Taoisme
Taoisme
P. de Martelaere & C. Simon

De theosofie van de Tau Te Tsjing, Deel I

Richard W. Brooks

Veel theosofen zijn verliefd geworden op de kleine Chinese klassieker, bekend als de Tau Te Tsjing en toegeschreven aan de wijsgeer Lao Tze. Wij zien er een echo in van veel vertrouwde theosofische ideeën. Anderen delen ons enthousiasme echter aangezien het vaker in het Engels vertaald is dan welk ander boek dan ook behalve de Bhagavad Gita. Maar wat is nu precies het karakter van dit kleine boekje? En waarom fascineert het mensen?

Ten eerste is het een korte ‘klassieker’ (tsjing). Het is traditioneel verdeeld in eenentachtig hoofdstukken, die vervolgens geordend zijn in twee secties, waarvan er één handelt over tao (letterlijk ‘weg’) en de andere over te (meestal vertaald als ‘deugd’ maar met de onderliggende notie van ‘morele kracht’). Er zijn een aantal verschillende versies van de tekst, maar elk daarvan bevat ongeveer vijfduizend Chinese karakters. Dat maakt het tot een lezerstaak die goed te doen is.

Ten tweede is het vaak cryptisch. Veel passages kunnen op veel verschillende manieren vertaald worden. Niet alleen biedt dit een uitdaging aan iedere vertaler of lezer, het leidt bij velen ook tot een gevoel dat zij weten wat het echt betekent, terwijl anderen er naast zitten. In feite moedigt Lao Tze deze houding zelfs aan, wanneer hij zegt:

Woorden hebben voorouders;

daden hebben een meester.

Mijn woorden zijn gemakkelijk te kennen,

en zeer gemakkelijk toe te passen,

maar niet alle mensen in de wereld kennen ze,

noch passen zij ze toe.

Dat komt omdat ze niet weten, omdat ze mij niet kennen.

Wanneer weinigen mij maar kennen,

ben ik waarschijnlijk boven alle lof verheven.

Daarom kleedt de wijze zich in ruwharige kleding,

en draagt zijn juwelen in zijn boezem.

(hoofdstuk 70)

Om een ‘voorouder’ en een ‘meester’ te hebben betekende dat men deel uitmaakte van de sociale orde, dat wil zeggen dat men geen wilde was. Hier is het een metaforische manier om te zeggen dat de Tau Te Tsjing een coherente leer heeft. De laatste regel is een metafoor door  te zeggen dat deze leer echter verborgen is onder een blijkbaar grove uiterlijke vermomming. Deze regels vertellen iets belangrijks aan hen die geen Chinees kunnen lezen: men moet altijd voorzichtig zijn bij het kritiekloos citeren van een vertaling. Dat geldt ook voor de vertalingen in dit opstel.

Ten derde: waar men algemene consensus aantreft bij vertalers over de betekenis van bepaalde passages, is het filosofische gezichtspunt dat de Tau Te Tsjing biedt zo frappant verschillend van onze normale manier van denken dat het ons achterover doet leunen om ons eigen standpunt opnieuw te bezien – vooral in de rijken van de metafysica en intermenselijk gedrag. Alweer zinspeelt Lao Tze hierop wanneer hij schrijft:

Als een geleerde van de hoogst rang van Tau hoort,

beoefent hij het naarstig.

Als een geleerde van de middelste rang van Tau hoort,

schijnt het of hij er zich nu eens aan houdt,

en het dan weer verliest.

Maar als de geleerde van de laagste rang van Tau hoort,

lacht hij er luidkeels om.

Zo er niet om gelachen werd, zou het Tau niet zijn.

(hoofdstuk 41).

Dit is waar wat betreft de meeste echt diepgaande leringen. En daarom vinden theosofen de Tau Te Tsjing een boek dat zeer de moeite van zorgvuldige, herhaalde studie waard is. Maar dat is nog maar het begin. Wij hebben nog steeds niet de vraag beantwoord wat het karakter ervan is. Het antwoord op deze vraag is cruciaal voor iedere vertaling, aangezien het kleur zal geven aan hoe bepaalde belangrijke woorden, en zelfs hele passages, vertaald worden.

Is dit kleine boekje het werk van één enkele auteur? Als dat zo is, verwacht men dat de ideeën erin vervat, coherent zijn. Of is het alleen maar een compilatie van wat één vertaler noemt: uitspraken ‘van Lao’? In dat geval zou men geen consistentie verwachten, maar veeleer af en toe een tegenstelling. Mijn eigen gevoel, na veertig jaar bestuderen van het boek en het lezen van talloze vertalingen, is dat het tenminste over het algemeen coherent is. Men moet tenminste zoeken naar coherentie, alvorens de hypothese dat het het werk is van één enkele auteur overboord te gooien. In feite hebben zelfs vertalers zoals D.C. Lau, die denken dat het een verzameling losse uitspraken is, coherente en consistente vertalingen gemaakt. Zelfs als het een compilatie is van uitspraken ‘van Lao’ door iemand die zichzelf Lao Tze noemt (letterlijk: ‘oude vriend’ of ‘oude meester’), vormen ze een over het algemeen consistent geheel.

In principe zijn er drie benaderingen van de tekst. Men kan aannemen dat het primair mystiek of metafysisch is; er zijn zeker veel passages die dat idee staven, net als het eerste hoofdstuk. Een tweede idee is dat de Tau Te Tsjing overwegend een sociopolitieke verhandeling is; wederom staven talloze passages die interpretatie. Bovendien was vrijwel alle vroege Chinese filosofie sociopolitiek van aard, zodat deze interpretatie in het algemene patroon past. En tenslotte kan men steun vinden in veel passages voor een filosofie van persoonlijk, of juister gezegd, intermenselijk handelen. Ik denk dat alle drie de interpretaties juist zijn, zonder dat zij veel met elkaar in tegenspraak zijn.

Alle oude Chinese filosofen (vóór de komst van het Boeddhisme) beschouwden mensen als sociale wezens met bepaalde natuurlijke begeerten (naar goed voedsel, mooie kleren, seks, een liefhebbend gezin, een leuk huis in een goede buurt en een regering die ontvankelijk is voor de behoeften van de mensen). Men beschouwde een celibataire kluizenaar als abnormaal, ziek. Dientengevolge richt vroege Chinese filosofie zich op de problemen van mensen in de maatschappij en dus is de Tau Te Tsjing een sociopolitieke verhandeling. Maar de organisatie en het bestuur van staat en maatschappij zouden op ethiek gebaseerd moeten zijn. En dat betekent, volgens de Tau Te Tsjing (en de theosofie), dat ethiek gegrond moet zijn in de manier waarop de natuur werkt, of de metafysica.

De sociopolitieke situatie in het aloude China ten tijde van Lao Tze (dat op enig tijdstip tussen de zesde en de tweede eeuw v. Chr. geweest kan zijn) was triest, zoals duidelijk wordt aangegeven in een aantal passages, bijvoorbeeld:

Terwijl de koninklijke paleizen

goed onderhouden worden,

zijn de velden vol onkruid,

en de graanschuren leeg.

Geborduurde klederen dragen,

scherpe zwaarden omhangen,

verzadigd zijn van drank en voedsel,

grote rijkdommen bezitten –

dit wordt aanmoedigen tot roven genoemd.

Is het niet afwijken van Tau?

(Hoofdstuk 53)

Het volk verhongert.

Omdat de ambtenaren zware belastingen heffen.

Daarom verhongert het.

(Hoofdstuk 57)

Helaas is tegenwoordig in veel landen van de wereld de politieke situatie in wezen dezelfde! Dat is maar één van de dingen die dit kleine klassiekertje tijdloos maakt – en die Lao Tze’s aanbevolen oplossing belangrijker maakt dan alleen intellectueel interessant voor ons.

Ofschoon belangrijke metafysische ideeën door de hele Tau Te Tsjing verspreid staan, zijn de meeste te vinden in de tao of het eerste deel van het boek (hoofdstukken 1-37). Het eerste idee is dat de natuur een eenheid vormt – één coherent, geheimzinnig, onderling gerelateerd zijnsgebied, zodanig dat het niet uitgemeten kan worden of beschreven in taal, maar alleen gevangen kan worden in een begeertenvrije, transcendentale, eenmakende ervaring (duidelijk een theosofisch idee):   

Er bestaat iets inherents en natuurlijks,

dat vóór hemel en aarde was.

Bewegingloos en onpeilbaar,

staat het alleen en verandert niet;

het doordringt alles en raakt nooit uitgeput.

Het kan de moeder van het heelal geacht worden.

Ik ken zijn naam niet.

Maar zo ik het een naam zou moeten geven,

noem ik het Tau, en ik noem het groot.

Groot betekent voortgaan;

voortgaan betekent ver gaan;

vergaan betekent terugkeren.

(Hoofdstuk 25)

Het Tau dat kan worden uitgesproken,

is het eeuwige Tau niet;

de naam die kan worden omschreven,

is niet de onveranderlijke naam;

het niet-bestaan wordt de voorganger

van hemel en aarde genoemd;

het bestaan is de moeder van alle dingen.

Uit het eeuwige niet-bestaan zien wij dus helder

de duidelijke onderscheidingen.

De twee zijn in wezen gelijk,

en worden eerst in hun openbaring verschillend.

Deze gelijkheid wordt diepte genoemd.

Oneindige diepte is de poort,

waaruit alle delen van het heelal voortkomen.

(Hoofdstuk 1)

Het tweede idee, waar hierboven al naar verwezen is, is dat de natuur of tao cyclisch is:

Wederkeer is de beweging van Tau.

Zwakheid is de toepassing van Tau.

Alle dingen in het heelal komen voort uit het bestaan,

En het bestaan uit het niet-bestaan.

(Hoofdstuk 40)

Ook dit is een veel voorkomend theosofisch denkbeeld. Net als de derde karakteristiek van de natuur: zij is onpersoonlijk, niet vooringenomen jegens menselijke of andere wezens:

Hemel en aarde zijn niet welwillend;

Voor hen zijn alle mensen strooien honden.

De wijze is niet welwillend;

Voor hem zijn de mensen strooien honden.

(Hoofdstuk 5)

In het Chinees betekent ‘de tienduizend dingen’, ‘alle dingen’; en ‘de honderd families’ betekent ‘alle mensen’. De taoïstische filosoof Tsjuang Tze (ca. 369-286 v.Chr., voorafgaande aan de compilatie van de Tau Te Tsjing) vertelt dat men bij bepaalde oeroude ceremonies in China honden die uit stro geweven waren gebruikten; tijdens de ceremonie werden deze strooien honden met het grootste respect behandeld, maar nadat zij hun dienst bewezen hadden in de ceremonie werden ze weggegooid en vertrapt. Dit idee van de onpersoonlijkheid van de natuur loopt door alle belangrijke filosofische taoïstische geschriften heen, en dit wordt herhaald in brief 10 (88 in de chronologische reeks) van De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett:

“De natuur is verstoken van goedheid of boosaardigheid; zij volgt slechts onveranderlijke wetten, of zij leven en vreugde schenkt, dan wel lijden [en] dood brengt en vernietigt wat ze heeft geschapen… De vlinder, door een vogel opgegeten, wordt die vogel, en het vogeltje dat door een ander dier wordt gedood, gaat in een hogere vorm over. Het is de blinde wet van de noodzakelijkheid en de eeuwige orde der dingen en kan derhalve niet het Kwaad in de Natuur worden genoemd.”

Ten vierde, de gemanifesteerde natuur is tweeledig, daar zij twee aanzichten heeft. Deze worden aangegeven, in een bepaalde passage, door de bekende termen yang (vaker Hemel of t’ien genoemd in de tekst) en yin (meestal Aarde genoemd of ti). Maar nadere bestudering van de tekst toont ook aan dat de twee slechts verschillende aanzichten zijn van een fundamentelere energie, genaamd ch’I:

Achter alle dingen staat de schaduw (yin)

Op alle dingen valt het licht (yang),

en alle dingen worden in harmonie

gebracht door de

Onstoffelijke adem (ch’I).

In De Geheime Leer (1:14-5) staan passages waarin de ‘ene absolute Realiteit’ (‘wortelloze wortel,’ ‘Zijn-heid,’ of ‘Parabrahman’) genoemd wordt ‘die Essentie die buiten alle proportie is met betrekking tot geconditioneerd bestaan’ en waarvan men zegt dat zij twee aspecten heeft, ‘abstracte Ruimte’ en ‘abstracte Beweging,’ waarbij de laatste ook wel de ‘Grote Adem’ genoemd wordt. H.P. Blavatsky zegt verder dat als men eenmaal  dit niveau van abstractie verlaat, dan ‘komt dualiteit bovenop in het contrast tussen Geest (of bewustzijn) en Stof, Subject en Object.’ Dan zou yang metaforisch equivalent zijn aan Geest en yin aan Materie, ofschoon zij vaak letterlijker geïnterpreteerd worden als gewoon ‘hemel’ en ‘aarde’. Tenslotte vermeldt Lao Tze een triniteitsaspect van de natuur. Het gemanifesteerde leidt niet alleen tot twee, maar twee leiden op hun beurt tot drie – vandaar tot de ‘tienduizend dingen’:

Tau brengt het Ene voort;

Het ene brengt de twee voort;

De twee brengt de drie voort;

De drie brengt alle dingen voort.

(Hoofdstuk 42)

Zo’n triniteitsaspect van de creatieve, zich manifesterende kant van de natuur is een veel voorkomend thema in verscheidene wereldreligies. De Geheime Leer (1:16) kent ook drie logoi, waarvan de derde genoemd wordt ‘de Universele Wereld Ziel, het Kosmische Noumenon van de materie, de basis van de intelligente verrichtingen in en van de natuur’, wat net zo klinkt als het idee dat hierboven cryptisch werd uitgedrukt. Er is één andere passage in de Tau Te Tsjing waarvan sommige theosofen gedacht hebben dat zij zelfs invloed suggereert van of op Hindoe en Joods-christelijke theologie:

Wat wij aanschouwen en niet kunnen zien,

wordt kleurloos genoemd.

Wat wij beluisteren en niet kunnen horen,

heet geluidloos.

Maar wat wij tasten en niet kunnen grijpen,

noemt men onstoffelijk.

(Hoofdstuk 14)

Tao
Tao
K. Schipper

De drie woorden die hier gebruikt worden om tao te karakteriseren zijn yi, hsi en wei in het Chinees, die een triniteitsparallel suggereren met yod, he en vau of YHV van de Hebreeuwse Goddelijke Naam  getranscribeerd als Jehovah, of I, sha en va van het Hindoe ‘Isvara’. Maar aangezien het filosofische taoïsme naturalistisch is en niet theïstisch, zijn deze parallellen waarschijnlijk een linguïstisch toeval. Theosofen zouden zich er niet al te druk over moeten maken. H.P. Blavatsky citeert zelfs Max Müller als zij erop wijst dat dit, zoals hij zegt, een valse analogie is (GL 1:472).

(wordt vervolgd)

Zie ook: de Tao Te Ching over leiderschap

Noot

Lessen van de Tao
Lessen van de Tao

Voor de vertaling van de Tau Te Tsjing is gebruikt gemaakt van de vertaling van Carolus Verhulst, Mirananda, 1979.


Richard Brooks, Ph.D, is emeritus professor van de Oakland Universiteit in Michigan, waar hij Aziatische filosofie doceerde. Hij is zevenenveertig jaar lid van de Theosofische Vereniging en hij zit nu in de National Board of Directors.


Dit artikel is overgenomen uit

Meer Taoisme. Zie ook Tao Te Ching citaten en citaten van Zhuang Zi