Path, march, 1887, te vinden in William Q. Judge als Papyrus - The Gem, Theosophical Articles, vvol II, p. 403-405, Theosophy Company en Echoes of the Orient, Vol III, p. 271

Papyrus - De Edelsteen

Rameses (pseudoniem van W.Q. Judge)

Op de wegen was het een gedrang van mensen die naar het grote plein liepen, want het was het feest van de Godin. De tempels waren afgeladen, terwijl lange rijen van mannen en maagden in de gewaden van "Het Heilige" naar de rivier slingerden. Muziek en zang werd luider en zwakte weer af in het avondbriesje, zoals de polslag van een kloppend hart. Hier en daar waren de schriftgeleerden te zien, en zittend op de open plaatsen, de Verhalen Vertellers. Een van hen, terwijl ik bij hem in de buurt uitrustte, vertelde het verhaal van

Iemand Die De Edelsteen Vond

"In het land van de Wijze Mannen, daar leefde een jonge man. Vele jaren had hij gewerkt in een vreemde mijn; de 'Mijn van de Onschatbare Edelstenen'; - hoopvol, dapper, maar tevergeefs. Hijj wist allang dat hij die de Meester Steen zou vinden, vrij zou zijn, vol van vrede en nooit meer zou hoeven graven, want niets beters dan dat kon gevonden worden. Hij wist ook dat hij die de steen vond deze moest delen met alle mensen.

"Vele kleinere stenen had hij gevonden, maar deze legde hij opzij om te gebruiken als de grote steen gevonden was.

"Stil en bestendig werkte hij door, tot op een donkere dag, terwijl hij zo zwak was geworden dat hij nog maar een poging kon doen, werd die poging een succes, en voor hem lag de grote edelsteen. Moe, zwak, maar vreugdevol, nam hij het bij zich aan de borst en ging eropuit om het te delen met anderen; want hij die anderen niet vertelt van zijn edelsteen, en hem deelt met alle mensen moet het weer verliezen.

"Ver zwerfde hij, zijn wonderlijke verhaal vertellend, het Vinden van de Onschatbare Steen - de steen die mensen groter, wijzer en liefdevoller maakte dan alle levende dingen; de steen die geen mens kon houden, tenzij hij hem weggaf.

"Ver reisde hij in zijn eigen land, om zijn verhaal te vertellen en van de Steen te geven aan ieder die hij tegenkwam. Stilletjes luisterden ze - zwaarmoedig mediteerden ze en zachtmoedig zeiden zij: 'Dit is Kali-yuga, de donkere tijd. Kom over honderd duizend jaar terug. Tot dan is de steen niet voor ons. Het is Karma'

"Verder zwerfde hij, altijd proberend het zelfde doel te bereiken. Zwaarmoedig luisterden zij, zachtjes spraken zij: 'Vrede zij met u. Als de Lotus ophoudt te bloeien en onze heilige rivier droog valt, kom dan terug. Totdat moment hebben wij de steen niet nodig.'

"Over de zeeŽn kwam hij in een ander land, vol vertrouwen dat ze hier wel zouden luisteren en met hem delen. De vele dagen van zwerven en de lange reis over de zee hadden hem dun en haveloos eruit doen zien. Hij had hier niet aan gedacht, maar terwijl hij zijn verhaal vertelde, werd hij er voortdurend aan herinnerd en dacht hij ook aan andere zaken want de mensen hier antwoorden op vele manieren, en niet altijd vriendelijk.

"Sommigen luisterden, want zijn verhaal was nieuw voor hen, maar de edelsteen was ongeslepen en zij wensten het glanzend.

"Anderen stonden even stil en wilden dat hij het verhaal in hun tenten vertelde, want dat zou hen verheven en beroemd maken, maar zij wilden de edelsteen niet. Omdat hij niet tot hun stam behoorde, konden zij niets van hem aannemen.

"Een stond stil en wilde wel wat van de edelsteen, maar hij wilde het gebruiken om zijn eigen positie te verhogen en zijn collega's te overtreffen in marchanderen en onderhandelen. De reiziger was niet in staat van de steen te geven aan iemand als dit.

"Weer eenander luisterde, maar in omdat de reiziger weigerde de edelsteen in de lucht te doen zweven, wou hij er niets van hebben.

"Iemand anders hoorde het verhaal, maar hij wist een betere steen, en was er zeker van dat hij het vinden zou, want hij at niets dan sterrenstralen en maanlicht.

"Iemand anders kon niets van de steen ontvangen of naar het verhaal luisteren, want de reiziger was arm en onverzorgd. Als hij nou in paars en fijn linnen gekleed was geweest en zijn verhaal in bloemrijke taal verteld had, was hij misschien echt de eigenaar van De Edelsteen.

"Nog eenander hoorde, maar wist zeker dat dit de edelsteen niet was. Omdat de Zwerver in het verleden zonder succes was geweest, kon hij toch zeker nu de echte steen niet gevonden hebben. Zelfs als hij het gevonden had, kon hij nooit het juiste beoordelingsvermogen hebben om het te verdelen. Dus wilde hij niets van de steen.

"Overal ging de Zwerver en overal was het hetzelfde. Sommige wilden het wel, maar de steen was te hard, of niet glanzend genoeg. Hij was niet een van hen, of hij was te onontwikkeld. Hij was niet netjes en te vuil om in hun ideeŽnwereld te passen, dus wilden ze niets van zijn steen weten.

"Droevig, verouderd en met bloedend hart, zwierf hij terug naar het land van de Wijze Mannen. Naar een van hen ging hij, vertellend van zijn reizen en dat niemand met hem de steen wilde delen, en ook van zijn verdriet dat hij het verliezen moest.

" 'Wees niet bedroefd, mijn zoon,' zei de Wijze, 'de steen is voor jou, noch kan je haar verliezen. Hij die de moeite neemt om zijn medemensen te helpen is de rechtmatige eigenaar van de steen en bezit haar helemaal, ook al heeft hij haar met de hele wereld gedeeld. Aan iedereen die je gesproken hebt, ook al wisten ze het niet, heb je een van de kleinere stenen gegeven die je gevonden had. Dat is genoeg. Als de Meester Steen geslepen en gepolijst is, dan is het werk van de fortuinlijke bezitter klaar. Het lange reizen en vermoeiende zwerven, het brekende hart en de ogen vol tranen hebben je edelsteen geslepen en gepolijst. Kijk, het is een witte en glanzende steen!'

"Het uit zijn borstzak halend, staarde de Zwerver in het wonderlijke licht van de steen terwijl een uitdrukking van grote vrede over zijn gezicht kwam. De edelsteen aan de borst nemend en de oogleden gesloten, viel hij in slaap, geen zwerver meer."