Uit: The Theosophist, juli 1884 (engelse versie)

Mahatma's en Chela's

H.P.Blavatsky

Een Mahatma is een persoon, die, door speciale training en opleiding, die hogere eigenschappen heeft ontwikkeld en die spirituele kennis heeft verworven, die de gewone mensheid pas krijgt na talloze reeksen re´ncarnaties tijdens het proces van kosmische evolutie. Dit alles, natuurlijk, mits zij intussen niet tegen de doelstellingen van de natuur ingaan en aldus hun eigen vernietiging bewerkstelligen. Dit proces van de zelfevolutie van de Mahatma strekt zich uit over een aantal 'incarnaties', ofschoon het er, vergelijkenderwijs, heel weinig zijn. Welnu, wat incarneert er precies? De occulte leer, voorzover deze bekend gemaakt wordt, toont aan dat de eerste drie principes min of meer sterven bij wat genoemd wordt de fysieke dood. Het vierde principe bewoont samen met de lagere delen van het vijfde, waarin zich de dierlijke neigingen bevinden, kama loka, waar het worstelt met desintegratie, al naar gelang de intensiteit van die lagere begeerten. Het hoger Manas, de zuivere mens, wordt geassocieerd met het zesde en zevende principe, die het Devachan ingaan om daar van de effecten te genieten van goed karma, en vervolgens te re´ncarneren als een hogere individualiteit. Welnu, een entiteit, die in zijn successievelijke incarnaties door de occulte training heengaat, heeft langzamerhand steeds minder (in iedere incarnatie) van dat lagere Manas, totdat zijn hele Manas, dat uit een geheel verheven karakter bestaat, gecentreerd is in de hogere individualiteit. Dan kan men zeggen dat zo iemand een Mahatma geworden is. Ten tijde van zijn fysieke dood vergaan al de lagere vier principes zonder enig lijden, want zij zijn in feite voor hem als een kledingstuk dat hij naar believen aan- en uittrekt. De echte Mahatma is dan niet zijn fysieke lichaam, maar dat hoger Manas dat onafscheidelijk verbonden is met het Atma en zijn voertuig (het zesde principe) - een samengaan dat door hem in een betrekkelijk korte tijd geŰffectueerd wordt door het proces van zelfevolutie te doorlopen, zoals aangestipt door de Occulte Filosofie. Wanneer mensen dus een verlangen te kennen geven om 'een Mahatma te zien', schijnen zij echt niet te begrijpen waar zij naar vragen. Hoe kunnen zij, met hun fysieke ogen, hopen datgene te zien dat hun zichtvermogen transcendeert? Is het 't lichaam - slechts een omhulsel of een masker - waar ze naar hunkeren of verlangen? En gesteld dat ze het lichaam van een Mahatma zien, hoe kunnen ze dan weten dat achter dat masker een verheven entiteit schuilgaat? Met welke maatstaf kunnen zij beoordelen of het {Maya} dat voor hen staat het beeld van een ware Mahatma weergeeft of niet? En wie zal zeggen dat het fysieke geen {Maya} is? Hogere dingen kunnen alleen waargenomen worden door een zintuig dat deel uitmaakt van deze hogere dingen. En wie dus de echte Mahatma wil zien, moet zijn intellectuele visie gebruiken. Hij moet zijn Manas zo verheffen dat zijn waarneming helder is en alle nevel die door Maya geschapen wordt, opgelost is. Dan zal zijn visie helder zijn en zal hij de Mahatma's zien waar hij ook is. Immers, daar de Mahatma's samensmelten in het zesde en zevende principe, die overal aanwezig en alomtegenwoordig zijn, kan men zeggen dat de Mahatma's overal zijn. Maar tegelijkertijd, zoals wij misschien staande op een bergtop staan de hele vlakte kunnen overzien en toch niet in staat zijn enige bepaalde boom of plek waar te nemen, omdat vanaf die hoge positie alles beneden vrijwel identiek is, en onze aandacht misschien getrokken wordt door iets dat niet hetzelfde is als zijn omgeving - op dezelfde manier, ofschoon de hele mensheid binnen de mentale visie van de Mahatma's valt, kan men van hen niet verwachten dat ze speciale aandacht hebben voor ieder menselijk wezen, tenzij dat wezen door bijzondere handelingen hun bepaalde aandacht op zich vestigt. Het hoogste belang van de mensheid als geheel is hun speciale zorg, want zij hebben zich ge´dentificeerd met die Universele Ziel die door de Mensheid stroomt, en hij die hun aandacht wil trekken, moet dat doen door die Ziel die overal in doordringt. Deze kijk op het Manas kan 'geloof' genoemd worden, hetgeen niet verward mag worden met blind geloof. 'Blind vertrouwen' is een uitdrukking die soms gebruikt wordt om vertrouwen aan te geven zonder waarneming of begrijpen. De ware perceptie van Manas is dat verlichte geloof, dat de echte betekenis aanduidt van het woord 'geloof'. Dit geloof zou tegelijkertijd vergezeld moeten gaan van kennis, d.w.z. ervaring, want 'ware kennis voert geloof mee in zijn kielzog'. Geloof is de perceptie van het Manas, (het vijfde principe), terwijl kennis, in de ware zin van het woord, het vermogen is van het Intellect, d.w.z. het is spirituele waarneming. Om kort te gaan, de hogere individualiteit van de mens, samengesteld uit zijn hoger Manas, het zesde en het zevende principe, zou moeten werken als een eenheid, en alleen dan kan het 'goddelijke wijsheid' verkrijgen, want goddelijke dingen kunnen alleen door goddelijke eigenschappen waargenomen worden. Het verlangen, dat iemand drijft om zich aan te melden voor chelaschap, moet erop gericht zijn de werking van de Wet van Kosmische Evolutie in zoverre te begrijpen dat het hem in staat stelt in harmonieuze eenheid met de natuur samen te werken, in plaats van door onwetendheid tegen haar doelstellingen in te gaan.