Geven 'straffe' leraars wel straf ?

Frank Roos

Enige beschouwingen over het omgaan met straf in een schoolse context

Inleiding

Het zal je maar overkomen! Na vele malen die onbeleefde houding van dat knaapje geduld te hebben, ben je uiteindelijk woedend geworden en je hebt hem een moeilijk en lang strafwerk opgegeven. Eindelijk heb je dat vervelende joch een lesje geleerd! Maar wanneer je 's avonds thuis komt, bekruipt je een onbestemd gevoel dat je -hoe verdiend dat die sanctie ook is! - ergens bent tekort geschoten in je pedagogisch kunnen. In feite ontdek je dat de diep gekoesterde, ideale visie die men (onbewust?) heeft over het omgaan met leerlingen niet realiseerbaar is.

Vele leraren gaan er inderdaad vanuit dat het geven van straf in tegenspraak is met de ideale klassituatie. Zij worstelen met dit dilemma: enerzijds een machtsvrije, niet-repressieve omgang met de leerlingen en anderzijds de feitelijke noodzaak om te sanctioneren als men zijn lessen in een leergericht klimaat wil laten verlopen.

We willen hieronder de stelling verdedigen dat dit dilemma vals is en ontstaat door een verkeerde visie op het straffen van jongeren op school. Straffen kan wel zinvol zijn wanneer het een onderdeel is van een pedagogische strategie die als basishouding de straf als een opvoedend en niet als een repressief middel hanteert. Machtsvrij omgaan met leerlingen is een illusie. Het koesteren ervan draait bij een gefrustreerde aanhanger vaak uit op het tegendeel: een repressief optreden om het eigen falen toe te dekken.

Daarom willen we in wat volgt uitleggen wanneer men al of niet moet sanctioneren.

Vervolgens willen we een korte pedagogie van het straffen ontwikkelen.De aandacht gaat hier vooral uit naar het aanbrengen van gradaties bij het geven van straf.

Straffen als onderdeel van een kordaat optreden bij het verstoren van de werkorde


Een aantal leraren heeft de gewoonte om bij het begin van een schooljaar een heleboel regels af te kondigen. Die hebben als doel het leren en het samenleven zo optimaal mogelijk te laten verlopen. Daarenboven koppelt men aan het overtreden van één van de regels onmiddellijk een sanctie.

De lespraktijk wijst uit dat het expliciet formuleren van regels zonder enig verband met een concreet gebeuren in de klas weinig effect heeft. Elke klassituatie is immers zo complex en zo afhankelijk van oncontroleerbare en onvoorspelbare factoren dat abstracte regels nauwelijks toepasbaar zijn.

Daarom lijkt het ons veel beter de leer- en leefregels tot stand te laten komen door een kordate houding tijdens het lesgeven. Die impliciete informatie blijft de leerlingen wel bij omdat ze intrinsiek verbonden is met de eigenlijke lespraktijk. Het belichamen van de regels door een kordate aanpak heeft meer effect dan het verwoorden ervan.

Af en toe kan de leraar de afspraak expliciet formuleren en verduidelijken. Maar dat gebeurt steeds achteraf, na de toepassing ervan in de les.

Dat leidt ons naar de vraag: wanneer zal men kordaat optreden? Een poging tot antwoord. Een kordaat optreden is vooral op zijn plaats bij signalen die de werkorde tijdens de les ondermijnen. M.a.w. signalen die verhinderen dat de lesdoelen niet worden bereikt, moeten opgemerkt worden en vragen om een aangepaste reactie van de leraar. Of een signaal de werkorde verstoort, is dus afhankelijk van het lesdoel. Wanneer er geen verband bestaat met het lesdoel is een andere strategie vaak aangewezen. Verduidelijken we met 2 voorbeelden. Een leerling die naar buiten kijkt op het moment dat de leraar klassikaal een tekst voorleest, staat het lesdoel niet in de weg. Het voorlezen staken om die leerling terecht te wijzen -men vindt die leerling onbeleefd- leidt de aandacht van de hele klas af. Het lesdoel dreigt nu volledig in de mist te verdwijnen. Wanneer hetzelfde zich voordoet tijdens een stilleestaak kan er wel gereageerd worden.

Een leerling die aan zijn buur een blad papier vraagt tijdens het exposé van de leraar stoort de werkorde. Veel minder lesondermijnend lijkt ons die vraag, wanneer de leerlingen schriftelijke oefeningen maken. Een opmerking zou vele leerlingen wel eens uit hun concentratie kunnen halen.Uiteraard zijn er signalen die om zichzelf onduldbaar zijn en hun betekenis dus niet ontlenen aan het lesdoel. Wanneer die zich voordoen -en ze lijken ons vrij uitzonderlijk- dan kan men, in het bijzijn van alle klasgenoten, best alle lesactiviteiten staken en de leerling erop wijzen dat zijn gedrag moet wijzigen.

Vermijd absoluut de leerling als persoon aan te vallen door hem te beledigen of belachelijk te maken. Laat de jongere voelen dat je die houding niet neemt omdat je met hem of haar het beste voor hebt. Daarom is het ook aangewezen om bij die voorvallen met de leerling na de les apart te praten. In dat gesprek komt het er dan op aan hem te laten voelen dat jouw optreden is ingegeven door een diepe pedagogische bekommernis voor zijn kwaliteit als jongere op weg naar een humane volwassenheid.Een straf mag nooit de deur tussen opvoeder en jongere definitief dichtslaan.

Een kleine pedagogie van het straffen

In de laatste paragraaf zijn we al opgeschoven naar het onderwerp dat we nu willen aansnijden: hoe met straf omgaan? Hierover valt erg veel te zeggen, maar we beperken ons tot 1 invalshoek: het volgen van een uitgebalanceerde, stapsgewijze strategie.

1. Non- verbale signalen

We hebben reeds het belang benadrukt van de impliciete informatie bij het tot stand komen van regels in de klas. Non- verbale signalen zijn daartoe de eerste stap. Ze hebben het voordeel geen onderbreking van de lesgang te veroorzaken. Enige voorbeelden:

Bij het begin van de les kan een leraar best zijn autoriteit voelbaar maken door de hele klas even in ogenschouw te nemen. Even de blik laten rusten op een onrustige leerling is erg betekenisvol.

De stem wat verheffen tijdens een uiteenzetting in combinatie met het optrekken van de wenkbrauwen in de richting van de ordeverstoorder kan wonderen verrichten.

En bij rumoer eens door de klas stappen en stilstaan bij de veroorzaker zonder je uitleg te staken, kan heel de klas opnieuw bij de les betrekken. Een leraar die de lichamelijke nabijheid van de leerlingen niet vreest, straalt zelfbewustzijn uit en heeft greep op zijn publiek. (Uiteraard mag dit geen rol of pose zijn)

Heel wat ordeproblemen zijn immers te herleiden tot een gebrekkig omgaan met die non-verbale boodschappen.

2. Verbale signalen

Soms volstaat die impliciete informatie niet en moet men een stap verder gaan . Verbale signalen hebben als kenmerk dat de lesgang wel onderbroken wordt. Alle andere leerlingen zijn automatisch betrokken partij geworden. Daarmee moet men altijd rekening houden! Maar ook binnen deze aanpak bouwt men best enige gradaties in.

-Men kan de leerling terecht wijzen onmiddellijk na de ordeverstoring. De les wordt dan even opgeschort en de aandacht van de klas verschuift naar dit nieuwe gegeven. Het klassikaal uitkafferen of beledigen van de leerling is uiteraard volledig uit den boze. Die manier van ordehandhaving is altijd een pedagogische nederlaag.

Meer aangewezen is het de leerlingen te wijzen op het onverantwoorde van die houding: de lesdoelen worden erdoor niet bereikt en de vlotte samenwerking wordt bedreigd Men doet dus een beroep op het gezond verstand; men hoopt de leerling tot het inzicht te brengen dat zijn gedrag echt niet kan en de bereidheid toont zichzelf bij te sturen.

-Indien een klassikaal standje niet helpt, zal men na de les de leerling ter verantwoording roepen. Dit gesprek mag nooit een vrijblijvende babbel zijn. Men wijst de leerling op de voorgaande signalen die uitgezonden zijn en men vraagt hem waarom die niet volstonden. Onafhankelijk van het antwoord wordt er vriendelijk en kordaat afgesproken dat bij een volgend voorval de ouders zullen worden ingelicht door een opmerking in de schoolagenda.

-Het betrekken van de ouders bij een aanhoudend ordeprobleem is erg belangrijk: zij kunnen hun kind ook thuis ter orde roepen en ,wanneer er een zware sanctie zou komen, zijn de ouders er reeds eerder bij betrokken. Daardoor worden conflicten tussen de leraar, de school en de ouders vermeden. De schoolagenda is daartoe een uitstekend middel.

3. De geschreven straf

De klassieke straf krijgt in onze visie voor sommigen een onverwachte plaats toebedeeld. We denken inderdaad dat een geschreven straf slechts aangewezen en aanvaardbaar is als de vorige stappen gefaald hebben. Ook nu komt het er voor de leraar op aan rustig te blijven en zich niet te laten meeslepen door emoties. Men vermijdt het opgeven van strafwerk op het moment van de ordeverstoring. Vraag gewoon de schoolagenda op en verplicht de leerling na de les bij jou te komen om zijn strafwerk te vernemen. Die adempauze staat toe om zich te bezinnen over de aard en de hoeveelheid van het strafwerk. Dit zal nooit buitensporige proporties aannemen of een zinloze opdracht inhouden. Ook nu worden de ouders via de schoolagenda ingelicht over de reden en de aard van de straf .

Meestal volstaat deze aanpak: de leraar heeft met behulp van het thuisfront de probleemsituatie beheersbaar gemaakt. De lesdoelen kunnen gerealiseerd worden. Af en toe moet men echter verder gaan en enig pedagogisch advies inwinnen.

4. Het pedagogisch overleg met collega's

-Menselijke relaties vertonen de neiging vrij snel erg routineus te verlopen. Beide partners hebben een verwachtingspatroon opgebouwd en alle verdere contacten zijn daarvan slechts een bevestiging. Zo ook op school.

De relatie tussen een leraar en een leerling loopt op een bepaald moment wel eens vast. De leerling wordt herleid tot het beeld dat rondspookt in een lerarenhoofd. Een leerling met wie men minder goed opschiet, zal steeds negatief worden gewaardeerd, hoezeer hij ook zijn best doet.

Om die negatieve vicieuze cirkel, dat 'hallo-effect' te doorbreken is het aangewezen de collega's te raadplegen. Hun kijk kan ertoe bijdragen dat men de leerling vanuit een ander standpunt wil benaderen. Een collega kan misschien goed met die knaap opschieten en heel wat positieve eigenschappen opsommen. De wederzijdse vooringenomenheid wordt door die nieuwe informatie doorbroken. De pedagogische relatie krijgt opnieuw toekomst.

-Dat collegiale overleg kan ook formeler verlopen: de begeleidende klassenraad. Dit pedagogische forum kan vermijden dat er slechts collega's worden geraadpleegd die de eigen visie bevestigen. De voorzitter zal erover waken dat ook andere meningen, tegenstemmen aan bod komen.De klassenraad mag niet ontaarden in een positionering van de deelnemende leraren tegen de leerlingen. Dat negatieve wij-gevoel is erg onprofessioneel en stoelt soms op wraak-gevoelens, op het verlangen om een rekening te vereffenen. De enige werkelijke overwinning van een klassenraad is deze: een leerling op die plaats brengen waar hij zijn capaciteiten het best kan ontwikkelen en de hinderpalen daartoe uit de weg ruimen.

5. Zwaardere orde- en tuchtmaatregelen

Spijtig genoeg verzekert bovenbeschreven strategie niet dat alle ordeverstorende signalen vermeden of geneutraliseerd worden. Volgende sancties kunnen ook, maar liefst zo weinig mogelijk, overwogen worden:

In dit artikel zal er niet uitvoerig worden ingegaan op deze ernstige orde- en tuchtmaatregelen. Wel willen we nog even, als slot, de basishouding aanstippen die ook bij deze fases belangrijk blijft.

Hoe zwaar de sanctie ook is, het blijft noodzakelijk de jongere te laten voelen dat men het goede met hem of haar voorheeft. Elke straf komt voort uit een bekommernis voor het welzijn van de leerling en kent geen repressieve bedoeling.

Zo zal het veel pedagogischer zijn een leerling tot nablijven te verplichten door er zelf een uurtje bij te blijven en het achteraf met hem uit te praten dan door een andere opvoeder op woensdagmiddag de klus te laten klaren. Door de eerste manier 'weet' de jongere intuïtief dat de sanctie een zeer diepe en menselijke motivatie heeft. Door een jongere een deel van je vrije tijd te schenken, toon je hem hoe belangrijk hij voor je is.

6. Uitleiding

Ik besef maar al te goed dat de beschreven strategie een theoretisch model is. Leraren zijn mensen en dus niet onfeilbaar. Ik durf zelfs beweren dat iedereen die bovenbeschreven aanpak probeert waar te maken, ook het recht krijgt te falen. Als men zich met zijn volledige persoonlijkheid, als mens van vlees en bloed, inzet voor de jongeren, dan gunnen die je ook het recht om eens 'onpedagogisch' op te treden, om eens een slechte les te geven.

Die adolescenten staan je zelfs toe je blunder te erkennen en de zaak opnieuw recht te zetten. Dit is zeker ook de betekenis van de woorden van Augustinus: 'Bemin en doe dan wat je wil.'

Als een leraar erin slaagt de humaniteit in een leerling aan te spreken, zal hij ook op zijn beurt als een persoon worden benaderd. En zo krijgt zelfs een leraar een nieuwe kans...

Copyright © 2000 by Sint-Gabriëlcollege VZW (dit artikel was van de website van Sint-Gabriëlcollege VZW verdwenen en is door mij uit het internet-archief gekopieerd en weer online gezet) Oorspronkelijk URL: http://www.st-gabriel.be/Angelus/00_0_Straffeleraars.htm