Het verval van idealen

H.P.Blavatsky

In een wereld van illusie waarin de wet van evolutie werkzaam is, kan niets natuurlijker zijn dan dat de idealen van de Mens – als onderdeel van het totaal, of de mensheid – voortdurend in beweging zijn. Als onderdeel van de Natuur rondom hem, die Veelvormige, steeds veranderende Natuur, waarvan ieder deeltje onophoudelijk getransformeerd wordt, terwijl het harmonieuze lichaam als ÚÚn geheel steeds hetzelfde blijft, zo verandert de mens ook voortdurend net als deze deeltjes, fysiek, intellectueel, moreel, spiritueel. Soms is hij op het toppunt van de ontwikkelingscyclus; soms op het dieptepunt. En terwijl hij beurtelings stijgt en daalt, en zijn morele aard in reactie daarop uitzet of samentrekt, zo zal zijn morele code soms de edelste altru´stische en ambitieuze idealen belichamen, terwijl aan de andere kant het heersende bewustzijn slechts de weerspiegeling zal zijn van zelfzucht, wreedheid en trouweloosheid. Maar dit is alleen maar zo op het externe, illusoire gebied. In hun innerlijke of liever essentiŰle constitutie zijn de natuur en de mens ÚÚn, evenals hun essentie identiek is. Alles groeit en ontwikkelt en streeft naar volmaking op de eerste gebieden van uiterlijk bestaan of is, zoals goed geformuleerd werd door een filosoof, ‘altijd in wording’; maar op het uiteindelijke gebied van de spirituele essentie Is alles, en blijft derhalve onveranderlijk. Naar dit eeuwige Esse wordt alles en iedereen langzamerhand, bijna onmerkbaar aangetrokken, maar zo zeker als het universum van sterren en werelden zich beweegt naar een mysterieus punt dat bekend is bij, maar nog geen naam heeft gekregen van, de astronomie en dat door de occultisten de centrale Spirituele Zon genoemd wordt.

Tot nu toe werd in bijna ieder historisch tijdperk opgemerkt dat zich een breed interval, bijna een kloof, bevond tussen praktische en ideale perfectie. Toch, daar van tijd tot tijd bepaalde grote karakters op aarde verschenen die de mensheid leerden om verder te kijken dan de sluier van illusie, leerde de mens dat de kloof niet onoverbrugbaar was; dat het de taak is van de mensheid om door zijn hogere en spirituelere rassen de grote kloof steeds meer te dichten bij iedere komende cyclus; want ieder mens, als een eenheid, heeft de mogelijkheid om zijn bijdrage te leveren tot het dichten ervan. Er zijn zelfs mensen, die, niettegenstaande de huidige chaotische toestand van de morele wereld en het droevige verval van de mooiste menselijke idealen, nog steeds doorgaan met geloven in en doceren dat de nu ideale menselijke volmaking geen droom is, maar een wet met een goddelijk karakter; en dat, ook al moest de mensheid zelfs miljoenen jaren wachten, zij dat toch eens zal bereiken en opnieuw een godenras zal worden.

Intussen vindt de periodieke stijging en daling van het menselijk karakter op de uiterlijke gebieden nu plaats, net als voorheen, en de gewone gemiddelde perceptie van de mens is te zwak om te zien dat beide processen telkens op een hoger plan plaatsvinden dan het vorige. Maar daar zulke veranderingen niet altijd het werk van eeuwen zijn, want vaak worden extreme veranderingen teweeg gebracht door zeer snel plaatsvindende krachten – bijvoorbeeld door oorlogen, speculaties, epidemieŰn, de vernietigende krachten van hongersnoden of religieus fanatisme – daarom verbeelden de blinde massa’s zich dat de mens altijd dezelfde was, is en zal zijn. In de ogen van ons, mollen, lijkt de mens evenals onze aardbol – schijnbaar stil te staan. En toch, beide bewegen zij zich in ruimte en tijd met een even grote snelheid, de ÚÚn rondom zijn eigen as en de ander - voorwaarts.

Bovendien, waar hij zich ook in zijn evolutie bevond vanaf de geboorte van zijn bewustzijn, in feite was de mens, en is hij nog steeds, het voertuig van een tweeledige geest in zichzelf – goed en kwaad. Zoals de tweelingzusters uit Victor Hugo’s grote, postume gedicht Satan – de nakroost voortgekomen uit respectievelijk Licht en Duisternis – hebben de engel ‘Vrijheid’ en de engel ‘Isis-Lilith’ de mens uitgekozen als hun woning op aarde, en deze twee zijn in een eeuwige strijd gewikkeld binnenin hem.

De Kerken vertellen de wereld dat ‘De Mens in zonde geboren is’, en Johannes (eerste Epistel 111:8) voegt eraan toe dat ‘Hij die zondigt van de duivel is, want de duivel zondigt vanaf het begin’. Zij die nog geloven in de fabel van de rib-en-de-appel en in de rebelse engel ‘Satan’, geloven vanzelfsprekend in een persoonlijke Duivel – als een tegenstelling in een dualistische religie – tot een persoonlijke God. Wij, Theosofen van de Oosterse school, geloven in geen van beide. Toch gaan we misschien nog verder dan de Bijbelse dode letter. Want wij zeggen dat, terwijl er als extra-kosmische Entiteiten er god noch duivel bestaan, beiden toch bestaan. En we voegen eraan toe dat beide op aarde in de mens wonen, daar zij in werkelijkheid de mens zelf zijn, die als fysiek wezen de duivel, het ware voertuig van het kwaad is, en als een spirituele entiteit – God, of het goede. Vandaar dat men door tegen de mensheid te zeggen, ‘U heeft de duivel’, een even metafysische waarheid uit als wanneer men tegen alle mensen zegt, ‘Weet gij niet dat God in U woont?’ Beide beweringen zijn waar. Maar wij zijn op het keerpunt van de grote sociale cyclus, en het is het eerstgenoemde feit dat op het ogenblik de overhand heeft. Zoals echter – om een Paulinische tekst te parafraseren – ‘er vele duivels zijn… en er toch maar ÚÚn Satan is,’ zo hebben wij een grote variŰteit aan duivels die collectief de mensheid vormen; van zulke grandioze Satanische karakters als afgeschilderd door Milton, Byron en onlangs door Victor Hugo, zijn er maar weinigen, als ze er al zijn. Dientengevolge, door deze middelmatigheid, vervallen de menselijke idealen en ze worden niet vervangen; een proza´sch leven, even spiritueel dood als de novembermist in Londen, en even bezield door ruw materialisme en ondeugden, waarbij de zeven doodzonden slechts een deel vormen, als die mist vol is van dodelijke microben. Nu vinden we nog maar zelden ambities naar het eeuwige ideaal in het menselijk hart, maar in plaats daarvan zien we hoe iedere gedachte neigt naar het ene centrale idee van onze eeuw, het grote ‘IK’ zelf dat voor ieder het ene machtige centrum is waaromheen het hele universum zich moet wenden en keren.

Toen keizer Julianus – genaamd de Afvallige omdat hij, daar hij geloofde in de grote idealen van zijn voorvaders, de Ingewijden, de menselijke antropomorfische vorm ervan niet wilde accepteren – voor de laatste keer zijn geliefde Goden voor zich zag verschijnen, weende hij. Helaas waren zij niet langer de heldere spirituele wezens die hij aanbeden had, maar de aftandse, bleke en versleten schimmen van de Goden die hij zo bemind had. Mogelijkerwijs waren zij de profetische visioenen van de verdwijnende idealen van zijn tijd, evenals van onze eigen cyclus. Deze ‘Goden’ worden nu door de Kerk als demonen beschouwd en zo genoemd; terwijl hij die een poŰtische, blijvende liefde voor ze heeft behouden, direct bestempeld wordt tot een Antichrist en een moderne Satan.
Welnu, Satan is een rekbare term en niemand heeft ooit nog een bij benadering logische definitie gegeven van de symbolische betekenis van de naam. De eerste die hem geantropomorfiseerd heeft was John Milton; hij is de ware vermeende intellectuele vader, zoals in brede kring wordt toegegeven dat de theologische Satan van de Zondeval de ‘Uit het Denken geboren Zoon’ van de blinde dichter is.

Zo kan hij dan een Heiland worden van de onderdrukten, een kampioen voor de zwakken en de armen, geplet door de mindere duivels (mensen), de duivels van hebzucht, zelfzucht en schijnheiligheid. Michelet noemt hem de ‘Grote Onterfde’ en drukt hem aan zijn hart. De reuzen Satan van het poŰtische idee is in werkelijkheid slechts het samengaan van alle ontevreden en nobele intellectuelen van de eeuw. Maar Victor Hugo was de eerste die intu´tief de occulte waarheid begreep. In zijn gedicht van die naam is Satan een waarlijk grandioze Entiteit, met genoeg menselijks in zich om hem binnen het begrijpen van het gemiddelde intellect te brengen. Om de Satans van Milton en Byron te realiseren is als te trachten een handvol ochtendnevel te vatten; er zit niets menselijks in hen. Milton’s Satan voert oorlog met engelen, die een soort vliegende marionetten zijn, zonder spontaniteit, op het toneel van zijn en handelen getrokken door de onzichtbare touwtjes van theologische predestinatie; Hugo’s Lucifer strijdt een vreselijke strijd met zijn eigen verschrikkelijke hartstochten en wordt wederom een Aartsengel van Licht, na de vreselijkste kwellingen die ooit door stervelingen bedacht zijn en door menselijke pen beschreven.

Alle andere Satanische idealen verbleken voor zijn pracht. De Mefisto van Goethe is een ware duivel van de theologie; de Ahriman van de Manfred van Byron – een te bovennatuurlijk karakter en zelfs Manfred heeft weinig wat lijkt op het menselijke element, ook al was het genie van hun Schepper nog zo groot. Al deze beelden verbleken voor Hugo’s Satan, die even sterk bemint als haat. Manfred en Ka´n zijn de vleesgeworden Protesten van de onder de voet gelopen, onrecht gedane en vervolgde individualiteit tegen de ‘Wereld’ en de ‘Maatschappij’ – die reusachtige demonen en woeste monsters van collectieve onrechtvaardigheid. Manfred is het type van een ontembare wil, trots, niet bereid te wijken voor welke invloed dan ook, aards of goddelijk, omdat hij zijn volle absolute vrijheid van handelen op prijs stelt boven enig persoonlijk gevoel of sociale overweging, hoger dan de natuur en alles wat zij omvat. Maar bij Manfred net als bij Ka´n staat het Zelf, het ‘ik’, altijd op de eerste plaats; en er is geen vonkje van de alles verlossende liefde binnenin hen, evenmin als van angst. Manfred zal zich zelfs niet onderwerpen aan de universele Geest van het Kwaad; alleen, oog in oog met de duistere tegenstander van Ahura Mazda-Universeel Licht-Ahriman en zijn talloze horden van Duisternis, blijft hij stevig in zijn schoenen staan. Deze typen wekken intense verwondering in ons, verbijstering door hun alles tartende durf, maar wekken geen menselijk gevoel op: zij belichamen te bovennatuurlijke idealen. Byron heeft er nooit aan gedacht zijn Aartsengel te belevendigen met die onsterfelijke vonk van liefde die de essentie vormt – ja zelfs moet vormen – van de ‘Eerstgeborene’ uit de homogene essentie van eeuwige Harmonie en Licht, en het element is van vergevende verzoening, zelfs in zijn (volgens onze filosofie) laatste aardse nakroost – de Mensheid. Onenigheid is de bijkomende differentiatie, en daar de Satan een evolutie is, moet hij in die zin een tegenstander zijn, een contrast, omdat hij een type van chaotische materie is. De liefdevolle essentie kan niet gedoofd worden maar alleen geperverteerd. Zonder deze reddende verlossende kracht, belichaamd in Satan, lijkt hij op de nonsensicale mislukking van almachtige en alwetende imbeciliteit die de tegenstanders van het theologisch christendom smalend en heel terecht van hem maken: daarmee wordt hij een denkbare Entiteit, de Asura’s van de Puranische mythen, de eerste ademtochten van Brahma, die, nadat zij met de Goden gevochten hadden en hen verslagen hadden, uiteindelijk zelf verslagen worden en dan naar de aarde geworpen worden, waar zij incarneren in de Mensheid. Aldus wordt de Satanische Mensheid begrijpelijk. Nadat hij zijn cyclus van obstakels rondgegaan is kan hij misschien, met zijn verzamelde ervaringen, na alle heftige pijnen van de Mensheid, weer tevoorschijn komen in het licht – zoals de Oosterse filosofie ons leert.

Als Hugo langer geleefd had om zijn gedicht te voltooien, zou hij, mogelijk met een krachtiger inzicht, zijn Satanisch concept vermengd hebben met dat van de Arische rassen, die alle mindere krachten, goed of slecht, die geboren worden aan het begin en sterven aan het einde van elk ‘Goddelijk Tijdperk’, maakt. Daar de menselijke natuur steeds dezelfde is, en sociologische, spirituele en intellectuele evolutie een kwestie is van stap voor stap, is het heel wel mogelijk dat de volgende dichter, in plaats van de ene helft van het Satanisch ideaal te pakken te krijgen zoals Hugo gedaan heeft, hierin helemaal slaagt. Aldus geeft hij stem, voor zijn generatie, aan het eeuwige idee van Kosmisch evenwicht dat zo nobel geaccentueerd wordt in de Arische mythologie. De eerste helft van dat idee benadert voldoende het menselijk ideaal om de morele martelingen van Hugo’s Satan volkomen begrijpelijk te maken voor de Oosterse theosoof. Wat is de voornaamste kwelling van deze grote Kosmische Anarchist? Is het de morele pijn die veroorzaakt wordt door zo’n dualiteit van karakter – het losscheuren van de Geest van Kwaad en Tegenstand van het onsterfelijke element van oerliefde in de Aartsengel. Die vonk van goddelijke liefde voor licht en harmonie, dat geen enkele HAAT volkomen kan verstikken, bezorgt hem een veel ondraaglijker kwelling dan zijn Val en verbanning vanwege protest en rebellie. Deze heldere, hemelse vonk, die schijnt vanuit Satan in de zwarte duisternis van zijn koninkrijk van morele nacht, maakt hem zichtbaar voor de intu´tieve lezer. Het zorgde ervoor dat Victor Hugo hem zag snikken in bovenmenselijke wanhoop waarbij elke reuzensnik de aarde deed schudden van pool tot pool; eerst snikkend van teleurgestelde woede dat hij de liefde voor goddelijke Goedheid (God) niet uit zijn karakter kan bannen; dan veranderend in een wanhopig gejammer vanwege het afgesneden zijn van die goddelijke liefde waar hij zo naar verlangt. Dit alles is intens menselijk. Deze kloof van wanhoop is Satans verlossing. In zijn Val valt er een veer uit zijn witte en eens smetteloze vleugel, die verlicht wordt door een straal van de goddelijke uitstraling en onmiddellijk getransformeerd wordt tot een helder Wezen, de Engel van de Vrijheid. Aldus is zij Satans dochter, het kind van zowel God als de gevallen Aartsengel, het nakroost van Goed en Kwaad, van Licht en Duisternis, en God erkent dit gemeenschappelijke en ‘sublieme vaderschap’ dat hen verenigt. Het is Satans dochter die hem redt. Als hij op het toppunt van wanhoop verkeert omdat hij zich gehaat voelt door LICHT, hoort Satan de goddelijke woorden: ‘Nee; ik haat u niet.’ De Stem sprak: ‘Een engel staat tussen ons, en haar daden zijn krediet voor u. De mens, door u gebonden, is door haar nu bevrijd.'

O Satan, tu peux dire Ó prÚsent: je vivrai!
Viens; l’Ange LibertÚ, c’est ta fille et la mienne;
Cette paternitÚ sublime nous unit!…

Het hele idee is een opbloeien van metafysische idealiteit. Deze witte lotus van denken ontspringt nu, net als in vroeger eeuwen, uit de verrotheid van de wereld van de stof, terwijl zij Protest en VRIJHEID voortbrengt. Zij ontspringt precies in ons midden en precies voor onze ogen uit het moeras van de moderne beschaving, het vruchtbare bed van contrasterende deugden. In deze vuile aarde ontkiemden de zaden die zich uiteindelijk ontwikkelden tot alles-ontkennende protesteerders, athe´sten, nihilisten en anarchisten, mensen van de terreur. Hoe slecht, gewelddadig, crimineel sommigen van hen ook zijn mogen, toch kan geen van hen voor een kopie doorgaan van Satan; maar als men dit diepbedroefde, hopeloze, verbitterde deel van de mensheid in zijn collectiviteit ziet, is het net Satan zelf; want hij is de ideale synthese van alle botsende krachten en iedere afzonderlijke menselijke ondeugd of hartstocht is slechts een atoom van zijn totaliteit. Precies in de diepten van het hart van deze MENSELIJKE Satanische totaliteit brandt de goddelijke vonk, niettegenstaande alle ontkenningen hiervan. Zij heeft Liefde voor de MENSHEID, een brandend verlangen naar een universeel bestuur van Rechtvaardigheid – vandaar een latent verlangen naar licht, harmonie en goedheid. Waar vinden wij zo’n goddelijke vonk onder trotse en rijke mensen? In de respectabele maatschappij en het correcte, orthodoxe, zogenaamde religieuze deel van het publiek treft men slechts een overheersend gevoel van zelfzucht aan en een begeerte naar rijkdommen ten koste van de zwakkeren en de armen. Daaruit vloeit eveneens voort de onverschilligheid ten opzichte van onrechtvaardigheid en kwaad. Voordat Satan, het vleesgeworden PROTEST, berouw krijgt en zich opnieuw aan de zijde schaart van zijn medemensen in de algemene Broederschap, moet alle reden voor protest verdwenen zijn van de aardbodem. En dat kan alleen gebeuren wanneer Hebzucht, Vooroordeel en Vooringenomenheid verdwenen zullen zijn voor de elementen van Altru´sme en Rechtvaardigheid jegens allen. Vrijheid is nu slechts een ijdel woord in heel de beschaafde wereld; vrijheid is slechts een listig synoniem voor onderdrukking van de mensen uit naam van de mensen, en ze bestaat voor kasten, nooit voor eenheden. Om het bestuur van Vrijheid teweeg te brengen zoals Hugo’s Satan die voor zich zag, moet de ‘Engel Vrijheid’ tegelijkertijd geboren worden en door gemeenschappelijke liefde en instemming van de 'hogere', rijke kaste, en de ‘lagere’ klassen – de armen; met andere woorden, om de nakroost te worden van ‘God’ en ‘Satan’, waarbij zij de twee in overeenstemming met elkaar brengt.

Maar dit is een Utopie – voorlopig. Zij kan niet plaatsvinden voordat de kasten van de moderne Levieten en hun theologie – de Dode Zeevruchten van Spiritualiteit – verdwenen zullen zijn; en de priesters van de Toekomst voor de hele wereld dit verklaard hebben in de woorden van hun God’.

Vertaling: A.M.I.