Dewa's paranormaal waar genomen

Theosofia, juli-augustus 1951

door ir A. J. H. van Leeuwen

Java is een land van Dewa' s en natuurgeesten, horen wij zo vaak verkondigen. De heer Geoffrey Hodson (ook een theosoof, PvdL) bezocht dit eiland een paar maal en beschreef in lezingen of privé gesprekken, enkele belangrij'ke Dewa's, die hij bestudeerd had. Hij heeft de bedoeling om deze beschrijvingen, toegelicht door afbeeldingen, te publiceren in zijn aan  staand werk over deze verheven wezens, opdat wij met meer inzicht en kennis met hen zouden kunnen samenwerken in de geweldige taak welke hen is opgedragen, nI. de leiding der evolutie in de verschillende natuurrijken.
Inderdaad verscheen van zijn hand reeds een beschrijving van de allergrootste dezer Dewa's van Java, nl. de Dewa van de Boroboedoer; terwijl een boodschap, die deze Grote wel heeft willen geven, door tussenkomst van de heer Hodson, in verschillende theosofische periodieken is opgenomen.
(...)
Omdat, zoals ik tot mijn eigen verbazing gemerkt heb, de nabijheid van een getraind helderziende die zijn waarnemingen doet met behulp van zijn door de kracht van het Koendalini opgewekte krachtsmiddelpunten in het astraal en mentaal lichaam (hetgeen niet de noodzakelijk gebruikte methode behoeft te zijn), een tijdelijke helderziendheid induceert in degenen die mèt hem zijn, kon ik zelf enkele waarnemingen "mee"maken, die zeer belangwekkend voor mij waren en ik hoop, dat de mededeling daarvan ook enige interesse zal wekken bij de lezers en lezeressen van dit artikel.
De eerste waarneming, welke op deze "geïnduceerde" wijze geschiedde, was die van de Dewa-Radja, die de heerschappij voert over de aan Java's Zuidkust grenzende gebieden van de Indische Oceaan.
Wij zaten op een hoge rotspunt, in het domein der vogelnestgrotten, nabij het bekende "Karang Bolong", vanwaar wij een magnifiek uitzicht genoten op de oneindige verten van de langzaam en majestueus deinende zee. Diep onder ons (naar schatting wel tachtig meter lager) braken de grote rollers tegen de verweerde rotswanden, die langzaamaan, in tal van eeuwen, afbrokkelen onder de gestadige golfslag van het water. Honderden zwaluwen fladderden langs de rotswand en schoten weg in spleten en holen, terwijl andere er uit tevoorschijn kwamen. Wij zagen grote schildpadden traag zwemmen en tal van vissen schoten in alle richtingen door het heldere water, waarin onze blik diep kon doordringen.
Wij zochten een rustig plekje op en begonnen onze observaties. Al spoedig vertoonde zich voor mijn innerlijk gezicht, als een droom visioen, maar oneindig veel reëler en indrukwekkender, een stralende figuur, onbeschrijfelijk machtig, een gestalte van overweldigende afmetingen, koninklijk, statig, met een volmaakte. rust en waardigheid ...
Nauwkeuriger waarneming, nadat de eerste indruk verwerkt was,  toonde hem staande in iets, dat de indruk maakte van een zeer grote onder een hoek van 90° openstaande schelp, diep-opaliserend, donker" blauw, bijna op zwart af. Ze verhief zich als een troonhemel, terwijl  donkere stralen van het schelpen-midden, naar de rand stroomden en zich verloren in de zachtgolvende omtrek van deze majestueuze glorie, die als een aura de middenwfiguur omlijstte.
In het midden van deze open schelp stond de Dewa zelf. Het geleek een geharnast ridder uit middeleeuwse sprookjes. Ook hij leek donkerblauw, van een stralend-rijke, maar ietwat sombere tint. Het harnas was als van vissenschubben gemaakt, nauwsluitend om het volmaakt schone lichaam. Het vreemde ervan was, dat het scheen alsof er voortdurend water van afstroomde.
Eindeloze stromen water, golven van water, een mantel van water, die veroorzaakte dat de indruk werd gewekt, alsof er golven van diep- blauw en lichter-blauw licht langs de figuur stroomden. Hij stond volmaakt stil. In de rechterhand een lange staf, die in een of ander symbool eindigde, misschien zelfs in iets, dat op een drietand geleek, alhoewel deze waarneming (hoewel bevestigd door de heer Hodson) het gevolg kan zijn geweest van een sterke associatie aan de traditionele figuur van de god Neptunus, die eveneens zo vaak wordt afgebeeld, staande in een schelp en met een drietand gewapend.
Om deze stille figuur, waarlangs de eindeloze waterstromen neer golfden, waren honderden en duizenden andere, kleinere wezens, in onophoudelijke beweging, af en aan komende. Het merkwaardige was, dat zij allen min of meer geleken op de centrale Dewa, copieën op zéér verkleinde schaal en zonder de majestueuze waardigheid die hem kenschetste. Deze kleinere dewa's en natuurgeesten zijn waarschijnlijk de boodschappers en uitvoerders van de wil van de Dewa-vorst, ontlenen aan hem hun kracht en vitaliteit en worden door hem uitgestuurd tot diep in de diepste diepten van de oceaan, om daar het werk van evolutie te leiden en te stimuleren.
De heer Hodson maakte de opmerking, dat dit slechts de astro-mentale verschijningsvorm van de Dewa-Radja was en hij verdiepte zich daarna in de bestudering van de vorm op het boeddhisch (hogermentaal) gebied, die hij beschreef als een spel van de prachtigste kleuren. Ik kon daarvan in het geheel niets waarnemen, dus vergenoegde mij met de ,.lagere" verschijningsvorm, die toch reeds zo buitengewoon inspirerend en indrukwekkend was.(...)

De tweede waarneming verrichtte ik op gans andere wijze. Ik had namelijk wel eens gemerkt, dat bij een treinreis het rhythmisch denderend geluid der wagenwielen wel verre van onrust te veroorzaken door hun aanhoudend rumoer, een soort van trance-toestand teweegbrengt, die zich bij de meeste treinreizigers openbaart als een gevoel van slaperigheid, waaraan zij gaarne toegeven. Ik nam mij nu voor te proberen, of deze toestand niet eveneens gunstig zou zijn voor observaties op de andere onzichtbare gebieden van de natuur.
(...)

Dit zijn dan in het kort, de verslagen van enkele waarnemingen in het rijk der Dewa's. Andere experimenten brachten mij eerstehandse kennis omtrent de gedachte en het werk van een Sylph en van een Boomgeest. Op zichzelf uiterst interessant voor de waarnemer, vooral wanneer het zijn eerste ervaringen zijn op dit gebied, maar misschien in mindere mate voor anderen, omdat zoveel materiaal daarover reeds ter bestudering beschikbaar is en men zich daarmede reeds een vrij nauwkeurig beeld kan vormen van deze natuurgeesten, die zo dicht om ons heen zijn.
Ik hoop echter, dat dit artikeltje anderen zal inspireren om ook hun observaties te publiceren. Wij behoeven er niet aan te twijfelen, of deze zullen geheel anders luiden dan de bovenstaande. Daar is niets vreemds in! Een Dewa is een levend Iets en hij behoeft, mijns inziens, lang niet altijd hetzelfde onveranderlijke aspect te vertonen. Ook een zonsondergang is een levend natuurgebeuren, en wij weten dat er zich geen tweemaal eenzelfde zonsondergang aan ons zal vertonen, al is het verschijnsel in wezen steeds hetzelfde. En laat eens twee mensen dezelfde zonsondergang beschrijven of uitschilderen, wanneer zij dit kunnen. Wij weten héél zeker, dat zij twee geheel andere visioenen aan ons zullen voortoveren. Beide zullen betrekkelijk juist en eerlijk zijn, maar het subjectieve element van de waarnemer kan in deze dingen niet worden uitgeschakeld. Daarom behoeft, ook al verschillen waarnemers van Dewa's met elkaar, nog in geen enkel opzicht verondersteld te worden, dat de een of de ander verkeerd heeft waargenomen of meer gefantaseerd heeft. Het beste is ongetwijfeld om het aangeboden materiaal te nemen, zo als het gegeven wordt en als hypothese te benutten in onze studies, tot tijd en omstandigheden voor elk onzer het moment doet aanbreken, dat wij deze natuurgeheimen met eigen "geopende" ogen kunnen aanschouwen.