Lankavatara Soetra: introductie

Ofwel 'De Afdaling op Lanka'

Anonym (door de vertaler zelf online gezet op: http://www.buddha-dharma.eu/ )

(Mahamati, ware de Waarheid niet verklaard (en vastgelegd in woorden), dan zouden de leerredes die alle waarheden omvatten verdwijnen, en wanneer de leerredes verdwijnen dan zijn er geen Boeddhas, Toehoorders, Zelf-Verlichtten en Bodhisattvas meer, en wanneer er niemand (van hen) meer is, wat zal er dan onderwezen worden, aan wie?) Hfdst. 3 [194-195 in het manuscript].

De Lankavatara Soetra, de Afdaling, of eigenlijk, de Landing op Lanka, is een canonieke tekst die grote delen van het Mahayana Boeddhisme heeft geinspireerd en nog inspireert, dat wil zeggen, daar waar ze voorhanden is in een lokale taal. Ze is belangrijk in die school of traditie die Yogacara (Enkel-Bewustzijn) wordt genoemd. Als gevolg daarvan is deze tekst belangrijk voor de zen-traditie. In de Chinese Zen (ch'an) is de Lanka zelfs een van de drie basisteksten.

Deze Soetra volgt de traditionele vorm waarin, na de woorden "Aldus heb ik het gehoord" de schrijver herhaalt wat de Boeddha vertelde toen de auteur er zelf bij was, of waarin hij herhaalt hoe anderen hem de Boeddha's woorden overbrachten, of waarin hij opschrijft wat de Sambhoghakaya, Boeddha's Vreugdevolle Resultaatslichaam, hem inspireerde op te schrijven. Dat laatste is hier zeker het geval voor wat betreft de eerste twee hoofdstukken.

Voor wat betreft het woord soetra: Zeker het Kleine Voertuig gaat er van uit dat alleen de door anonimi op schrift gestelde leringen van Boeddha de naam soetra verdienen. Het Grote Voertuig heeft deze opvatting iets opgerekt. Hier zien we, zeker vanaf ca. de zesde eeuw, dat werken ook soetra genoemd mogen worden wanneer ze enigszins de sluier van anonimiteit optillen, en wanneer daarin zonder omwegen verwezen wordt naar eerdere op schrift gestelde canonieke werken. Daarin volgt de Mahayana dan zekere Hindu-stromingen, zeker zuidelijke, die tot in de tijd van onze Renaissance doorgingen korte aforistische teksten te componeren die soetra heetten.

Lees ook over de inbedding van de Lankavatara Soetra in het algemeen (Mahayana) Boeddhisme en Wat is Mahayana Boeddhisme?. Handig is ook de woordenlijst / index, die het gebruik van technische termen in de tekst aan duidt. 

OVER OUDERDOM EN ONTSTAAN VAN DE LANKA

Indien we de tekst in twee gedeelten zouden kunnen uiteenleggen, dan zou gezegd kunnen worden dat de eerste twee hoofdstukken in het noorden van India tot stand kwamen, en de laatste twee in het zuiden. Daarvoor zijn de volgende overwegingen aan te voeren. Historici zeggen dat Vaisnavisme, de Hindu-leer die zich centreert rond de god Vishnu, voornamelijk in het noorden werd beleden. Voor zover ze herkenbaar zijn gaan de in de eerste twee hoofdstukken genoemde niet-boeddhistische filosofieen een aantal malen over Vaisnava-geinspireerde stromingen. Het is pas in het derde hoofdstuk dat we Saivistische stromingen herkennen, stromingen, zich richtend op de god Siva, die in het zuiden sterker aanwezig waren dan in het noorden. Bovendien zijn daar nog twee fragmenten over Hindu-geinspireerde theologieen waarvan aangenomen wordt dat ze - redelijk laat - hun ontstaansgrond in Zuid-India hadden, zie daarvoor de aantekeningen bij hoofdstuk Drie.

Hoofdstuk Drie geschreven in het zuiden?

De trek naar het zuiden is voor het Boeddhisme zowel uit historisch als leerstellig oogpunt van belang. Nadat de Moghul-invasie in het noorden een eind maakte aan in ieder geval sramana-bewegingen die atheistisch waren, of waarvan een zeker theisme niet werd herkend, trok in ieder geval Boeddhisme (noch atheistisch, noch theistisch) zuidwaarts waar ze een andere, en in sommige opzichten onbekende vorm van Hinduisme - meestal Saivisme - ontmoette. De tempelgrotten van Ajanta en Ellora tonen hoe Boeddhisme de daar beschikbare ruimte had te delen met Hinduisme. Daar en elders in het zuiden moesten antwoorden gevonden worden op vragen die voortkwamen uit Saivisme, en uit de leer rond de Godin (Devi), zo populair binnen de Tamil-gemeenschap. Verder had men te maken met een bevolking die wars was van celibatair levende religieuzen. Derhalve, ondanks het feit dat ook Boeddhisme tantras ging ontwikkelen, als in het zuiden, en ondanks het feit dat, als tegenwicht tegen zuidelijke Devi-verering bodhisattva Avalokiteshvara in vrouwelijke gedaante werd getoond, heeft Boeddhisme in het zuiden van India geen stand kunnen houden - althans dat was tot midden 20e eeuw de aanname van al die betrokkenen die over dit onderwerp publiceerden. Hoe het de Boeddha-Dharma tussen het eind van de Moghul-periode en eind 19e eeuw in India vergaan is, is echter nooit onderwerp van serieuze studie geweest. Feit is wel dat toen, na een jarenlang verblijf op Sri Lanka, Col. Olcott aan het eind van de 19e eeuw in Zuid-India arriveerde om daar een studie- en publicatie-centrum te vestigen, hij al snel bijgestaan werd door lokale geleerden die van de hoed en de rand wisten, terwijl het Kleine Voertuig-Boeddhisme nooit weg was geweest uit de heuvels die nu de grens vormen tussen Bengalen en Bangladesh.

Over de ontstaanstijd

Wanneer we, het meest prominent in hoofdstuk Twee, zie hoe de auteur van dit tekstegedeelte leerstukken uit de Abhidharma Kosa behandelt, een Mahayana-verhandeling over psychologie, filosofie, en de werking van materie, die bedoeld was als massieve tegenhanger van de vroege Pali Abhidhamma-teksten, en die geschreven werd ergens in de vijfde eeuw, dan kan het schrijven van de Lanka niet eerder aangevangen zijn dan ca. de zesde eeuw. Echter, successieve auteurs richtten hun pijlen in bijna ieder tekstgedeelte op een begrip als "onderscheiden" In de achtste eeuw CJ kende het Hinduisme een geleerde met de naam Sankara (klemtoon op de eerste lettergreep). Hij was de stichter van de Advaita-Vedanta. Sankara ontwikkelde zijn theorieen met als doel het Yogacara-boeddhisme, de Enkel-Bewustzijn-leer, te ontkrachten. Een van zijn belangrijkste stellingen was dat onderscheiden, of onderscheid-aanleggen, nodig was om zo te zien wat zelf en niet-zelf was. Hij hanteerde deze methode om het kleine zelf tot nul te reduceren teneinde tot een herkennen van het absolute Zelf te komen. Wanneer de Lanka een ontal malen herhaalt dat onderscheiden, of onderscheid-aanleggen dualistisch is, en dus af te wijzen, dan hebben we hier wellicht te maken met een reaktie op de Advaita-Vedanta van Sankara, alhoewel noch zijn naam, noch zijn leer worden genoemd. Niettemin, zouden we Lanka's aandacht voor een juist begrijpen van niet-twee, van niet-dualiteit, van het verkeerd zijn van onderscheid-aanleggen mogen duiden als een reactie op Sankara, dan is ook de Lanka, in zijn geheel, niet ouder dan de achtste eeuw. Daar moet dan onmiddellijk aan toegevoegd worden dat het omgekeerde evenzeer het geval kan zijn geweest. Waar de vier overige door de Lanka afgewezen filosofieen eveneens bedoeld waren als tegenkracht tegen Boeddhisme, maar niet of slechts ten dele effectief waren, kan Sankara het verschijnen van de Lanka aangegrepen hebben om een nieuwe, massieve tegenbeweging op gang te brengen.

HET HOOFDTHEMA

Al in het eerste hoofdstuk wordt meer dan duidelijk dat zicht krijgen op de betekenis van "het tweevoudige niet-zelf" het hoofdmotief is van de Lanka. We spreken dan over die ervaringswijsheid die zegt dat noch in het wezen, noch in de overige fenomenen een "ens", een "-heid" te vinden is. Deze kennis wordt uitgebreid besproken en de lezer moet proberen hier een diep en intuitief begrip van te krijgen. Voorts wordt doorheen de tekst duidelijk dat hier, als elders, een volgen van de Middenweg zeer nadrukkelijk wordt voorgestaan. Dit aspect van de Middenweg wordt in de Eerste Leerrede aan de orde gesteld en kan omschreven worden met "het midden houden tussen de mening die zegt dat alles voor eeuwig bestaat, en de mening die stelt dat niets bestaat, of, dat niets na het uiteenvallen van het wezen of fenomeen voortduurt. Pas in het derde hoofdstuk, in vers 114, zie we een referentie naar sunyata, ledigheid, als een verwoording van zowel niet-zelf als van Afhankelijk, Voorwaardelijk Ontstaan (pratitya samutpada). Echter, het derde hoofdstuk is wel zeker een latere toevoeging. We vinden overigens een voorbeeld van deze uitgebreidere interpretatie van niet-zelf (anatta) ook in de veel vroegere Avatamsaka- of Bloemenkrans-soetra (ca. 1e-2e eeuw), een tekst waar de successieve auteurs van de Lanka op veel plaatsen op gesteund hebben. In die Bloemenkrans-soetra vinden we het boek "Verhelderende Methode". Daar staat: "Het definitieve kenmerk der dingen is dat ze impermanent zijn, passieloos, en zelfloos." Het woord impermanent verwijst dan naar Afhankelijk, Voorwaardelijk Ontstaan. Dat de boeddhistische leer over niet-zelf, in enge, op de persoon gerichte zin weerklank vond in het westerse denken toont een van de 20e eeuwse existentialistische filosofen, Simone de Beauvoir: "Wij zijn het wezen waarvan het wezen is geen wezen te hebben." Meer over het derde hoofdstuk op de bestemde plaats.

MANJUSHRI EN SAMANTABHADRA

Tussen de Lanka en de Avatamsaka soetra bestaat meer dan een overeenkomst; ze zullen in de noten ter sprake komen. Een structurele overeenkomst is dat zowel de Avatamsaka als de Lanka beide grote bodhisattvas opvoeren - met een verschil: in de Avatamsaka zijn beiden de interlocuteurs van Boeddha, in de Lanka vervult alleen Manjushri, hier Mahamati genaamd, die functie. Echter, de Lanka verwijst uitgebreid naar de praktijk van de ander, naar de tien grote geloften van Samantabhadra. Beide grote bodhisattvas zijn attendanten van een Boeddha, soms is dat Shakyamuni Boeddha, maar meestal is het de Oorspronkelijke Boeddha, of Dharmata-Boeddha, of hier nu de naam Vairocana of een andere aan gegeven mag worden.

Historische context

In de ontstaanstijd van dit canonieke geschrift waren er een aantal indiase filosofische systemen, zoals de Sankhya, maar zeker de Advaita Vedanta met het specifieke doel de Boeddha-Dharma ofwel te incorporeren in het eigen systeem, ofwel te bestrijden. Wat we in beide divisies van de Lanka zien is een gerichte poging hier het hoofd aan te bieden. Men zou vandaag kunnen denken dat deze discussie, die, globaal, tussen de zesde en de achtste eeuw plaatsvond, nu geen relevantie meer heeft. Ze heeft er echter toe geleid dat respectieve Enkel-Bewustzijn-representanten zich genoopt voelden om heel precies, in groot detail, op te tekenen wat dit aspect van de Boeddha-Dharma dan wel was. 

Wat tussen de debatten door over de Enkel-Bewustzijnsleer wordt gezegd is vandaag nog net zo relevant is als toen - zeker wanneer we kijken naar het materialisme van een Lokayata-trend - geen transcendentie, maar wel een zelf - die tegenwoordig in het Westen door velen herkend zal worden.

DE GELEERDEN

India is een van die landen waar debatteren over religie en filosofie heel gewoon is. Voor dat deel van de bevolking dat aandacht kan schenken aan religie en spirituele bevrijding, over het algemeen in de vorm van bevrijding uit de kringloop van leven en dood, is het nog steeds levensbelangrijk de juiste levensvisie te ontwikkelen, danwel aan te hangen. Immers, eenmaal de juiste visie op leven en wereld ontdekt zijn lijden en dood ontkracht.

De Lanka gaat uitgebreid in op de stellingen der Nyaya, Sankhya, Vaishesika, die met name genoemd worden, en, in het derde hoofdstuk, de Lokayata, eveneens genoemd.

Waar de liefde van de auteur der eerste twee hoofdstukken lag is overduidelijk. Hier sprak een door-en-door Vijanavadin, iemand die de Enkel-Bewustzijn-leer vertegenwoordt. Vijnanavada wordt ook wel Yogacara (liefde voor de meditatieve praktijk) genoemd, of valt daar op een gegeven moment mee samen. (De Yogacara was overigens de eerste die China bereikte, nog voor de Perfectie-van-Wijsheid-geschriften.) In het Nederlands noemen we dit conglomeraat van Vijnanavada en Yogacara "Enkel-Bewustzijn." Lanka's successieve auteurs, allemaal tot deze stroming behorend, moeten immense waardering hebben gehad voor de geleerde vijfde-eeuwse monniken Asanga en Vasubhandhu. Asanga werkte de Yogacara-Vijnanavada-filosofie verder uit, en Vasubhandhu, de samensteller van de eerder-genoemde Mahayana-Abhidharma, voegde zich bij hem.

Hoofdstukken 1& 2

De auteur van hoofdstukken Een en Twee nam als eerste de toen in zwang zijnde Nyaya-filosofie onder handen. Nyaya (logica) was een systeem dat bevrijding trachtte te bewerkstelligen door het direct ervaarbare als enige bron van analyse te nemen. Het is tegen de achtergrond van de Nyaya-filosofie dat de Lanka voortdurend herhaalt dat datgene dat we menen waar te nemen niet alles is, dat we er de juiste wijsheid op moeten toepassen, dat het illusoir is, kortom, dat wat de vijf zintuigen als waar zien onbetrouwbare gegevens zijn. Vers 37 uit het derde hoofdstuk zet dat kernachtig neer: "Omdat alle dingen onwerkelijk zijn is er noch bezoedeling, noch zuiverheid. Dingen zijn niet wat ze lijken, noch zijn ze anders."Niettemin, zegt de geinspireerde, is het direct ervaarbare onontbeerlijk om een juiste balans te vinden tussen aan de ene kant het materialisme of realisme zoals dat van de Nyaya, en aan de andere kant een geesteshouding die letterlijk oplost in het grote niets.

Overige filosofische stromingen die in deze Soetra uitgebreid aan bod komen, vinden we doorheen, maar specifiek genoemd tegen het eind van hoofdstuk Twee (vers 174): die van de Sankhya en de Vaishesika.

De Sankhya-filosofie zegt bijvoorbeeld dat ontstaan er is als gevolg van onwetendheid (karika 66 uit de Sankhyakarika). Dit zegt de Boeddha-Dharma ook; echter, pas wanneer we verder analyseren naar begrippen als "ontstaan" en "onwetendheid" ontdekken we fundamentele verschillen. Met het begrip Prakriti dat we tegenkomen voorbij de helft van hoofdstuk Twee duidt de auteur ongetwijfeld eveneens op een van de concepten van de Sankhya. In die leer betekent Prakriti datgene dat overblijft wanneer lichaam en ego zijn verdwenen. Ook hier valt een parallel waar te nemen met Boeddhisme, en ook hier moeten we dieper duiken in de betekenis van de woorden om er achter te komen wat er in deze en gene Leer mee bedoeld wordt. We vinden voorts in datzelfde Sankhya-systeem concepten als Nirmanakaya: in Sankhya de illusoire gestalte van de Wijze, in Mahayana-Boeddhisme een van de drie Boeddhagestalten. En wanneer Lanka's auteur spreekt over "de principes", heeft hij het over de Sankhya-filosofie waarin het bestaande werd beschreven aan de hand van zo'n 25 principes, tattvas.

Omvangrijke kritiek had Lanka's auteur op de filosofie van de Vaishesika. Wanneer de Lanka spreekt over categorieeen als substantie, kwaliteit ( guna ), en individualiteit (of particulariteit) versus algemeenheid, dan spreekt hij over de Vaishesika- filosofie; wanneer hij keer op keer ingaat op concepten als "zijn" en "bestaan", heeft hij het over het Vaishesika-systeem, en hetzelfde geldt wanneer hij spreekt over tegengestelden als "eeuwigheid" en "niet- eeuwigheid", "gelijktijdigheid" en "niet-gelijktijdigheid". Het is heel wel mogelijk dat de in zen gebruikte "zeven paren van tegengestelden" ontstonden uit de discussie, om het mild te zeggen, tussen Boeddhisme en Vaishesika. En wanneer Lanka's auteur de syllogismen der geleerden afwijst, wijst hij de Vaishesika af.

Meer over Indiase filosofie

BIJ HET DERDE HOOFDSTUK

Eerder werd al opgemerkt dat het mogelijk is dat hoofdstuk Drie een latere toevoeging is. De stijl ervan is vloeiender en helderder dan die van hoofdstukken Een en Twee, en, waar hoofdstuk Twee de refutatie van een drietal andere filosofisch-religieuze stromingen bevat, komt pas in hoofdstuk Drie een vierde, de Lokayata-traditie ter sprake.

De (Carvaka-) Lokayata was een atheistische, niet-boeddhistische stroming die zich, als de Nyaya, uitsluitend bezig hield met de ervaarbare wereld, en die bovendien stelde dat de dingen in die ervaarbare, externe wereld zelf-aard bezitten. Vandaag is de studie van wat de Lokayata voorstond een must aan een aantal boeddhistische hogescholen in Azie. Het is duidelijk dat de "rationalistische", enkel-en-alleen-deze-wereld-en-dit-leven gerichtheid van Lokayata terecht gezien wordt als een afwijken van de Middenweg die Boeddha predikte.

Vanaf dat punt, met de visie der Lokayata in gedachten, worden in hoofdstuk Drie een aantal themas uit de eerste hoofdstukken opnieuw behandeld, en komen we bijvoorbeeld ook de naam van de Hindu-god Vishnu tegen.

In dit zelfde hoofdstuk komen Hindu-stromingen ter sprake die niet eerder in de voorgaande hoofdstukken werden genoemd. Zo is er een anecdote rond een aanhanger der Hindu-god Narayana, op een zodanige wijze verwoord dat met zekerheid gesteld kan worden dat dit fragment niet eerder dan de elfde eeuw kan zijn ontstaan, en er is bovendien een tekst waarin het begrip Maya (illusie) op zodanige wijze wordt behandeld dat slechts geconcludeerd kan worden dat hier sprake is van de Saiva-Siddhanta-leer uit het zuiden.

NIHILISME

Vaak wordt aangenomen dat Enkel-Bewustzijn nihilistisch is, dat het al het bestaande ontkent. Tussen neus en lippen door zet vers 47 in dit derde hoofdstuk deze zaak recht: " Je verbeelden dat dingen niet bestaan is karakteristiek voor gehechtheid; is de waarheid hiervan eenmaal tot je doorgedrongen dan is het net van gehechtheden verwijderd. " Duidelijker kan toch niet gemaakt worden dat Yogacara-boeddhisme geen nihilisme is.

BIJ HET VIERDE HOOFDSTUK

Hoewel in hoofdstuk Drie reeds enkele bronnen van zen aan het daglicht kwamen, is het waarschijnlijk hoofdstuk Vier met zijn punt-voor-punt behandeling van een serie onderwerpen dat de Lanka de roep heeft bezorgd een van de belangrijkste basisteksten voor de zen-praktijk te zijn. Weliswaar wordt hier nog steeds verklaard dat de geleerden, resp. de geleerde religieuze praktikanten uit niet-boeddhistische stromingen het bij het verkeerde eind hebben, maar de hitte van het debat met deze stromingen is er af. Aangenomen moet worden dat grote delen van dit stuk uit de pen der chinese meesters kwamen.

Dan zijn er, terwijl toch al in hoofdstuk Twee definitieve woorden werden gewijd aan dit onderwerp, in hoofdstuk Vier tekstgedeelten die verder gaan met een poging de Tathagatagarbha-filosofie te verenigen met die van de Enke-Bewustzijn-leer.

Voorts zijn er, naast al eerder voorkomende verhandelingen over de onvernietigbaarheid van de Dharmakaya, en over het momentaan zijn van alle dingen, opnieuw passages over deze onderwerpen - uiterst inspirerend voor al diegenen die de meditatiemat als hun werkplaats beschouwen. Het is mogelijk dat de Dharmakaya-leer, vanaf het moment dat de Lanka bekendheid kreeg in China, extra aandacht ontving onder invloed van de daar beleden Taoistische filosofie.

Hoofdstuk Vier bevat voorts een passage over vegetarisme, overwegingen die in latere sets Bodhisattva-geloften zouden worden geintegreerd; dit tekstgedeelte is ongetwijfeld eveneens een latere chinese toevoeging.

Er is overwogen de laatste tekst uit dit hoofdstuk, nl. de dharani niet op te nemen daar dharani geen functie en werking hebben wanneer ze niet op de juiste wijze worden uitgesproken. Aangezien echter maar zo weinig Mahayana-teksten in het Nederlands zijn overgezet, is het niettemin toegevoegd.