(uit toespraak New Delhi 24-02-60)

Jiddu Krishnamurti over de bron van angst

In onze geest, innerlijk moeten we in staat zijn het woord los te maken van de beleving en moeten we ten enenmale vermijden dat het woord zich mengt in, en een rol speelt in de rechtstreekse beleving van het gevoel; het gevoel wat feitelijk voorhanden is. Als je eenmaal zo ver bent gegaan en zo diep hierin bent doorgedrongen, zul je ontdekken dat in het onbewuste, in de duistere uithoeken van de geest een gevoel begraven ligt van volslagen eenzaamheid, van isolement, en dat is de fundamentele oorzaak van angst. Maar hier kom je nooit aan voorbij als je het uit de weg gaat, als je het ontloopt, als je er niet in afdaalt zonder er een naam aan te geven. Onze geest moet oog in oog komen te staan met het feit van volledige innerlijke eenzaamheid en zichzelf niet toestaan iets aan dat feit te veranderen. Dat uitzonderlijke iets dat eenzaamheid heet is het diepste wezen van het zelf, het "ik", met al zijn pesterijtjes, al zijn slimmigheden, zijn plaatsvervangende trucs, met zijn sluier van woorden waarin de geest gevangen raakt. Pas wanneer de menselijke geest in staat is aan die uiteindelijke eenzaamheid te ontstijgen meldt zich vrijheid- de absolute vrijheid van angst. Alleen dan kom je zelfstandig te weten wat werkelijkheid is, die onmetelijke energiebron die geen begin kent en geen einde. Zolang de geest echter in termen van tijd zijn eigen angsten verwekt, is hij niet in staat tot inzicht in datgene wat tijdloos is.


Om radicaal vrij te zijn van angst,
moet je je bewust zijn van angst
en deze met rust laten,
zonder enig oordeel,
zonder te proberen er iets aan te doen. Juist het weten dat daar angst is
en stil te zijn,
brengt een fundamentele revolutie teweeg waarin angst
geen enkele plaats meer heeft.