Nala en Damayanti

Hervertelling door Katinka Hesselink

Er was eens een mooie prinses, Damayanti. In een land verderop was een mooie, prins: Nala. Nala is goed met de dobbelstenen, kan uitstekend koken en is de beste paardenmenner onder de mensen. Beide waren deugdzaam, beide waren beroemd tot in de godenwereld toe. Beide hadden ook, en dit is belangrijk voor het verhaal, magische krachten. Beide hoorden in zulke goede termen over de ander dat ze verliefd werden zonder de ander te zien. Nala werd ziek van liefdesverdriet en trok zich terug in het bos. Daar kwam hij een stel mooie gouden zwanen tegen. Hij ving de mooiste. Deze zei: ‘dood mij niet, dat verdien ik niet. In plaats daarvan zal ik over je vertellen aan Damayanti’.

Nala laat de zwaan los. De zwanentroep vliegt naar Damayanti’s harem.

De harem ziet de zwanen, en ieder meisje rent achter een zwaan aan. Damayanti pakt de koning der zwanen en hij vertelt haar over Nala. Damayanti wordt hierop op haar beurt liefziek. Haar hofdames vertellen haar vader hierover in bedekte termen. Hij besluit dat het tijd is voor het huwelijk van Damayanti – en wel een liefdeshuwelijk. Zij mag haar man zelf uitkiezen. Bodes gaan de wereld door en elk koning die een vrouw voor zichzelf of zijn zoon zoekt is enthousiast. Iedereen wil met Damayanti trouwen. Zelfs de goden willen dat. Nala hoort er ook van en gaat op weg. De goden zien hem reizen en vinden hem zo mooi, zo deugdzaam, dat ze zich aan hem tonen en vragen of hij ze een dienst wil verlenen. Nala zegt dat toe. De goden vragen hem of hij niet de harem binnen wil gaan en een goed woordje bij Damayanti wil doen. Daar heeft hij niet veel zin in – omdat hij zelf van haar houdt - maar ja, beloofd is beloofd. De goden houden hem aan zijn woorde en zorgen ervoor dat hij ongemerkt het paleis binnen kan komen.

Daar ziet Damayanti hem, hij stelt zich voor, vertelt haar dat de Goden met haar willen trouwen. Zij zeg: maar ik wil met jou trouwen. Hij: ik wil ook met jou trouwen, maar ik kom in de problemen bij de goden als ik dat doe. Nee hoor, zegt Damayanti: je hebt je woord gehouden, maar ik kies voor jou.

Op de keuzeceremonie komen al die koningen en prinsen bijeen. Damayanti loopt ze af – tot ze vijf keer Nala ziet. Ze wrijft zich in de ogen: vijf keer Nala? Welke is nou de echte? Die andere moeten de goden zijn, in menselijke vorm. Hoe moet ik Nala nou herkennen? Ze hebben geen van alle de eigenschappen die goden hebben (zweven, niet zweten en de attributen van elke godheid). Ze denkt goed na en besluit tot de goden te bidden. Ze bid: ‘ik heb nooit een ander dan Nala gewild. Ik heb de goden altijd vol toewijding gediend. Mijn hart is zuiver. Goden, toon mij uw ware aard!’ De goden worden vermurwd en doen wat ze vraagt. Nu staan ze voor haar in hun volle glorie – niet zwetend, de voeten boven de grond zwevend, en met de attributen van elke god. Nala staat ertussen, wel zwetend, niet zwevend, heel menselijk, maar ook heel knap. Dus Damayanti kiest Nala. Groot feest, ze trouwen.

Maar na het trouwfeest, komen de goden onderweg naar huis Kali en zijn vrouw tegen.

- Waar ga jij naartoe?

- Naar de ceremonie waar Damayanti haar man kiest.

- Dan ben je te laat – ze koos Nala.

- Ze koos een mens? Terwijl ze goden kon krijgen?

- Ja – en geef haar eens ongelijk: hij is deugdzaam, knap, zonder weerga onder mensen en goden.

Kali werd hierop boos en verontwaardigd. De goden gaan verder, en Kali zegt tegen zijn vrouw: hier gaan we een stokje voor steken. We zullen voorkomen dat ze gelukkig worden. Jij verschuilt je in een stel dobbelstenen. Ik zal zorgen dat ik Nala in bezit neem.

Ondertussen leven Nala en Damayanti twaalf gelukkige jaren samen. Ze krijgen twee kinderen. En Kali ligt op de loer, maar het lukt hem niet om een gat in het deugdzame pantser van Nala te vinden. Nala heeft alleen maar goed karma: hij doet alle rituelen zoals het hoort, studeert de veda’s, is trouw aan zijn vrouw en is deugdzaam.

Maar op een dag, in het twaalfde jaar, vergeet Nala bij het ochtendritueel zijn voeten te wassen. Kali grijpt zijn kans en neemt bezit van Nala, via diens voeten. Hij daagt, als Nala, diens broer uit tot een spelletje dobbelen. Doordat de vrouw van Kali de dobbelstenen bestuurt, verliest Nala steeds meer. Bezeten door de stenen en Kali, blijft Nala doorspelen. De smeekbeden van zijn vrouw zijn tevergeefs. Tot, maanden later, Nala zijn hele rijk, al zijn juwelen en zelfs al zijn kleding op een lendedoek na, verspeeld heeft.

Omdat het rijk verspeeld is, moeten ze vertrekken. Dus Nala en Damayanti verlaten het rijk – ieder in een doek. In het bos drinken ze water uit poelen en vruchten. Ze komen een stel gouden zwanen tegen. Nala gooit zijn lendedoek over ze heen om ze te vangen, maar in plaats daarvan vliegen de vogels ermee weg. Nu hebben ze samen alleen nog de sari van Damayanti. Gelukkig zijn Sari’s hele grote lappen stof, dus ze kunnen ermee toe, maar ze zitten wel erg aan elkaar vast op deze manier.

Nala, depressief door alle tegenslag, raadt Damayanti aan om naar het koninkrijk van haar vader terug te gaan. Dan kan ze tenminste comfortabel leven. Maar Damayanti houdt van Nala en wil dus bij hem blijven. Ze stelt voor samen naar haar familie te gaan. Nala is te trots om op dat voorstel in te gaan. Dus ze gaan door, samen gewikkeld in haar sari.

Op een nacht is zij al in slaap gevallen, maar Nala kan niet slapen. Hij deelt de sari in tweeŽn en gaat er vandoor.

Damayanti wordt wakker en merkt dat Nala weg is. Ze is helemaal wanhopig. Schreeuwend en kermend dwaalt ze door het bos. Een slang pakt haar en neemt haar mee. Damayanti blijft kermen: dit kan er ook nog wel bij. Een langskomende jager hoort dit en slaat de slang dood. Hij troost haar en zij vertelt hem alles. Hij ziet hoe mooi ze is en probeert haar aan te randen. Damayanti vervloekt hem en hij valt dood neer.

Damayanti loopt naar het Noorden, richting Himalaya, door dichte wouden vol leeuwen, tijgers en ander wild gespuis. Ze blijft Nala en alle goden die ze kan bedenken aanroepen. Op een dag komt ze bij een groep Brahmaanse asceten in het bos. Ze wordt hartelijk ontvangen en getroost. Maar dan zijn ze opeens verdwenen.

Zo dwaalt ze nog een tijd door het bos, tot ze bij een weg komt. Hier is het druk doordat er handel wordt gedreven. Ze ziet er na al die tijd in het bos natuurlijk niet uit, maar toch zien sommige mensen iets in haar. Bent u een god? Bent u een mens? Ze wordt naar de leider van een karavan geleidt. Hem vertelt ze haar verhaal. Weet u waar Nala is? Nee, dat weet hij niet. Hij kan haar echter wel helpen. Ze gaat met de karavaan mee naar de stad. Van daaruit is ze snel weer terug bij haar ouders.

Nala ondertussen, zwerft ook door het bos, en komt bij een groot vuur. In dat vuur zit een slang, die zegt: redt mij en ik zal je helpen. Nala doet dat, maar wordt door de slang gebeten. Door die beet wordt hij als een dwerg: lelijk en onherkenbaar. De slang zegt: nu kun je je zonder problemen onder de mensen begeven. Mijn slangegif zal Kali ook voortdurend pijn doen, tot hij besluit je te verlaten. Noem jezelf Vahuka en ruil je vaardigheid met paarden voor de vaardigheid met dobbelstenen van koning Rituparna. Je zult je eigen vorm terugkrijgen als je dit kledingstuk draagt. De slang geeft aan Nala twee kleden.

Aldus geschiedt: Nala verblijft als Vahuka in het koninkrijk van Rituparna, huurt zich uit als paardenmenner en elke ochtend herdenkt hij Damayanti. Rituparna ziet zijn verdriet en vraagt om de reden. Vahuka vertelt het zonder zijn naam te geven.

Damayanti vertelt ook iedereen haar verhaal. Ze stuurt de hele wereld boodschappers door om Nala te vinden. Op een dag hoort een van die boodschappers het andere – en verbindt de twee. Zo hoort Damayanti dat Nala nog leeft, waarschijnlijk. Ze verzint een list – wetend dat Nala te trots is om bij haar terug te komen. Hij heeft haar tenslotte verlaten… Ze laat aankondigen dat ze opnieuw een verloofde uit wil kiezen. Boodschappers gaan heel India door en ook Nala hoort ervan. Hij begrijpt het niet. Is Damayanti hem vergeten? Is het een list? Denkt ze dat hij dood is? Hoe dan ook, hij moet weten hoe het zit en gaat ernaartoe met koning Rituparna. Ze gaan zo snel, dat Rituparna begint door te krijgen dat dit waarschijnlijk Nala is, die beroemd was om zijn vaardigheid met paarden. Onderweg leert de koning Nala de kunst van het rekenen en het dobbelen, in ruil voor Nala’s vaardigheid met paarden. Dat kon heel snel in die dagen, door het leren van een mantra, een soort toverspreuk. Op het moment dat Nala leerde rekenen en dobbelen kwam Kali uit Nala’s lichaam, overgevend van het gif van de slang die Nala al die jaren geleden gebeten had. Doordat Kali uit Nala getreden was, was zijn slechte geluk ook voorbij. Nala ging vol energie, maar nog in dwergenvorm, op weg naar Damayanti’s verloving.

Daar herkent Damayanti Nala uiteindelijk aan zijn vaardigheid met paarden en zijn kookkunst. Niemand anders had ook zo snel naar het paleis kunnen komen. Ze vraagt Nala hoe hij haar had kunnen verlaten. Hij geeft Kali de schuld en verteld dat Kali intussen uitgedreven is. Ze legt uit dat de verloving slechts een list was om hem zo snel mogelijk naar huis te krijgen. Hij gelooft haar, doet het kleed dat de slang hem gegeven heeft om, krijgt weer zijn eigen vorm en ze leven nog lang en gelukkig – nadat althans Nala zijn rijk met dobbelen heeft terug gewonnen.