Theosofia, jaargang 104, nr.5,  2004

Boeddhisme en theosofie – onze familiestamboom

Deel 2

Muriel Daw

Wat maakt een boeddhistische school eerder esoterisch dan exoterisch? Esoterisch betekent niet dat er iets geheimgehouden wordt voor buitenstaanders. Het betekent gewoon wat er in het hart omgaat; een innerlijk proces. Er wordt geen vertrouwen gesteld in de Schrift, in het gezag van anderen, in ritualen e.d. Natuurlijk bestudeert men de Schrift, natuurlijk luistert men naar mensen die kennis hebben, en natuurlijk gebruikt men ritualen als een handig middel als men daartoe geneigd is – maar geen van deze dingen is gezaghebbend.

Dus – waar kunnen wij van op aan? Juist het feit zelf van verlichting. De innerlijke lering gaat als een vlam van de ene persoon naar de andere, en dit gebeurt al eeuwenlang van leraar naar leerling. Wij noemen dit de Overbrenging van de Lamp. Het is niet de uiterlijke verschijning van een leraar die belangrijk is, noch de woorden die hij (of zij) spreekt, ofschoon hij natuurlijk die woorden gebruikt die geschikt zijn voor de gelegenheid – maar in hoeverre demonstreert hij het Dharma?

De Boeddha zelf was zo een leraar. In de Diamanten Soetra zegt hij: ‘degenen die mij zien in mijn verschijning, en diegenen die mijn stem volgen, de pogingen die zij in het werk stellen zijn onjuist, deze mensen zullen mij niet zien.’

Dit betekent dat lichamen en woorden op zich onbelangrijk zijn; op de een of andere manier moeten wij er doorheenkijken naar de Realiteit die er doorheen schijnt.

Daarom heeft een Esoterische School behalve de Schrift ook leraren met groepjes leerlingen. Giuseppe Tucci drukt dit prachtig uit:

‘In Mahayana wordt de leraar in staat gesteld, door levend rechtstreeks contact, om de letter en de geest van de lering over te brengen, en om de vonken op te roepen waaruit het vuur van mystieke ervaring opvlamt. De band tussen meester en discipel is een vader-zoon relatie van een spiritueel soort, en als zodanig onvergelijkelijk belangrijker dan de banden van bloedverwantschap.’ 1)

Misschien helpt het ons het verschil te begrijpen tussen exoterisch en esoterisch boeddhisme als we kijken naar kolonel Olcott en mevrouw Blavatsky. Zij aanvaardden beiden formeel het boeddhisme in een ceremonie op Ceylon, een Theravadaland, en kolonel Olcott bleef altijd trouw aan rechtdoorzee fundamenteel boeddhisme, volkomen ondogmatisch en open voor de waarheid zoals aangetoond door elke religie. Hij was voorzitter en zorgde voor de organisatorische kant van de Society in de begindagen. Maar mevrouw Blavatsky had ook een training gehad van Tibetaanse leraren van een Mahayana Esoterische School. Zij was verantwoordelijk voor het onderwijzen en het bekendheid geven aan de Aloude Wijsheid en vervulde haar taak ondanks alle moeilijkheden. Zij is onze spirituele voorouder.

Deze Esoterische Scholen volgen DE GROTE WEG – DE MAHAYANA. Degenen die Boeddha-Verlichting aanvaarden als doelstelling doen hun best om de weg te volgen, niet alleen van de historische Boeddha Gautama, maar van hetgeen de verlichtingservaring zelf vertegenwoordigt; de kosmische Boeddha, het archetypische wezen dat alle Boeddha’s van het verleden heeft geïnspireerd en die alle Boeddha’s van de toekomst zal inspireren.

Iedereen streeft ernaar om hier en nu, juist in dit lichaam, verlichting te bereiken. Eens sprak een monnik tot de Boeddha:

‘Wat wonderlijk, O Heer, dat u zegt, ‘U kunt door te reizen niet die plaats bereiken waar er geen geboorte bestaat, geen veroudering, geen bederf, geen sterven, geen opstaan elders in wedergeboorte. Door te reizen kunt u een dergelijke plaats niet bereiken.’

De Boeddha antwoordde:

‘Zo is het. Toch, mijn vriend, zeg ik niet dat er zonder het einde van de wereld te bereiken, een eind kan komen aan het lijden (want dat kunt u hier en nu bereiken). Ik zeg u, mijn vriend, juist in dit lichaam, 1.80 m groot, met zijn gevoelsindrukken, gedachten en ideeën, ligt de wereld, de oorsprong van de wereld en het einde van de wereld, en evenzo de Weg die leidt tot het eindigen ervan.’ 2)

Elke Mahayana School wordt gekenmerkt door verscheidene factoren. De drie belangrijkste zijn: zijn eigen mondelinge traditie, zijn geschriften en zijn afkomst. Iedere Mahayana monnik kan de namen opzeggen van zijn leraar, de leraar van zijn leraar, de leraar van diens leraar enzovoort, terug tot de Indiase leraren naar de naam van Gautama Boeddha. Dit betekent voor hem een garantie dat zijn lering tot hem komt in een ware en directe lijn.

Voor de Boeddhist betekent dit nauwe relaties; niet alleen heeft hij dharmabroeders en –zusters die onder dezelfde leraar werken, maar hij weet wie zijn dharmaooms zijn, en zijn achter-achterneven. Er bestaat een nauwe betekenisvolle relatie zowel in tijd als in ruimte. Vanwege deze relatie heb ik u een kaart gegeven van onze eigen genealogie. Mahayana Scholen hebben geschriften in alle talen omdat de nadruk ligt op de mogelijkheid van verlichting voor iedereen – dit betekent voor gewone mannen en vrouwen evenals voor monniken en nonnen. Aan de wijsheid van de fundamentele leringen wordt toegevoegd het mededogen van de Bodhisattva (tenslotte heeft de Boeddha ons niet verlaten om Nirvana binnen te gaan zodra hij wijsheid gevonden had; hij bezat het mededogen om te blijven en daarna leringen te geven). Wij hebben allemaal een lichaam van 1.80 m, min of meer, en we hebben allemaal ervaring met een denkvermogen of bewustzijn; dus bezit ieder van ons alles wat er nodig is om verlichting te bereiken. De Boeddhanatuur is al aanwezig in ieder van ons. Voor de Mahayanist is Nirvana niet genoeg; wanneer wij enig inzicht ervaren, groot of klein, moeten wij vervolgens elke kleine vonk van begrip terugbrengen om anderen te helpen.

Er bestaat een Kosmische Eed, ingebed in het universum, die een goddelijk plan vormt tot steeds wijder bewustzijn en begrijpen van het geheel. Elke menselijke Boeddha door de eeuwen heen heeft dit ingeboren verlangen geïllustreerd en gezworen zijn deel bij te dragen om alle levende wezens tot verlichting te brengen. Enig levend wezen, menselijk of goddelijk, die deze eed ook heeft gezworen staat bekend als een Bodhisattva. Een BODHI-SATTVA is een heel speciaal soort wezen en wij worden vervuld van ontzag bij het idee van iemand voor wie verlichting (bodhi) het enige motief en de essentie (sattva) is van zijn wezen.

Het idee van de Grote Eed is van alle tijden, maar in een historische context komt er geen woord voor in alle delen van de Vedische literatuur, noch in het vroege hindoeïsme, noch in het Jainisme zoals ‘bodhisattva’, noch enig woord samengesteld uit soortgelijke elementen. Het woord is zuiver boeddhistisch en het werd voor het eerst gebruikt door Gautama, de historische Boeddha zelf, als verwijzing naar zijn eigen carrière voor zijn verlichting.

Natuurlijk was de aard van de prins die een Boeddha zou worden precies zoals hij die getraind had. Hij had voordien al talloze levens geleefd, waarbij hij zich trainde in mededogen en wijsheid, en altijd het leven leefde van een Bodhisattva; in elk leven leefde hij een nieuw aspect van mededogen; elk leven resulteerde in een beetje meer zuivering van de elementen van zijn wezen, en dus een beetje meer wijsheid. Totdat hij tenslotte, bedachtzaam, mededogend en wijs, geboren werd in het leven dat de vrucht was van zijn vele tijdperken als een Bodhisattva, en zijn hoogtepunt bereikte in de al-wijze, al-mededogende staat van Boeddhaschap dat nog steeds de wereld verlicht.

Dus is een Bodhisattva een wezen, menselijk of archetypisch, wiens essentie volledig gemotiveerd wordt door het verlangen naar verlichting: niet alleen zijn eigen verlichting, maar universele verlichting. Dit wordt uitgedrukt als een diepe toewijding, of eed, die vormen kan aannemen zoals:

‘Ik zal al mijn streven richten op het verwerven van inzicht, of wijsheid, met als enige motivatie het helpen van de hele mensheid.’

Het kan ook een meer dichterlijke uitdrukking zijn:

‘Ik zal Nirvana niet ingaan tot elke grasspriet gewekt is tot volledig bewustzijn.’

Elke Mahayana School heeft zijn eigen vorm van toewijding. De preciezere Tibetaanse vorm van de Eed, die mevrouw Blavatsky natuurlijk gezworen heeft, en tijdens haar training elke dag heeft opgezegd, is:

‘Ik zal alwetend Boeddhaschap bereiken ter wille van alle levende wezens. Net zoals alle Boeddha’s en Bodhisattva’s in het verleden gedaan hebben, zo moet ik ook de Gedachte van Verlichting voortbrengen, en mijzelf trainen in elk stadium van de Zes Transcendentale Volmakingen, ter wille van alle levende wezens.’

Geen wonder dat ze ons De Stem van de Stilte gaf!

Voor mensen zoals wij zijn er drie stadia. Ten eerste kan een gewoon iemand sterk gemotiveerd worden door het intense verlangen wijsheid te vinden om de mensheid te helpen; vervolgens perfectioneert hij zichzelf door zijn ‘Ware Natuur’ tot in de hoogste graad mogelijk voor de mens, te realiseren. Tijdens deze lange periode van bodhisattva-training werk hij gedurig toe naar het moment van verlichting totdat hij een Volkomen Ontwaakte kan worden, een Boeddha, volmaakt uitgerust om de Lering te demonstreren aan allen die willen leren.

De hele ervaring van de Bodhisattva en zijn Eed vormt het hart van het Mahayana Boeddhisme. Vooral van belang voor ons is het idee van de gewone mens, hier en nu, in het dagelijks leven, die ernaar streeft het Pad te betreden; misschien heeft hij al de eed afgelegd – sommigen van u hebben dit al gedaan. Het is een kwestie van zijn best doen om dit uit te voeren, en geleidelijk vooruitgang te boeken waar gefaald wordt. Of misschien, in een eerder stadium, althans het te proberen, en te denken: ik zal mijn best doen, en klaar zijn voor deze serieuze bedoeling om verlichting te bereiken ter wille van alle wezens, wanneer de tijd rijp schijnt.

De Familieboom waarnaar werd verwezen in het eerste deel van dit artikel is een directe lijn die naar ons toe leidt. Maar hoe zit het met al onze andere dharmarelaties? Hoe zit het met al onze neven – Rudolf Steiner en zijn afstammelingen, Alice Bailey, Krishnamurti – vele zulke afstammelingen van de Adyar Society; en alle afgescheiden groepen zoals Point Loma en talloze andere? Hoe zit het met alle naamloze afstammelingen, de Vegetarische groeperingen, de New Age verenigingen, alle groepen die gehoord hebben over karma, wedergeboorte enzovoort, alle nauw verwant met ons, en alle voortspruitend uit deze familieboom?

In het kort, het doel van de mensheid in Esoterisch Boeddhisme is niet volmaakt te worden als een heilige, maar om een heel, compleet wezen te worden, wijs en mededogend. Eerst moeten wij geschikt worden om de Gelofte aan te durven, en dan moeten wij ons best doen om deze te houden. De Levende Kracht achter dit universum heeft zijn eigen verplichting, of gelofte, die uitgedrukt wordt in evolutie naar een hoger bewustzijnsniveau. Ons werk is het de wetten van de Natuur te onderzoeken en de vermogens die latent aanwezig zijn in de mens, en daarbij geschikt te worden om mee te doen aan het werk als geheel.

Het trainen hiervoor is wat wij zouden kunnen noemen de Wetenschap (of liever de Superwetenschap), metafysica van Verlichting; en het werk bestaat uit het verwerven van wijsheid; het afleggen van haat, trots, gulzigheid, afgunst en domheid, om plaats te maken voor vonken van inzicht – kleine glimpen van realiteit.

Ik zou ons opnieuw willen herinneren aan die uitspraak van de Boeddha:

‘Mijn vriend, in juist dit lichaam, 1.80 m lang, met zijn gevoelsindrukken, gedachten en ideeën, zeg ik u, liggen de wereld, de oorsprong van de wereld en het ophouden van de wereld, en evenzo de Weg die leidt tot het ophouden daarvan.’ 3)

Wat een prachtig denkbeeld – alles bestaat in juist dit lichaam van 1.80 m hier! Het enige wat we hoeven te doen is het te ontdekken! Of zoals Origenes, de Christelijke mysticus, zei:

‘Begrijp dat uzelf een andere wereld bent in het klein, en in uzelf de zon en de maan hebt, alsook de sterren.’ 4)

Alstublieft, wat u ook doet, denk niet over verlichting als iets wat u misschien in de toekomst kunt verwerven. Het is hier, nu, of helemaal niet. Alles is hier, nu, het is alleen dat onze beperkte denkvermogens het niet kunnen herkennen. Alles is overal aanwezig, de hele tijd; en ieder dingetje hangt af van ieder ander dingetje. Alle dingen zijn onderling afhankelijk. Denk aan de radio – muziektrillingen uit concerten over de gehele wereld zijn allemaal aanwezig in welke kamer of plaats u dit ook aan het lezen bent. Hier en nu liggen alle voordrachten – zo veel muziek en gepraat dat het beangstigend zou zijn als wij het allemaal tegelijk zouden horen. Wij denken alleen maar aan het vinden en afstemmen op één station tegelijk, maar zij bestaan allemaal tegelijk. We moeten hetzelfde doen binnenin onszelf, ultragevoelig worden en leren ‘af te stemmen’ met heel fijne aanpassingen. Dit alles is een deel van het leren het Pad te betreden.

Noten

  1. Tucci, Giuseppe, The Religions of Tibet, p.44
  2. Anguttara Nikaya II.46
  3. Ibid.
  4. Sermon on Leviticus, 5:2.
Terug naar deel 1

Uit: The Theosophist, januari 2003