De paramita’s

algemeen

Katinka Hesselink - aantekeningen voor een lezing in 2004

Paramita betekent transcendente deugd. Dat wil zeggen dat ze op meerdere niveau’s toegepast kunnen worden – en uiteindelijk kunnen leiden tot de toestand van Boeddha-schap.

In zowel het Theravada boeddhisme als het Mahayana boeddhisme zijn lijsten met deugden erg populair. Ik ga voor vanavond uit van de Mahayana lijst met 6 paramita’s, aangevuld met Blavatsky’s zevende paramita (nummer 4 in het lijstje hier onder). Deze komt overeen met een paramita die in een van de lijstjes met 10 paramita’s ook voorkomt. (zie ook de zes paramita's in de Lankavatara soetra)

De paramita’s zijn de deugden die de bodhisatva telkens weer toepast, uitdiept en in zichzelf ontdekt.

de zes paramita’s

  1. Dana – de sleutel van barmhartigheid en onsterfelijke liefde (2). Vrijgevigheid op alle niveau’s. Beginnend met vrijgevigheid met dingen, het geven van liefdevolle bescherming en het geven van liefdevol begrip. In alledrie de gevallen is het belangrijk dat te geven wat waardevol is en het te geven zonder gehechtheid.
  2. Shila – de sleutel van harmonie in woord en daad, de sleutel die vereffend oorzaak en gevolg, en geen verdere ruimte laat voor de werking van karma (2). Deze paramita gaat over juist leven. Het begint met je te houden aan de leefregels in alle religies en komt uiteindelijk uit bij wat Blavatsky hier dus noemt harmonie in woord en daad. Aspecten uit het achtvoudige pad:
    • De juiste spraak
    • De juiste handelswijze
    • Het juiste levensonderhoud
  3. Kshanti – zacht geduld, dat door niets verstoord kan worden (2). Bij de uitleg van deze paramita komen boeddhisten meestal uit op wat in het Christendom verwoord wordt als: ‘iemand de andere wang toekeren’. Dus kwaad niet met kwaad vergelden. In het boeddhisme gaat men er vanuit dat je dat wat je krijgt verdiend hebt: de leer van karma. Het te ontlopen of er tegen vechten zorgt er alleen maar voor dat het je je negatieve karma uit stelt of versterkt.
  4. Vairagaonverschilligheid voor vreugde en smart, overwinning van illusie en het zien van niets dan de waarheid (2). Deze paramita is door Blavatsky toegevoegd aan het standaard Mahayana lijstje. Het komt wel voor (met een andere sanskriet naam), op het lijstje van de Therevada boeddhisten.
  5. Virya – Onverschrokken kracht, die zich een weg baant naar de hoogste Waarheid, weg uit het slijk van aardse leugens. (2) Dit wordt ook wel uitgelegd als doorzettingsvermogen, of de kracht je goede voornemens ook daadwerkelijk toe te passen. Uiteindelijk kan deze deugd tot de hoogste Waarheid leiden.
  6. Dhyana – waarvan de gouden poort, eenmaal geopend de adept leidt naar het gebied van eeuwig Sat en tot onafgebroken contemplatie. (2) Dit is de sleutel van meditatie, contemplatie – of simpelweg observeren wat je doet, denkt en zegt. Observeren hoe je zelf in elkaar zit en hoe anderen in elkaar zitten. Kijken, onderzoeken – niets voor vanzelfsprekend aan nemen, alleen omdat anderen (iedereen soms) het zo zien.
  7. Prajna – deze sleutel maakt van de mens een god en schept hem tot een Boddhisattva, zoon der Dhyani’s (2). In wat eenvoudiger woorden: wijsheid. Beginnend met wereldse wijsheid, zich ontwikkelend tot kleinere transcendente wijsheid en uitmondend in de hoogste transcendente wijsheid. Het vermogen voorbij de oppervlakte der dingen te kijken, naar de oorzaken. Het vermogen de dingen in een groter (uiteindelijk universeel?) verband te zien.

de tien paramita’s

  1. vrijgevigheid
  2. morele discipline
  3. geduld
  4. wijsheid
  5. inzet
  6. verdraagzaamheid
  7. waarachtigheid
  8. vastbeslotenheid
  9. belangeloze liefde
  10. gelijkmoedigheid tot in perfectie en zonder eigen belang.

Ofwel de zes paramita’s plus:

  1. upayakausalya, vindingrijkheid (in het vinden van de juiste middelen om andere wezens te helpen)
  2. pranidhana, vastberadenheid
  3. bala, kracht
  4. j˝ana, kennis