Chela's en Leken Chela's

H.P. Blavatsky

Een 'Chela' is iemand die zichzelf heeft aangeboden als leerling om praktisch inzicht te krijgen in 'de verborgen mysteriën van de natuur en de psychische vermogens die in de mens sluimeren'. De spirituele leraar aan wie hij zijn kandidatuur aanbiedt wordt in India een Goeroe genoemd; en de echte Goeroe is altijd een Adept in de Occulte Wetenschap. Een man van diepe kennis, exoterisch en esoterisch, vooral dat laatste; en iemand die zijn vleselijke natuur heeft onderworpen aan de WIL; die in zichzelf zowel de macht (Siddhi) om de natuurkrachten te beheersen heeft ontwikkeld, alsook het vermogen om haar geheimen te onderzoeken met behulp van de aanvankelijk latente maar nu actieve krachten van zijn wezen: - dit is de echte Goeroe. Zichzelf aan te bieden als kandidaat voor Chelaschap is makkelijk genoeg, zich te ontwikkelen tot Adept is de moeilijkste taak die iemand mogelijkerwijs op zich zou kunnen nemen. Er zijn tientallen 'geboren' dichters, wiskundigen, technici, staatslieden enz., maar een geboren Adept is iets wat praktisch onmogelijk is. Want ofschoon wij heel soms horen spreken over iemand die een buitengewoon aangeboren vermogen heeft voor het verwerven van occulte kennis en macht, moet ook hij dezelfde testen en beproevingen ondergaan, en dezelfde persoonlijke training doormaken als iedere mede-aspirant met minder gaven. Wat dit betreft is het een belangrijke waarheid dat er geen koninklijke weg is waarlangs favorieten mogen reizen.

Eeuwenlang is de selectie van Chela's - buiten de erfelijke groep binnen de gon-pa (tempel) - gemaakt door de Mahatma's van de Himalaya zelf uit de klasse van natuurlijke mystici, een aanzienlijk aantal in Tibet. De enige uitzonderingen waren in het geval van Westerse mensen zoals Fludd, Thomas Vaughan, Paracelsus, Pico della Mirandola, de Graaf van St.Germain, enz., wier aangeboren affiniteit met deze hemelse kennis de verre Adepten min of meer dwong in persoonlijke relaties met hen te treden. Dit stelde hen in staat om een zo klein (of groot) deel van de hele waarheid te verwerven als mogelijk was in hun maatschappelijke omgeving.

Uit Boek IV van Kiu-te, het hoofdstuk over 'de Wetten van Upasans', vernemen wij dat de eisen, gesteld aan een Chela, de volgende waren:

  1. Volmaakte fysieke gezondheid;
  2. Absolute mentale en fysieke zuiverheid;
  3. Onzelfzuchtigheid in doelstelling; universeel in liefdadigheid; medelijden met alle levende wezens;
  4. Waarheid en onwankelbaar geloof in de wet van karma, onafhankelijk van welke macht ook in de natuur die tussenbeide zou kunnen komen: een wet waarvan de loop niet mag worden gehinderd door wat dan ook, waarvan de koers niet mag worden gewijzigd door gebed of verzoenende exoterische ceremonies;
  5. Onverschrokken dapperheid in ieder noodgeval, zelfs bij gevaar voor eigen leven;
  6. Een intuïtieve perceptie dat men het voertuig is van de gemanifesteerde Avalokitesvara of Goddelijk Atman (Geest);
  7. Kalme onverschilligheid jegens, maar een terechte waardering van alles waaruit de objectieve en voorbijgaande wereld bestaat, in zijn relatie met en tot de onzichtbare gebieden.

Zo moeten op zijn minst, de aanbevelingen eruit gezien hebben voor wie streefde naar volmaakt Chelaschap. Met als enige uitzondering de eerste bepaling, die in zeldzame en uitzonderlijke gevallen aangepast kan zijn geweest, is ieder van deze punten steevast benadrukt en al deze kwaliteiten moeten min of meer ontwikkeld zijn in de innerlijke natuur door de INSPANNINGEN ZONDER HULP VAN BUITEN van de Chela's, voordat hij feitelijk op de proef kon worden gesteld.

Als de zelfevoluerende asceet - hetzij in, hetzij buiten de actieve wereld - zich hoger geplaatst had, al naar gelang zijn natuurlijk vermogen, en aldus zichzelf meester had gemaakt van zijn (1) Sarira - lichaam; (2)Indrya - zintuigen; (3) Dosba - tekortkomingen; (4) Dukkha - pijn; en klaar is om een te worden meet zijn Manas - verstand; Boeddhi - intellect, of spirituele intelligentiie; en Atma - hoogste ziel, d.w.z. geest. Wanneer hij hier klaar voor is en bovendien bereid om in Atma de hoogste heerser in de wereld van waarnemingen te erkennen, en in de wil de hoogste uitvoerende energie (macht), dan mag hij, volgens de aloude regels, aan de hand genomen worden door een van de Ingewijden. Hem kan dan het mysterieuze pad getoond worden, aan het einde waarvan de Chela geleerd wordt over het feilloos onderscheiden van Phala, of de vruchten van oorzaken, en hem de middelen worden verschaft om Apavarga te bereiken - emancipatie, van de ellende van herhaalde geboorten (waarover de onwetende niets kan beslissen), en aldus over het vermijden van Pratya-bhava - transmigratie...

Een leken-chela is niet meer dan een mens van de wereld die zijn verlangen te kennen geeft om wijs te worden in spirituele dingen. Praktisch ieder lid van de Theosofische Vereniging die de tweede van de drie doelstellingen onderschrijft is er zo een. Want ofschoon hij niet een van het aantal ware Chela's is, heeft hij toch de mogelijkheid er een te worden, want hij heeft een stap gezet over de grens die hem van de Mahatma's scheidde, en heeft zichzelf, als het ware, onder hun aandacht gebracht. Door lid te worden van de Vereniging en zich te verplichten om haar werk te bevorderen, heeft hij beloofd enigermate te handelen in overeenstemming met die Mahatma's, in wier opdracht de Vereniging georganiseerd werd, en onder wier voorwaardelijke bescherming zij blijft. Het lid worden is dan de introductie; de hele rest hangt volkomen af van het lid zelf. Hij hoeft nooit ook maar in de verste verte te verwachten de 'gunst' van een van onze Mahatma's te verwerven, of van enige andere Mahatma's ter wereld - mochten laatstgenoemden erin toestemmen bekend te worden - die niet volledig verdiend werd door persoonlijke verdienste. De Mahatma's zijn de dienaren, niet de arbiters van de Wet van Karma. LEKEN-CHELASCHAP VERLEENT GEEN VOORRECHT AAN IEMAND BEHALVE DAT VAN HET WERKEN VOOR VERDIENSTE ONDER HET TOEZIEND OOG VAN DE MEESTER. En of die Meester nu wel of niet gezien wordt door de Chela maakt geen enkel verschil aangaande het resultaat: zijn goede en slechte gedachten, woorden en daden zullen hun vruchten afwerpen. Opscheppen over Leken Chelaschap of er mee snoeven is de snelste manier om de relatie met de Goeroe terug te brengen tot slechts een inhoudsloze naam, want het zou een {prima facie} bewijs zijn van ijdelheid en ongeschiktheid voor verdere vooruitgang. Al jaren verkondigen wij overal de stelregel: 'Eerst verdienen, dan verlangen' aangaande intimiteit met de Mahatma's.

Nu is er een verschrikkelijke wet van kracht in de natuur, een die niet veranderd kan worden. De werking ervan verklaart het schijnbare mysterie van de selectie van bepaalde 'Chela's' die tot jammerlijke voorbeelden van moraliteit verworden zijn in de afgelopen jaren. Herinnert de lezer zich de oude zegswijze 'Maak geen slapende honden wakker'? Er ligt een wereld van occulte betekenis in besloten. Geen enkele man of vrouw kent zijn of haar morele kracht totdat deze op de proef gesteld wordt. Duizenden gaan heel respectabel door het leven, omdat zij nooit in het nauw gebracht werden. Dit is ongetwijfeld een afgezaagd gezegde, maar het is hier wel van toepassing. Iemand die op zich neemt te streven naar Chelaschap wekt en zweept in hevige mate, juist door die handeling, iedere slapende hartstocht van zijn dierlijke natuur op. Want dit is het begin van een worsteling om de heerschappij, waarbij geen van beide partijen genade schenkt of verkrijgt. Het is, voor eens en voor altijd, 'Te zijn, of Niet te zijn'; te overwinnen betekent ADEPTSCHAP; falen, een eerloos Martelaarschap; want het slachtoffer te worden van wellust, trots, hebzucht, ijdelheid, egoïsme, lafheid of enige andere lagere neiging is inderdaad verachtelijk, wanneer zij wordt afgemeten aan de maatstaf van ware menselijkheid. De Chela wordt niet alleen opgeroepen het hoofd te bieden aan alle latente kwade neigingen van zijn karakter, maar bovendien aan de totale hoeveelheid kwaadaardige krachten, opgehoopt door de gemeenschap en de natie waarvan hij deel uitmaakt. Want hij is een integraal deel van deze groepen, en wat invloed heeft op de individuele mens of de groep (de stad of de natie) heeft ook zijn uitwerking op de ander. In dit geval doet zijn worsteling om goed te doen het hele lichaam van slechtheid in zijn omgeving trillen, en hij roept de kwaadheid ervan over zich af. Als hij er tevreden mee is om met zijn buren samen te leven en bijna te zijn zoals zij zijn - misschien iets beter of iets slechter dan gemiddeld - bemoeit zich wellicht niemand met hem. Maar als bekend wordt dat hij in staat was de holle schijnvertoning van het sociale leven te ontdekken, de schijnheiligheid, het egoïsme, de sensualiteit, de hebzucht en andere slechte kanten ervan, en hij vastbesloten is zichzelf op een hoger niveau te brengen, dan heeft direct iedereen een hekel aan hem. Ieder slecht of bekrompen of kwaadaardig mens stuurt een stroom tegenwerkende wilskracht op hem af. Als hij van nature sterk is, schudt hij dat af, zoals de krachtige zwemmer door de stroming klieft die een zwakkere met zich mee zou voeren. Maar in deze morele strijd is het zo dat als de Chela een enkele verborgen tekortkoming vertoont - wat hij ook doet, dit moet en zal aan het licht komen. De vernis van conventies waarmee 'de beschaving' ons allen overdekt moet eraf tot op de onderste laag, en het Innerlijk Zelf, naakt en zonder de dunste sluier om zijn realiteit te verbergen, wordt blootgegeven. De gewoonten van de maatschappij, die mensen tot op zeker hoogte morele beperkingen opleggen, en hen dwingen eer te bewijzen aan deugd door te doen alsof ze goed zijn, of dat nu wel of niet het geval is, deze gewoonten worden al gauw vergeten, deze beperkingen verbroken onder de spanningen van het chelaschap. Hij is nu in een atmosfeer van illusies - Maya. Ondeugd trekt haar liefste gezicht, en de verleidelijke hartstochten trachten de onervaren aspirant te verlokken naar de diepten van psychische verwording. Dit is geen geval zoals afgeschilderd door een groot kunstenaar, waar we Satan zien die een spelletje schaak speelt met een mens met zijn ziel als inzet, terwijl zijn goede engel naast hem staat om hem raad te geven en te helpen. Want de strijd gaat in dit geval tussen de Wil van de Chela en zijn vleselijke natuur, en Karma verbiedt de tussenkomst van enige engel of Goeroe totdat het resultaat bekend is. Met de levendigheid van de dichterlijke verbeeldingskracht heeft Bulwer Lytton dit voor ons geïdealiseerd in zijn Zanoni, een werk dat altijd in ere gehouden zal worden door de occultist. In zijn Strange Story heeft hij met even grote kracht de zwarte kant van occult onderzoek en de dodelijke gevaren daaraan verbonden, laten zien.

Onlangs werd chelaschap door een Mahatma gedefinieerd als een 'psychisch oplosmiddel, dat alle droesem wegvreet en slechts het zuivere goud achterlaat'. Als de kandidaat een latente geldzucht heeft, of een hang naar politiek chicaneren, of materialistische twijfelzucht, of ijdel vertoon, of onwaarheid spreken, of wreedheid, of sensuele bevrediging van welke soort dan ook, dan ontkiemt dit vrijwel zeker. Aan de andere kant, het tegendeel is ook waar aangaande de nobele eigenschappen van de menselijke natuur. De echte mens komt dan naar voren. Is het dan niet het toppunt van dwaasheid als iemand de geplaveide weg van het alledaagse leven verlaat om de hoogten van het chelaschap te beklimmen zonder enig redelijk gevoel van zekerheid dat hij uit het goede hout gesneden is? De bijbel typeert het juist: 'Laat hij die overeind staat goed opletten dat hij niet valt' - een tekst die toekomstige Chela's goed moeten overdenken voordat zij zich halsoverkop in het strijdgewoel storten! Het zou goed geweest zijn voor sommige van onze Leken-Chela's als zij er beter over nagedacht hadden voordat zij de beproevingen tartten... Sommigen maken zich nuttig voor de Vereniging en voor de wereld in het algemeen door het goede voorbeeld en lering te geven. Als zij doorzetten, zoveel te beter voor hen en voor ons allen: zij staan tegenover een geweldige overmacht, maar toch: 'niets is Onmogelijk voor hem die WIL'. De moeilijkheden van het chelaschap zullen nooit minder worden totdat de menselijke natuur verandert en een nieuwe soort zich ontwikkelt. Paulus (Rom.vii,18,19) dacht misschien aan een Chela toen hij sprak, 'Immers, de wil is wel bij mij aanwezig, maar hoe het goede te doen, weet ik niet. Want niet wat ik wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dat doe ik'.

En in de wijze Kiratarjuniya van Bharavi staat geschreven:

De vijanden die omhoogkomen in het lichaam,
Moeilijk te overwinnen - de kwade hartstochten -
Zouden manhaftig bevochten moeten worden; hij die ze overwint
Is gelijk aan de overwinnaar van werelden (xi,32).

Uit: de Theosophist, juli 1883. The Great Sacrifice

Chelas and Lay-Chelas

Vertaling: A.M.I.