Oude teksten uit het Hindoeïsme

Katinka Hesselink

Epische Geschriften

± 400 vC tot ± 600 nC: de Ramayana, de Mahabharata en het meest beroemde onderdeel daarvan: de Bhagavad Gita. In deze verhalen, die als thema hebben de mythische innerlijke strijd die de mens(heid) steeds opnieuw voert in zijn keuzes tussen goed en kwaad, treden goden op in bijzonder menselijke gedaante en krijgen mensen de gelegenheid, het goddelijke in zichzelf aan te raken.

Mircia Eliade heeft geschreven, dat de Indische godsdiensten zich vooral rondom vier fundamentele concepties, idées forces, concentreren. Deze vier zijn:

  1. 'de wet van de universele causaliteit die de mens solidair maakt met de kosmos en hem ertoe veroordeelt om voor onbepaalde tijd wedergeboren te worden'; dit is de wet van het karma;
  2. 'het mysterieus proces dat de kosmos doet ontstaan en in stand houdt.' Dit is de máya, d.w.z. de begoocheling waardoor de mens gelooft in een blijvend bestaan van de wereld; zolang hij in deze onwetendheid volhardt, zal hij ook aan reïncarnatie onderworpen zijn;
  3. de absolute werkelijkheid die zich ergens achter of boven de schijn der dingen moet bevinden, en die met verschillende namen wordt aangeduid;
  4. de middelen om uit de begoocheling der onwetendheid bevrijd te worden en deze absolute werkelijkheid deelachtig te worden.

Volgens de grote Indische denker Sjankara (achtste eeuw n. Chr.) is alle verscheidenheid die wij waarnemen gezichtsbedrog en begoocheling (máya) die berust op onze onwetendheid van hoe het in werkelijkheid is. Eigenlijk bestaat enkel het Al-ene. Hij spreekt van 'niet-twee-zijn' (adwaita). God is niet dit of dat, 'in hem is slechts één ding, hij zelf'. En daarvan kan men zeggen: 'God is hetzelfde ene, als ik ben.' Wij zijn met god niet enkel verenigd, maar ten volle één. God is wel 'omkleed met onderscheid, veelheid en stukwerk', maar dit heeft geen wezenlijk bestaan. Noch Brahman, noch de daarmee identiek zijnde áatman kan men met een naam aanduiden. Het is de onwetendheid (awidaya) die aan de mens het inzicht in deze identiteit verspert. De wezenseenheid tussen god en mens neemt Sjankara volkomen ernstig: 'Daar zij één van wezen zijn, zijn zij niet gelijk. Want gelijkheid staat altijd nog (in verbinding) met onderscheid. Dus moet men ook het aan god gelijk zijn afleggen (om het één met god te bereiken).

Bronnen