De grote paradox

H.P. Blavatsky

De natuurlijke taal van het occultisme lijkt de paradox te zijn. Ze lijkt zelfs diep in het hart van de dingen door te dringen, en aldus onafscheidelijk te zijn van enige poging om de waarheid, de realiteit die de basis vormt van de buitenkant van de dingen des levens, onder woorden te brengen.

En de paradox is er niet alleen in woorden, maar in daden, in het gedrag van het leven zelf. De paradoxen van het occultisme moeten niet alleen ter sprake gebracht maar geleefd worden. Hierin ligt een groot gevaar, want het is al te gemakkelijk om verdwaald te raken in de intellectuele overdenking van het pad, en aldus te vergeten dat de weg alleen gekend kan worden door hem te betreden.

Een verbijsterende paradox treedt de leerling helemaal aan het begin tegemoet, en confronteert hem op steeds nieuwe manieren bij iedere bocht in de weg. Zo iemand heeft misschien het pad betreden op zoek naar een gids, een levensregel. Hij leert dat de alfa en de omega, het begin en het einde van het leven zelfloosheid is; en hij voelt de waarheid in de zegswijze dat alleen in de diepe bewusteloosheid van zelfvergetelheid, de waarheid en de realiteit van het zijn zich kunnen openbaren aan zijn verlangend hart.

De leerling verneemt dat dit de ene wet van het occultisme is, tegelijkertijd de wetenschap en de kunst van het leven, de gids naar het doel dat hij wil bereiken. Hij wordt aangevuurd door enthousiasme en begint dapper aan het steile pad. Dan merkt hij dat zijn leraren zijn vurige gevoelsopwellingen, zijn verlangen naar het Oneindige dat hem alles om zich heen doet vergeten, niet aanmoedigen – op het uiterlijk gebied van zijn feitelijke leven en bewustzijn. Ten minste, als zij zijn enthousiasme niet de kop indrukken, dragen zij hem op, als eerste en niet te missen taak, zijn lichaam te overwinnen en onder controle te brengen. De leerling merkt dat hij taken moet vervullen die veel aardser zijn, in plaats van dat hij wordt aangemoedigd te leven in de ambitieuze gedachten van zijn denken, en zich voor te stellen dat hij die ether heeft bereikt waar echte vrijheid heerst – zelfs tot het vergeten van zijn lichaam, zijn uiterlijke handelingen en zijn persoonlijkheid toe. Al zijn aandacht en oplettendheid heeft hij nodig op het uiterlijk vlak; hij mag zichzelf nooit vergeten, hij mag nooit de greep verliezen op zijn lichaam, zijn denken, zijn verstand. Hij moet zelfs leren de uitdrukking van iedere eigenschap in toom te houden, de actie van iedere spier te beheersen, meester te zijn over iedere kleine onwillekeurige beweging. Het dagelijks leven rondom en binnenin hem wordt aangewezen als het object van studie en observatie. In plaats van te  vergeten wat gewoonlijk kleinigheden genoemd worden , het een beetje vergeten, de onopzettelijke versprekingen of vergissingen, wordt hij gedwongen zich iedere dag bewuster te worden van deze zwakheden, tot zij uiteindelijk de lucht die hij inademt lijken te vergiftigen en hem lijken te verstikken, totdat hij het zicht op en de aanraking met de grote wereld van vrijheid waar hij zich naar toe worstelt, lijkt te verliezen, tot ieder uur van iedere dag vol lijkt te zijn van de bittere smaak van het zelf, en zijn hart ziek wordt van de pijn en het gevecht met de wanhoop. En de duisternis wordt nog dieper door de stem binnenin hem, die onafgebroken roept, ‘vergeet uzelf. Pas op dat u niet op uzelf geconcentreerd raakt – en dat het reuzenonkruid van spirituele zelfzucht niet wortel schiet in uw hart; pas op, pas op, pas op!’

De stem raakt het diepst van zijn hart, want hij voelt dat de woorden waar zijn. Zijn dagelijkse strijd leert hem dat zelfzucht de wortel is van misère, de oorzaak van pijn, en zijn ziel verlangt hevig naar vrijheid.

Aldus wordt de discipel verscheurd door twijfel. Hij vertrouwt zijn leraren, want hij weet dat door hen dezelfde stem spreekt die hij hoort in de stilte van zijn eigen hart. Maar nu spreken zij tegenstrijdige woorden; de ene, de innerlijke stem, die hem opdraagt zichzelf volkomen te vergeten in dienst van de mensheid, de andere, het gesproken woord van diegenen van wie hij advies vraagt in zijn dienst, die hem opdragen allereerst zijn lichaam te overwinnen, zijn uiterlijk zelf. En hij weet ieder uur beter hoe slecht hij presteert in die strijd met de Hydra, en in de plaats van iedere kop die hij heeft afgeslagen ziet hij er zeven nieuwe aangroeien.

Aanvankelijk zwalkt hij heen en weer tussen de twee, terwijl hij nu eens de ene, dan weer de andere gehoorzaamt. Maar al gauw leert hij dat dit vruchteloos is. Want het gevoel van vrijheid en lichtheid, dat zich aanvankelijk voordoet wanneer hij zijn uiterlijk zelf ongeobserveerd laat, opdat hij de innerlijke lucht kan opzoeken, verliest al gauw zijn aantrekkelijkheid, en een of andere plotselinge schok maakt hem duidelijk dat hij is uitgegleden en gevallen op het steile pad. Dan stort hij zich in wanhoop op de verraderlijke slang van het zelf, en tracht deze te verstikken; maar de steeds bewegende kronkelingen ontsnappen aan zijn greep, de verraderlijke verleidingen van zijn schitterende schubben verblinden hem, en opnieuw raakt hij verwikkeld in het tumult van de strijd, die dag aan dag heviger wordt, en die uiteindelijk de hele wereld lijkt te omvatten, en al het andere uit zijn bewustzijn lijkt te verdringen. Hij staat oog in oog met een verpletterende paradox, waarvan de oplossing doorleefd moet worden voordat deze echt kan worden begrepen.

In zijn uren van stille meditatie zal de leerling merken dat er een ruimte van stilte binnenin hem is waar hij een vluchthaven vindt voor zijn gedachten en begeerten, voor de verwarring van de zinnen en de waanvoorstellingen van het denken. Door zijn bewustzijn diep in zijn hart te laten zinken kan hij deze plaats bereiken – eerst alleen wanneer hij alleen is in stilte en duisternis. Maar wanneer de behoefte aan stilte groot genoeg is geworden, dan zal hij, zelfs midden in de strijd tegen het zelf, deze gaan zoeken, en hij zal haar vinden. Hij moet alleen niet zijn uiterlijk zelf of zijn lichaam laten gaan; hij moet leren zich terug te trekken in deze citadel wanneer de strijd hevig wordt, maar dit te doen zonder het gevecht uit het oog te verliezen; zonder toe te staan dat hij zich voorstelt dat hij door zo te handelen, de overwinning behaald heeft. Die overwinning wordt pas behaald wanneer overal stilte heerst, zowel buiten als binnen de innerlijke burcht. Als hij op die manier strijdt, vanuit die stilte, zal de leerling merken dat hij de eerste grote paradox heeft opgelost.

Maar hij wordt nog steeds achtervolgd door een paradox. Wanneer hij er aldus aanvankelijk in slaagt zich in zichzelf terug te trekken, zoekt hij daar alleen maar beschutting tegen de storm in zijn hart. En naarmate hij meer zijn best doet om de vlagen van hartstocht en begeerte de baas te blijven, beseft hij beter welke reuzenkrachten hij zich heeft voorgenomen te overwinnen. Hij voelt zich nog steeds buiten de stilte staan, meer verwant met de stormkracht. Hoe kan zijn nietige kracht het hoofd bieden aan die tirannen van dierlijke aard?

Deze vraag is moeilijk te beantwoorden met rechtstreekse woorden; als er al een antwoord op bestaat. Maar een analogie kan de richting aangeven waarin de oplossing te zoeken valt.

Bij het ademhalen nemen wij een bepaalde hoeveelheid lucht in de longen, en hiermee kunnen wij in het klein de machtige hemelwind imiteren. Wij kunnen een zwakke gelijkenis met de natuur produceren: een storm in een glas water, een orkaan om een papieren bootje voort te blazen en zelfs te doen zinken. En dan kunnen we zeggen: ‘Ik doe dit; het is mijn adem’. Maar wij kunnen onze adem niet inblazen tegen een orkaan, en evenmin de passaatwinden in onze longen vasthouden. Toch zijn de krachten van de hemel met ons; het karakter van de intelligenties die de wereldmacht besturen wordt met het onze vermengd, en als wij ons dit konden realiseren en ons uiterlijk zelf vergeten, dan zouden juist die winden ons instrument zijn.

Zo gaat het ook in het leven. Zolang een mens zich vastklampt aan zijn uiterlijk zelf – ja zelfs aan willekeurig welke van de vormen die hij aanneemt wanneer dit ‘sterfelijk omhulsel’ terzijde wordt geworpen - zo lang probeert hij een orkaan omver te blazen met de adem in zijn longen.

Zo’n streven is nutteloos en ijdel; want de grote levenswinden zullen hem vroeg of laat wegblazen. Maar als hij zijn houding in zichzelf verandert, als hij handelt in het geloof dat zijn lichaam, zijn begeerten, zijn hartstochten, zijn hersens niet hemzelf zijn, ook al is hij de beheerder ervan, en ervoor verantwoordelijk; als hij ermee om tracht te gaan als een deel van de natuur, dan mag hij hopen één te worden met de grote vloedgolven van het zijn, en uiteindelijk de vredige plaats te bereiken van veilige zelfvergetelheid.

‘FAUST’


[Het auteurschap van dit artikel is enigszins onzeker. Sommige zinnen en uitdrukkingen lijken niet in de stijl van HPB te zijn, maar toch is de ‘sfeer’ die van haar. Bertram Keightly, die nauw met haar samenwerkte bij het redactionele werk voor Lucifer, stelt heel beslist in zijn Reminiscences of H.P. Blavatsky (Adyar: T.P.H., 1931), dat HPB naast het schrijven van haar redactionele kolommen, ook ‘vele andere artikelen onder meer dan één nom de plume’ schreef, en de naam ‘Faust’ onder dit artikel, is daar misschien een van geweest. – samensteller van de Collected Writings].

Uit: Lucifer, Vol.I, No.2, Oktober 1887, pp.120-122
Vertaling: A.M.I.
Theosofia 103/5 · oktober 2002   blz. 179 - 181