Indiase Filosofie

Atman in de Upanishaden

Atman: de vraag naar het zelf
Oorspronkelijk betekende het woord atman heel simpel 'ik'. Het was een persoonlijk voornaamwoord, afgeleid van het begrip 'adem'. Geleidelijk aan werd het echter steeds abstracter. Het gaat staan voor de eeuwige essentie van iemand, zijn 'ziel' of 'zelf'. 

De Indiase filosofie is veel bezig geweest met een vraag waar de Westerse wetenschap (ook) nog steeds niet uit is: wat is het zelf (Atman)? De Upanishaden (ook wel Oepanishaden ), teksten die veelal van voor de Christelijke jaartelling stammen, hebben hierover veel te zeggen. Hier onder de uitleg die drie upanishaden geven over deze belangrijke vraag: wat is Atman? Meer over de filosofie van de Upanishaden.

Brhadaranyaka Upanishad

In deze tekst neemt de wijze Yajnavalkya afscheid van zijn twee vrouwen om de wildernis in te trekken. Hij wil zijn bezit in tweeen delen zodat ze beide in de wereld verder kunnen. Een van beide vrouwen, Maitreyi, heeft hier echter problemen mee. Ze vraagt zich af of die rijkdom haar onsterfelijkheid zal brengen. Yajnavalkya antwoord uiteraard dat dit niet het geval is. Hij legt haar uit dat mensen die van elkaar houden, dat doen om wille van het atman, het goddelijke zelf, niet van de persoonlijkheid. Als men het atman kent, weet men alles. 

Zoals een stuk zout dat men in het water werpt totaal oplost - men kan het niet meer eruithalen - zo is het ook met dit grote grenzeloze zelf. Nadat het als een klomp kennen in de wezens is ontstaan, lost het op als deze oplossen. [Het is overal aanwezig, maar] er is geen bewustzijn na de dood. 

Maitreyi begrijpt dit niet. Yajnavalkya legt uit een lichaam nodig is om te kennen, zoals er ook bewustzijn nodig is om te kennen. Alleen door die beide kan een ander lichaam herkend worden. Het Ware is in geen enkele omstandigheid (dus met of zonder lichaam) kenbaar. "Men kan de kenner van het kennen niet als object kennen."

In de brhadaranyaka Upanishad komt ook een wedstrijd in redeneren voor waar Yajnavalkya centraal staat. Hij zegt uiteindelijk dat het Brahman de ziener van het zien is, de hoorder van het horen, de denker van het denken en de waarnemer van het waarnemen. De ziener van het zien kan niet gezien worden, de hoorder van het horen niet gehoord enzovoorts. Wat verschillend daarvan is, veroorzaakt pijn. Dat wat door pijn niet geraakt wordt, is het eeuwige zelf (Brahman in deze tekst).

Chandogya Upanishad

Ook hier is sprake van een verhaal waarin een filosofische les wordt ingebouwd. Ik beperk me tot de les:

Het lichaam is sterfelijk, staat onder het regime van de dood. Het is alleen maar een tijdelijk verblijf van de onsterfelijke ziel die zonder lichaam is. Wie een lichaam heeft, is onderworpen aan lief en leed. Bevrijding van lief en leed is niet mogelijk voor iemand die een lichaam heeft. ...

De wind is zonder lichaam, en de wolken en de bliksem ook. Zoals zij zich verheffen en, nadat ze met het hoogste licht een geworden zijn, in hun eigen gestalte weer ontstaan, evenzo komt de kern van volledige rust, nadat hij zich uit het lichaam verheven heeft en tot het hoogste licht geworden is, in zijn eigen gestalte weer tot ontstaan.

Deze gestalte is de hoogste purusha. Hij beleeft daar alle genoegens, met vrouwen, wagens en familieleden, zonder zich nog aan het lichaam te herinneren. 

De goden vereren dit purusha, daarom zijn alle werelden van hun.

Brhadaranyaka Upanishad en Kausitaki Upanishad

In deze upanishaden komt een verhaal voor waarin de Brahmaan Balaki bij koning Ajatasatra komt. De koning blijkt meer van het Brahman te weten dan de Brahmaan. Ajatasatra legt vervolgens uit dat het centrale zelf (atma of purusa in deze teksten) het vermogen tot waarnemen en het vermogen tot begrijpen is. Dit is altijd, ook in de slaap, aanwezig. 

Bronnen