De Soefi's in Turkije

Uit een reisverslag

J. Wallevaart 2006

De soefi's zijn mystieke moslimordes die, door het praktiseren van liefde voor God, eenheid met de Ultieme Werkelijkheid trachten te bewerkstelligen. Derwishen, de reizende soefi's die zonder bezit rond trokken of de minaretten van moskeeen bewoonden en hun belangrijkste bezigheden beperkten tot vasten en bidden, waren een belangrijke motor van de aanvankelijke verspreiding van de islam. Deze 'heilige mannen' maakten indruk, zeker op de plekken waar men al ascetische christelijke monniken gewend was. Door hun persoonlijke (soms zelfs onorthodoxe) houding ten opzichte van het geloof wisten ze velen te inspireren, en sufipraktijken werden minder snel strijdig bevonden met wat er al aan plaatselijke spirituele traditie bestond dan hetgeen de hardlijners van de orthodoxie verkondigden. Omgekeerd stonden soefi's soms ook open voor andere ideeen, hoewel hun fundament altijd de koran bleef. Veel later vonden moslimgeleerden wegen om de extremere vormen in te perken en een plek binnen de islam te geven die acceptabel was voor de umma (de overeenstemming der geleerden). Nu gingen de soefi's zich langzamerhand in verschillende broederschappen organiseren. Deze groeiden natuurlijk uit tot stromingen (tarieka, lett. een weg) die niet altijd gespeend bleven van politieke inmenging. De Khadri-tarieka bijvoorbeeld, waar ik anderhalve week te gast mocht zijn in Ankara, zijn sterk vergroeid met de Osmaanse sultans, die allen onder leiding stonden van hun verlichte sufi-sheikhs. Dat ik door een soefi meegenomen werd naar de Nakshibendi, die God's naam bij hun Zikir inwendig reciteren in plaats van hardop, werd door een enkele Khadri niet gewaardeerd: 'slechte moslims, Koerden...' Andere Nakshibendi's zijn (sinds Ataturk) echter uitgesproken a-politiek. 

De volgers van de humanistische heilige Haci Bektash Veli wiens graf en tekke (klooster) bij Nevshehir ik na Ankara bezocht, waren naar verluid een stuk kritischer jegens de Selchuk- en later Osmaanse autoriteiten, waarvan het uit christelijke balkanjongetjes gerekruteerde keurkorps, de Janitsari, later de leer echter overnam. Toen dit korps in de negentiende eeuw afgeschaft werd, werden ook de Bektashi steeds meer de mond gesnoerd door de steeds autoritairdere sultans. Uiteindelijk werden de Bektashi, die vrouwen toelieten tot de eredienst en de kunst en de wetenschap (ook die van het occulte...) hoog hadden zitten, samen met alle andere sufi-ordes, door Ataturk verboden. Volgens de andere soefi's zijn er geen werkelijke bektashi's meer in Turkije, die zijn allen uitgeweken naar AlbaniŽ. Desondanks werden zowel Ataturk als Bektash sindsdien geadopteerd door de door andere moslims uitermate gewantrouwde Alevieten, die de verboden van de koran niet zo letterlijk nemen (bijvoorbeeld vrouwen sluieren of alcohol drinken) en radicaal voorstander zijn van de scheiding van kerk en staat. Erg gek om een Ataturk-beeld aan te treffen in de nis van een soefiklooster. 

Wat dat laatste betreft, bedevaartgangers uit Van brachten me tot een week lang bezoek aan een dorp met een grote sufisheikh, vlakbij Adyaman. De sheikh kon me in de korte momenten dat ik hem via een tolk spreken kon niet werkelijk iets nieuws vertellen, waarschijnlijk omdat ik de verkeerde vragen stelde. Geboden van de koran en sunna volgen en veel bidden, dan komt alles goed, zo was de boodschap. Al het goede zowel als al het kwade komt van God. De sheikh gaf me de naam Saleh (ja, weer een nieuwe), de profeet die -zo leerde ik later- als bewijs van de eenheid van God een gigantische kamelin uit de berg deed herrijzen die heel veel water zoop, maar in haar bulten ook evenveel water voor de mensen kon dragen. De kamelin werd gedood door de ongelovigen onder het volk omdat ze te veel water gebruikte. De moraal van het verhaal laat ik aan u.