altijd bedacht worden dat zij, ofschoon het goden zijn, niet mogen worden aanbeden.

Vraag: Waarom niet, als het goden zijn?

Antwoord: Omdat de Oosterse filosofie het denkbeeld van een persoonlijke en buiten-kosmische godheid verwerpt. En tegen hen die dit atheÔsme noemen, wil ik het volgende zeggen. Het is onlogisch om een zo'n god te vereren, want, zoals de Bijbel zegt, 'Er zijn vele Heren en vele Goden'. Dus als verering gewenst is, moeten wij kiezen voor het vereren van vele goden, waarbij de een niet beter of minder beperkt is dan de ander, dus veelgodendom en afgoderij. Of wij moeten, zoals de IsraŽlieten gedaan hebben, een stam- of rasgod kiezen uit hun midden, en terwijl wij in het bestaan van vele goden geloven, de andere negeren en verachten, en de onze als de hoogste en de 'God der Goden' beschouwen. Maar dit is logischerwijs niet vol te houden, want zo'n god kan oneindig zijn noch absoluut, maar moet eindig zijn, dat wil zeggen, beperkt en geconditioneerd door ruimte en tijd. Met het Pralaya verdwijnt de stamgod, en Brahma en alle andere Devas, en fuseren de goden met het Absolute. Om die reden aanbidden occultisten hen niet en dragen zij ook geen gebeden aan hen op. Immers, als wij dat deden, zouden wij of vele goden moeten vereren of moeten bidden tot het Absolute, dat, daar het geen attributen heeft, geen oren kan hebben om ons te horen. Zelfs de aanbidder van vele goden moet noodzakelijkerwijs onrechtvaardig zijn ten opzichte van alle andere goden; hoe ver zijn verering ook gaat, het is eenvoudig onmogelijk dat hij ieder van hen apart aanbidt; en in zijn onwetendheid kiest hij, mocht hij er een in het bijzonder uitkiezen, wellicht helemaal niet de volmaaktste. Daarom zou hij er beter aan doen zich te herinneren dat ieder mens een god binnenin zich heeft, een directe straal van het Absolute, de hemelse straal van het Ene; dat hij zijn 'god' binnenin en niet buiten zich heeft.