Noch Iets noch Niets bestond; Ginds' lichte lucht
Was niet, noch
's hemels breed dak boven uitgestrekt.
Wat dekte 't al? Wat
schutte? Wat verborg?
Was het der wateren
onpeilbaar diep?
Er was geen dood - toch
was er niets onsterfelijks,
Er was geen grens nog
tussen dag en nacht;
Het enig Ene ademde
ademloos alleen,
Behalve Het is sedert
niets geweest.
Duisternis was, en 't
al lag eerst gesluierd
In diepe somberheid -
een lichtloze oceaan.
De in den bolster nog
omsloten kiem
Barstte, één van aard,
uit vuurgloed.
Wie kent
't geheim? Wie maakte 't hier bekend?
Vanwaar dit samenstel
der schepping sproot?
De Goden zelve zijn van
later wording-
Wie is 't, die weet,
vanwaar deze schepping sproot,
Dat, vanwaar gans deez'
grote schepping kwam?
Of Zijn wil schiep of
dat zij stom was?
De Hoogste Ziener in de
hoogste hemel
Hij weet het - of
wellicht weet Hij 't zelfs niet.
Starend in
eeuwigheid ...
Vóór 's aardrijks
grondslag werd gelegd,
Waart Gij. En als de
onderaardse gloed
Zijn kerker barsten
doet, zijn vorm verteren zal....
Zult Gij nog zijn,
zoals Gij vroeger waart,
Dezelfde nog, als tijd
zelfs niet meer is,
O! eindloze gedachte,
goddelijke EEUWIGHEID.
Uit: Rig Veda, geciteerd in De Geheime Leer, H.P.Blavatsky