Theosofia, juni 1992, p. 42-45, Theosophist, september 1991
Zelfkennis en Regeneratie
Danielle Audoin
[Dit artikel is geschreven met leden van de Theosofische Vereniging in het oog. De opmerkingen tussen vierkante haken [] geven aan wat de betekenis is van bepaalde begrippen.]
De noodzaak tot zelfkennis is al vanaf het begin
der tijden door de grootste leraren en oorspronkelijke religieuze tradities
verkondigd. Toch gaan de meeste mensen onbewust van wie en wat ze werkelijk
zijn door het leven. Deze onwetendheid heeft een gebrek aan inzicht en vele
onnodige belemmeringen tot gevolg, niet alleen voor de wereldlijk ingestelde
mens die verblind wordt door misleidende alledaagse pleziertjes, maar zelfs
voor diegenen die er oprecht naar streven een spiritueel leven te leiden.
Als we ook maar een minimale glimp zouden opvangen van het feit dat het
ons foutief gedrag is dat niet alleen onze problemen veroorzaakt, maar ook
de chaotische toestand in de wereld, dan zouden we serieus gaan onderzoeken
wat het is dat verandering van onze levenswijze tegenwerkt en ons tevreden
doet zijn met halve maatregelen en doekjes voor het bloeden. Ieder die zich
theoretisch in de theosofie verdiept, heeft een inzicht in de samenstelling
van de mens, maar om effectief te zijn, dat wil zeggen werkelijk regeneratief,
moet het tot een praktische, directe, onmiddelijke en intuïtieve ervaring
worden. Dat is het doel van zelfkennis.
Mevrouw Blavatsky heeft gezegd dat zelfkennis geen kwestie is van zelf-analyse,
maar van het ontsluieren van het goddelijk bewustzijn. Als de mens erin
slaagt om te gaan begrijpen wat hij zelf in werkelijkheid is, zal hij inzien
dat er achter alle pijn, ellende en angst voor verandering een oerbron is
die men kan bereiken door de persoonlijkheid of het egoïsme, de oorzaak
van alle zonden en daardoor van alle menselijk lijden, uit de weg te ruimen.
Het ontwaken tot het bewustzijn van onze goddelijke aard, het enige dat de
mens bevrijding kan brengen, houdt daarom in dat egoïsme en 'ik'-gevoel
uitgebannen moeten worden. En men kan zich alleen bevrijden van iets dat
men kent. Daarom houdt kennis van het zelf in dat men inziet dat het 'ik'
is wat het goddelijke in 'mij' versluiert. Deze twee moeten hand in hand
gaan. Zelf-analyse die tot het persoonlijke 'ik' beperkt blijft, houdt egocentriciteit
alleen maar in stand en kan derhalve niet tot ware spiritualiteit leiden.
Evenzo is het nastreven van het goddelijke, zonder een helder begrijpen van
hoe het 'ik' functioneert, academisch wanneer het die fundamentele verandering
en regeneratie, die het innerlijk ontwaken kenmerken, niet teweegbrengt.
In de mate waarin het 'ik' als illusie wordt ervaren, verliest het het vermogen
om de goddelijke Werkelijkheid te versluieren. Als iemand werkelijk de eenheid
die aan het leven ten grondslag ligt begrijpt, komen er vanzelf grondige
veranderingen in zijn leefwijze.
Het vermogen om universele broederschap in praktijk te brengen berust op
kennis van het zelf. Toen wij ons bij de Theosofische Vereniging aansloten,
hebben we allemaal bereidwillig en schriftelijk de eerste doelstelling aanvaard.
[broederschap] En deze zal schriftelijk blijven zolang we er geen aandacht
schenken dat zelfzucht inherent is aan de menselijke natuur en dat het vergeten
van het 'ik' essentieel is voor het in praktijk brengen van broederschap,
hetgeen de directe kennis van de menselijke natuur to in zijn meest subtiele
manifestaties inhoudt. Mensen verschillen allemaal in persoonlijkheid en
karakter. Maar onder die oneindige verscheidenheid liggen zekere onveranderlijke
eigenschappen; de kennis daarvan werpt een licht op elk menselijk gedrag
en verklaart zo de conflicten en het leed welke overal in de wereld heersen.
Patanjali somt in zijn Yoga-Suttras vijf oorzaken op; avidya,
of onjuist gewaarzijn, egoïsme, aantrekking, afkeer en de sterke gehechtheid
aan het leven. Ze komen uit elkaar voort en vormen die fundamentele onwetendheid
die op een bepaalde wijze de oorzaak is van alle oorzaken. Onwetendheid omtrend
onze ware aard openbaart zich het eerst en het meest als zelfzucht en deze
veroorzaakt vervolgens weer de voor- en afkeuren en de sterke gehechtheid
aan het leven. En deze zijn, in al hun vertakkingen, de oorzaak van het totaal
van de menselijke gevoelens. Dit zijn daarom de constante factoren in ons
gedrag en ze zijn in ieder van ons aanwezig, actief of sluimerend, in grovere
of meer subtiele vorm. Als je begrijpt hoe je zelf in elkaar zit, begrijp
je daardoor niet alleen jezelf, maar ook ieder ander. Terwijl het analyseren
van de verschillen in persoonlijkheid de afgescheidenheid versterkt, is daarentegen
het besef van de fundamentele samenstelling van de mens het startpunt van
het gaan vergeten van onszelf.
Wij, leden van de Theosofische Vereniging (T.V.) , zijn in geen enkel opzicht
anders dan anderen, of die anderen nu spirituele aspiraties hebben of niet.
Net als zij zijn ook wij onwetend omtrent de Werkelijkheid, bovenal in beslag
genomen door onszelf, vol problemen van het heden en vol zorgen voor de toekomst
en gevangenen van onze hebzucht en gehechtheden. Mogelijkerwijs liggen onze
wensen en ambities al op een iets meer verfijnd niveau; toch zijn het de verlangens
die ons binden en ketenen aan een wereld vol innerlijk en uiterlijk leed
en conflict. Het is alleen maar realistisch om te erkennen dat we, hoewel
we misschien een glimp van vrede, harmonie en goede wil hebben opgevangen,
toch in hoge mate de speelbal van illusie en afgescheidenheid blijven. We
sloten ons bij de T.V. aan omdat haar leer van de evolutie van de mens ons
een glimp deed zien van bevrijding, maar toch blijven we verankerd aan ons
egoïsme - wellicht niet in de meest wereldlijke betekenis, maar wel in
die zin dat iedere poging om het gevoel om afgescheiden te zijn van anderen
te versterken en te behouden, nog steeds een vorm van egoïsme is. We
schijnen niet in staat te zijn onszelf te bevrijden van de neigingen om ons
afgescheiden te voelen, neigingen die we geërfd hebben uit een ver verleden
van onwetendheid en duisternis. Het theoretisch geloven in de mogelijkheid
tot bevrijding en licht heeft niet geleid tot het verwerpen van de aantrekkelijkheden
en illusies van de wereld. Zo is er aan de conflicten en het leed van hen,
die nooit gehoord hebben van de grote wetten des levens, voor ons nog een
extra conflict toegevoegd: dat tussen onze visie van bevrijding en de toestand
waarin we zijn - een opsluiting in het zelf die net zo bedriegelijk en kwellend
is als het leed dat door dit conflict wordt veroorzaakt. Het is die innerlijke
strijd die hen die begonnen zijn aan de geestelijke zoektocht onderscheidt
van de mens van de wereld. Onze persoonlijkheid is nog maar zo weinig veranderd,
áls ze al veranderd is, ook al zijn we ons ervan bewust dat er veranderingen
moeten plaatsvinden en dat ons leven niet met ons ideaal in overeenstemming
is.
Als we dit volkomen helder en klaar zouden zien, zou de daaruit volgende
onvrede de opening tot een radicale transformatie kunnen zijn. Maar meestal
proberen we de narigheid te sussen in plaats van te begrijpen. Daardoor onstaat
een grote innerlijke beroering die de tendens tot afgescheidenheid alleen
maar weer versterkt. Daarom is het bovenal belangrijk om onderscheidingsvermogen
te ontwikkelen - de voornaamste hoedanigheid die je moet verwerven op het
Pad - om een duidelijke visie te verkrijgen van wat we werkelijk zijn, van
onze reacties, onze conditioneringen, van alles wat ons op ons zelf geconcentreerd
houdt. We zien onszelf niet zoals we werkelijk zijn omdat we er een ideaalbeeld
overheen leggen van onszelf, zoals we zouden willen zijn. Deze twee beelden
lopen in ons denken dooreen en scheppen een verward beeld. Zodra we een zwakheid
in onszelf waarnemen, snelt ons ideaalbeeld toe om het te camoufleren, of
tenminste af te zwakken en gaat de gelegenheid om een helder zicht op onze
persoonlijkheid te hebben verloren. Het is waar dat het 'ik' een mythe is,
maar het moet worden gezien en herkend als een illusie, want alleen dan kan
men er los van komen. Het ideaalbeeld is niets anders dan een grote illusie,
waarvan het nog moeilijker is ons te bevrijden omdat hij zo moeilijk grijpbaar
is; terwijl onze persoonlijkheid, het kenmerk van het afgescheiden 'ik', iets
tastbaars voorstelt dat we duidelijk zouden kunnen zien als het ons niet
in het zuiver denkbeeldige ideaal ontglipte.
Onze gehechtheid aan ons ideale zelfbeeld komt wellicht voort uit de verwarring
met het beeld dat we er omtrent het goddelijk Zelf op na houden. Het goddelijk
Zelf is niet de vervolmaking van het kleine zelf [de persoonlijkheid]. Het
kleine zelf zal altijd een verdelend karakter houden, ook al was het volmaakt,
want dat is het kenmerkende ervan. Daarentegen is Eenheid het wezenlijke van
het goddelijke Zelf en dat is iets fundamenteel anders. In theorie weten we
dat misschien wel, maar in de praktijk kijken we alleen maar naar de volmaaktheid
van het kleine zelf. Want als dat niet zo was, zouden we niet trachten te
ontlopen of te camoufleren wat we in onze werkelijke menselijke aard zijn.
We zouden erin toestemmen om onze hebzucht, onze angsten, onze gewelddadigheid,
onze voorwendselen en de ijdelheid en de futiliteit van dit alles eerlijk
onder ogen te zien. Alleen door te accepteren dat we net zo zijn als de wereld
in het algemeen, kunnen we beginnen een radicale transformatie mogelijk te
maken. Zelf-analyse legt de nadruk bij dat wat ons van anderen onderscheidt.
Ik observeer mijzelf en constateer dat ik geen success heb in mijn strijd
tegen mijn luiheid, terwijl die en die persoon uit mijn groep actief en dynamisch
is. Ik merk op dat ik anderen blijf bekritiseren, terwijl die ander nooit
ook maar het geringste lelijke woord over wie dan ook zegt. Zo dreig ik ten
prooi te vallen aan een minderwaardigheidscomplex. Of ik prijs mezelf daarentegen
juist omdat ik denk dat ik beter ben dan anderen om mij heen. En ga zo maar
door. Deze kwaliteiten of tekortkomingen die we onszelf toeschrijven door
ons zo met anderen te vergelijken, zijn alleen maar symptomen van de aanwezigheid
van het kleine ikje. Feitelijk stellen zij het topje van de onmetelijke ijsberg
onder water voor - en dat is het ware en werkelijk belangrijke 'IK' waar we
mee te maken hebben. De transformatie waar we het over hebben is het weg doen
smelten van die hele ijsberg, het met wortel en al uitroeien van het zelf
en niet alleen maar het oppervlakkig wegschoffelen van een of ander uitgroeisel
van het kleine 'ik'.
Als ik bijvoorbeeld probeer om niet gewelddagdig te zijn, zullen de neigingen
die afscheiding bevorderen een ander kunstig uitdrukkingsmiddel vinden! Ik
zou het probleem alleen maar verschoven hebben, maar er zou niets werkelijk
zijn opgelost.
Bovendien, als het al gemakkelijk is om bepaalde toegegeven fouten te zien,
het is veel moeilijker inzicht te krijgen in wat we als onze deugden beschouwen.
Neem bijvoorbeeld vriendelijkheid, onze beleefdheid of toewijding aan een
edel doel. We zijn geneigd deze altruïstisch te vinden. Dit kan in sommige
gevallen zo zijn, maar niet in alle gevallen.
Het is heel wel mogelijk onszelf te dwingen om aardig te zijn in de hoop
daarvoor gewaardeerd te worden of hard te werken voor een goed doel met het
oog op (vrome) verdienste die daaruit voortkomt. Als we de motiveringen achter
dat wat altruïstisch lijkt te zijn aandachtig bestuderen, zouden we zien
dat ze bijna zonder uitzondering een element van egoïsme vertonen. Hoe
paradoxaal het ook klinkt, zo kunnen bepaalde levens die geheel aan dienst
gewijd zijn uiteindelijk in werkelijkheid heel egoïstisch blijken te
zijn. En zelfs de emotie die het meest zuiver en belangeloos lijkt, zoals
bijvoorbeeld de liefde van een moeder voor haar kind, kan bedoezeld zijn door
een onbewust verlangen naar veiligheid. Onze vrijgevigheid kan voortkomen
uit een berekenende zorgvuldigheid, onze tolerantie kent zijn grenzen. Veel
van zulk voorbehoud bewijst dat we nog ver zijn van echt altruïstisme,
de verwerping van het 'ik', hetgeen in mevrouw Blavatsky's ogen het hoogste
theosofische ideaal is.
Waarschijnlijk doen we allemaal ons best om altruïstisme te ontwikkelen.
Maar misschien spannen we hierbij het paard wel achter de wagen. Wat we zouden
moeten doen is een begin maken met het 'ik' te vergeten. Vergeten is de ware
grondslag van altruïstisme. Het begin van het vergeten van het zelf is
het streven naar bevrijding. Maar als dat streven zichzelf reduceert tot een
verlangen om een bepaalde deugd te verwerven, wordt het door het (altijd weerspannige)
zelf in beslag genomen voor zijn eigen welzijn en leidt het verlangen af
van het voorgenomen doel. Jezelf dwingen om altruïstisch te zijn of
te denken dat je daarmee bezig bent, is op zichzelf al een handeling die
het zelf versterkt. Het vraagt om grote waakzaamheid om de voortdurende aanvallen
van het 'ik' te ontdekken, in onze handelingen, onze reacties en in de geringste
beweging van ons denken en onze gevoelens. En alleen door te trachten altijd
waakzaam te zijn, kunnen we het subtiele spel van het 'ik', dat zich steeds
als altruïstisch blijft vermommen, aan het licht brengen.
Maar nu zou men zich kunnen vragen wie het is die het 'ik' observeert. Is
het niet weer datzelfde 'ik'? Als er sprake is van waarderen of vergelijken,
verlangen naar vooruitgang of hunkeren naar een resultaat, kunnen we er vrij
zeker van zijn dat het in feite het kleine zelf is dat aan het werk is. Toch
is het mogelijk om te kijken naar wat er gebeurt zonder te proberen op welke
manier dan ook tussenbeide te komen. Neem alleen maar waar zonder te oordelen
of te vergelijken. En dan kun je werkelijk zeggen dat er iets verandert. Zolang
we de ontwikkeling van de dingen van te voren programmeren volgens onze eigen
visie, onze wensen, onze ambities en onze persoonlijke neigingen, die de
natuurlijke loop van het leven in de weg staan, komen we nergens. Maar op
het moment dat we onze manipulaties laten varen, wanneer we ons tevreden stellen
met alleen maar waarnemen, dan veranderen de dingen naar hun eigen harmonie,
op een totaal onverwachte wijze en daarom nieuw en sterk regenererend.
Als er een golf van woede in ons opkomt, dan laten we er ons door meeslepen,
of we trachten hem te onderdrukken. Maar waarschijnlijk hebben we nooit het
risico durven nemen om te kijken hoe de golf zichzelf breekt, zonder tussenkomst
van welke aard dan ook. Omdat we de gevolgen kennen van onbeheerste boosheid,
kunnen, nee durven we geen bewuste toeschouwer te zijn. En dan is er geen
sprake meer van observatie, we vluchten alleen maar. Zo komt het dat de mogelijkheid
tot zelfkennis steeds maar kleiner wordt. Er is echter een groot verschil
tussen het opkomen van een onbeheerste boosheid en dat van een boosheid die
bekeken en geobserveert wordt. In het eerste geval worden de wensen,de rancunes,
de frustraties en de zichzelf herhalende en op zelfbehoud gerichte inspanningen
van het ´ik´ allemaal in werking gezet. In het tweede geval van
de geobserveerde boosheid worden deze elementen daarentegen gestaakt en tot
rust gebracht en de woede wordt van haar stuwkracht ontdaan. Ze dooft onmiddelijk
uit, zoals een vuur bij gebrek aan brandstof. Als de menselijke neigingen
zonder gehechtheid worden geobserveerd, wordt de brandstof eraan ontnomen.
Als ik inzie dat woede, jaloezie en angst inherent aan de menselijke aard
zijn, ondervind ik niet dezelfde spanning als wanneer ik ze afwijs. Het element
schuld verdwijnt en daarmee de belangrijkste plaats die het daar zelf aan
gegeven heeft. En zo kan men zichzelf gaan vergeten.
Het zelf heeft geen ander bestaan, geen ander belang dan wij eraan geven.
Deze illusie ligt aan de wortel van alle lijden. En toch kunnen we onszelf
niet zover krijgen dat we deze afschudden omdat we doorgaan er zoveel belang
aan te hechten. Als we dat kunnen beseffen, beginnen we de onechtheid ervan
te zien en misschien te ontdekken wat we in werkelijkheid zijn. Zowel bij
spiritueel als bij wetenschappelijk onderzoek is er verband tussen observatie
en intuïtie. De observatie, hetgeen een experimenteel begrijpen is, stelt
de voorwaarden en roept de vragen op en als een gevolg daarvan komt de intuïtie
die er haar licht op doet schijnen en een verklaring biedt. Het werk van
zelfkennis moet beginnen bij het observeren van het menselijk gedrag in het
alledaagse leven. De spirituele zoeker moet, evenals de wetenschapper, zoveel
mogelijk zijn eigen wensen en projecties buitensluiten. Als hij daarin slaagt,
ziet hij intuïtief wat achter alle schijn staat, de ware aard van de
mens die alles in een allesomvattende eenheid omsluit. Dan ontstaat regeneratie
van binnenuit. Dat is het ontwaken tot het bewustzijn van de goddelijke aard
die zichzelf in mededogen uitdrukt. Dat geeft een innerlijke harmonie en
een vrede die een ontmoeting met de wereld, met mensen en gebeurtenissen mogelijk
maakt met gelijkmoedigheid, zonder bijgedachten, agressiviteit, hebzucht
of angst. Dat is de grondslag van Universele Broederschap.
Mevrouw Audion is een bekend lid van de Franse afdeling. Haar cursus Een benadering van Theosofie is onlangs [schrijvend in 1992] door de Nederlandse afdeling uitgegeven. Dit artikel is een enigszins ingekorte vertaling van de oorspronkelijke Franse versie.