Conclusies en stellingen... 

...behorende bij de voordracht „Fenomenologie en Theosofie" te houden op 16 oktober 1965

door dr. J. H. Dubbink

Theosofia, jrg. 66, September 1965, p. 199
(gevonden http://karlmarxbarksbarth.web-log.nl/karlmarxbarksbarth/2008/02/conclusies-en-s.html)

I

Alle belangstellenden in de Theosofia, al of niet lid van welke theosofische organisatie ook, dienen zich voortdurend de volgende vraag voor ogen te houden: „In hoeverre is mijn leven en denken als dat van een „student" zoals dat als basis-houding van een lid vereist wordt in de officiële verklaring, afgedrukt in het orgaan van de (internationale) President: „The Theosophical Society is composed of students ... Their bond of unity is not the profession of a common belief, but a common search and aspiration for Truth."?"

II

De brochure*), vertaald op blz. 100-106 van het april-nummer van „Theosofia" jaargang 1964, verdient veel meer aandacht. Immers als men de raadgevingen ervan goed bekijkt, zal men zien, dat zij een toetssteen geven bij de beantwoording van de in I genoemde vraag. Wanneer men die raadgevingen in praktijk brengt, zal men bevinden, dat zij een wijsgerige (voor)opleiding geven, die een ware theosofische spiritualiteit kan doen ontstaan; dit kan dan weer bijdragen tot een ware synthese tussen godsdienst (tenminste de spirituele en mystieke aspecten ervan) en wetenschap (wijsbegeerte).

III

Niet alleen de religieuze fenomenologen en existentialisten zoals Gabriel Marcel en J. Gusdorf, maar ook anderen, zoals Merleau-Ponty geven waardevolle bijdragen en aanleidingen tot het opnieuw overdenken en beleven van de Theosofia.

IV

Het Theosof. Res. Centrum en alle belangstellenden daarvan, dienen naast de ontwikkeling van de exacte wetenschappen, tevens (en niet in de laatste plaats!) de veelheid van de wijsgerige stromingen te observeren en daarin mee te denken.

V

Het zou goed zijn, dit mee-filosoferen niet gelijk te stellen met ,,studie" in (populair)-wetenschappelijke zin, en evenmin met het kennisnemen van oude en uitgekristalliseerde stelsels. Veeleer dient men de weg te gaan die Bachelard wees in zijn „La Poétique de la Rêverie", dat wil zeggen: mijmering en meditatie. Het gaat dan meer om een verdiepen van eigen levenshouding tegenover de werkelijkheid. Zodoende kan het verenigingsleven zich misschien nog bevrijden van de last van dogmatisch denken en meer openheid („een kern van broederschap") betrachten.

*) Bedoeld wordt de zogen. “Bowen-brochure”, zie voor de tekst, aangevuld met voetnoten van Katinka Hesselink: http://www.katinkahesselink.net/theosofie_nl/bowen.htm