Doorverwijzing naar het
Speciaal Onderwijs, in Nederland

Katinka Hesselink, Groningen, 2001

Voor ouders is het proces van doorverwijzen naar het speciaal onderwijs een vage bedoening. Het proces begint op een gewone school, waar een kind niet functioneert. Dit kan allerlei oorzaken hebben, meestal zelfs een combinatie van oorzaken:

Deze problemen kunnen zich op allerlei manieren uiten. Meestal komt het er op neer dat een leerling weg blijft (spijbelt), of er veel te vaak uitgestuurd wordt. Op school gaan decanen, orthopedagogen e.d. er zich mee bemoeien. Misschien wordt een poging gedaan het kind op school te houden door het van niveau te laten wisselen. Het kind gaat dan van VWO naar HAVO bijvoorbeeld, of van HAVO naar MAVO. Het kan ook zijn dat het blijft zitten. Soms wordt een kind van school gestuurd en moet het dus opnieuw beginnen op een nieuwe school. Als het daar weer mis gaat, zou er iemand op het idee kunnen komen dat het Speciaal Onderwijs een alternatief is.

Op zo'n school voor speciaal onderwijs wordt niet alleen les gegeven. Als het goed is gaan er mensen de leerling testen. Soms gebeurt dit al voordat de leerling wordt aangenomen. Soms pas een paar weken (of maanden) nadat het op school gekomen is. Dit hangt af van het schoolbeleid en hoe druk het personeel is.

Grofweg zijn er twee soorten testen:

  1. Psychologische testen, om te kijken wat de psychologische beperkingen, mogelijkheden en vaardigheden van het kind zijn. Het gaat dan om zaken als concentratie, communicatieve vaardigheden en de algemene interesses van het kind.
  2. Testen die meer specifiek met het schoolse te maken hebben: intelligentietesten en testen om te kijken welke schoolstof het kind beheerst. (1)

Op grond van deze testen krijgt de orthopedagoog die de testen hoort te doen, een beeld van het kind. Hiermee kan dan zo goed mogelijk bepaald worden wat voor soort school het beste bij dit specifieke kind past. Soms gebeurt het testen door een REC (Regionaal Expertise Centrum)

Door het beleid van de overheid om kinderen langer in het *gewone* onderwijs mee te laten draaien, ontstaan er situaties waarbij een kind te lang door moddert. Een kind krijgt dan eigenlijk geen adequate aandacht en begeleiding. Daardoor loopt het vast. Als het pas op dat moment naar een school voor speciaal onderwijs gaat, wordt het daar extra moeilijk.

Scholen voor speciaal onderwijs zijn er in allerlei soorten en maten. Net als gewone scholen zitten er goede en minder goede bij. Toch kun je er vanuit gaan dat ze de volgende zaken goed kunnen:

Hierdoor kunnen ze ook (na verloop van tijd) de leerlingen doorverwijzen naar een *gewone* opleiding die past bij de vaardigheden en interesses van het kind. Dus een school die past bij wat ze wl kunnen. In het VSO (voortgezet speciaal onderwijs) gaat het dan vaak om een MBO-opleiding. De school kan dit schakelen goed doen, doordat ze de leerlingen kent en doordat er kennis en ervaring is over het soort kinderen dat op hun school rond loopt. Deze combinatie is op een gewone school moeilijker te realiseren, aangezien klassen daar vaak in de richting van de 30 leerlingen lopen.

Ik schrijf dit verslag op grond van de ervaringen die ik heb opgedaan tijdens het lesgeven aan de Hart de Ruyterschool, te Groningen. Dit is een school voor Voortgezet Speciaal Onderwijs (VSO), voor kinderen met een normale intelligentie (VBO-VWO). De leerlingen kunnen er een MAVO diploma halen en worden vaak geschakeld naar het MBO. Mijn stage besloeg een vol schooljaar. Ik heb lesgegeven aan kinderen vanaf de brugklas tot en met eindexamen mavo, in wiskunde, scheikunde en NaSk.

1) Dit laatste is ook nodig, omdat kinderen die in het speciaal onderwijs terecht komen, vaak op de gewone scholen waar ze gezeten hebben, achterstanden hebben opgedaan. Of ze hebben een verleden van spijbelen. Er komt van alles binnen.