LANKAVATARA SOETRA

De Afdaling op Lanka

Hoofdstuk 3: Over Vergankelijkheid


Tekst 54

Nu opnieuw sprak Mahamati, die Boeddha's bovennatuurlijke krachten had verkregen. Hij zei: Er is niets waarmee de Boeddha's leer over het ongeborene en het niet-vergane zich onderscheidt (van andere denksystemen). Waarom niet? Omdat, Gezegende, ook de geleerden verklaren dat hun respectieve Oorzaak ongeboren is en onvernietigbaar. En ook u, Gezegende, zegt dat Volkomen Uitdoving (apratisamkhyanirodha) en Nirvana ongeboren zijn, en onvernietigbaar. Gezegende, de geleerden verklaren dat de wereld verrijst uit zowel een veroorzaker als uit het veroorzaken, terwijl ook de Gezegende verklaart dat de wereld verrijst uit onwetendheid, gehechtheid, handelen, en onderscheid-aanleggen die opereren volgens de wetten der oorzakelijkheid. Beide (de geleerden en de Gezegende) spreken derhalve over oorzakelijkheid, ook al gebruiken ze verschillende woorden.

Derhalve, wanneer er sprake is van verrijzen van externe fenomenen hebben u en de geleerden het over externe oorzakelijkheid. Daarom, Gezegende, is er tussen uw leer en die der geleerden geen verschil. (Er zijn er voorts die zeggen dat) negen substanties beschouwd moeten worden als ongeboren en onvernietigbaar: atomen, het hoogste ding of de hoogste persoon (pradhana), Isvara, Prajapati (de Schepper), en zo verder. En u, Gezegende, zegt dat alle fenomenen noch geboren, noch vernietigbaar zijn omdat er over hun zijn of niet-zijn niets gezegd kan worden. (Ik begrijp dat,) waar de elementen niet vernietigd kunnen worden, hun zelf-aard noch geboren, noch vernietigbaar is, maar dat, terwijl ze diverse stadia van transformatie doorlopen, dat wat hun essentieele aard uitmaakt niet verloren gaat. Gezegende, hoewel uw opvatting over de elementen in vorm mag afwijken, het is een verbeeldde, zowel door u als door de geleerden; daarom is er in uw leer niets dat afwijkt (van die der geleerden). Als er iets is waarin de Tathagata's leer afwijkt van die der geleerden, en er boven uit rijst, vertelt u mij dat dan alstublieft. Gezegende, als uw leer op geen enkel punt afwijkt, dan kunnen we zeggen dat er een zekere mate van Boeddhaschap is in de leer der geleerden, want in hun leer is er een oorzaak die het ongeboren en onvernietigbare aanduidt. De Gezegende heeft gezegd dat vele Tathagatas niet gelijktijdig en in hetzelfde deel van de wereld geboren worden, maar als de wet van oorzaak en gevolg correct is waar het zijn en niet-zijn aangaat, en wanneer uw doctrine onweerlegbaar is, dan moeten er vele Tathagatas zijn (die gelijktijdig en in hetzelfde deel van de wereld geboren worden).

De Gezegende antwoordde: Mahamati, wat ik te zeggen heb over het ongeborene en het niet vernietgbare is niet te vergelijken met wat de geleerden zeggen wanneer ze hetzelfde onderwerp behandelen. Noch lijkt het op hun doctrine over geboorte en vergankelijkheid. Waarom is dat zo? Omdat datgene waaraan de geleerden de karakteristieken van niet-geboorte en onveranderlijkheid verlenen de zelf-aard van alle dingen is; echter, mijn leer valt niet in de dualistische visie over zijn en niet-zijn. Mijn leer, Mahamati, gaat voorbij het dualisme van zijn en niet-zijn; ze heeft niets te maken met geboorte, verblijven, en vernietigen, ze is bestaand noch niet-bestaand. Wat bedoel ik met niet-bestaand? Het betekent dat de veelheid aan fenomenen gezien moet worden als Maya-gelijk, als dromen; ik zeg (daarom) dat het niet niet-bestaand is. Waarom is dat alles niet bestaand? Omdat er geen karakteristieke kenmerken waar te nemen vallen als behorend tot de zelf-aard der fenomenen; die fenomenen worden gezien (als relatief bestaand) en (tegelijkertijd) niet-gezien (want niet-bestaand in ultieme zin). Daarom zeg ik dat fenomenen bestaan en niet-bestaan.

Maar wanneer er het begrip is dat alles in de wereld in en uit bewustzijn zelve is, dan verrijst er geen onderscheid-aanleggen meer, en is men op die manier gevestigd in een eigen verblijfplaats: de verblijfplaats van niet-handelen. De onwetenden handelen en onderscheiden (discursiveren); de wijzen doen dat niet. Mahamati (de onwetenden) onderscheiden onwerkelijkheden, verwarde onwerkelijkheden: de (niet bestaande hemelse) steden der Gandharvas, of door illusie geschapen figuren. Mahamati, het volgende ter illustratie: Er is de stad van de Gandharvas waarin (aardse) kinderen voorgetoverde mensen zien; ze zien kooplui en vele andere mensen die de stad binnengaan en er weer uit komen, en ze denken dat dit allemaal echte mensen zijn. Alleen omdat ze zich dit verbeelden, verward verbeelden, zien ze dergelijke dingen. Mahamati, zo hebben ook de onwetenden een verwarde perceptie over geboorte en niet-geboorte. In werkelijkheid is er niets gemaakt of niet-gemaakt, is alles als het ontstaan van voorgetoverde mensen die geboren noch vernietigd zijn, want hier is geen sprake van bestaan of niet-bestaan. Zo heeft geen fenomeen betrekking op geboren worden of vernietiging, maar de onwetenden koesteren verkeerde ideeen en stellen zich ontstaan en vergaan van fenomenen voor. Echter, dat is niet zoals de wijzen het zien. Met "verkeerde ideeen" bedoel ik dat fenomenen niet worden beoordeeld zoals ze in zichzelf zijn. Ze zijn niets anders (dan Zo). Wanneer het waarnemen iets anders ziet dan Zoheid, dan is er gehechtheid aan het idee dat alle fenomenen zelf-aard bezitten, dan wordt dat wat Solitair (vivikta) is niet waargenomen, en wanneer het Solitaire niet wordt waargenomen is er (voor het meditatieve oog) geen verdwijnen van onderscheid-aanleggen. Het is daarom, Mahamati, dat inzicht in vormloosheid boven alles gaat; inzicht in vorm doet dat niet, want vorm is de oorzaak van (weder)geboorte, daarom gaat het niet boven alles. Mahamati, vormloosheid is het verdwijnen van onderscheid-aanleggen (of, nadat onderscheid-aanleggen verdwenen is blijft (de meditatieve staat van) vormloosheid over).

Mahamati, (het woord) nirvana staat voor het schouwen in de sfeer van de werkelijkheid zoals ze is. En wanneer er, samen met de revolutie in het gehele mentale systeem (citta-caitta-kalapa) de Tathagata's zelf-realisatie werkelijkheid is geworden - dankzij de inzet van nobele wijsheid -, dan noem ik dat nirvana.

Er wordt gezegd:
86. Teneinde (het concept)geboorte te verwijderen en (het concept van) niet-geboorte te bereiken, onderwijs ik dat er niet-oorzakelijkheid is. Echter, de onwetenden begrijpen dit niet.

87. Al dit is ongeboren, maar dat betekent niet dat er geen fenomenen zijn; ze moeten gezien worden als waren ze de (hemelse) stad der Gandharvas, een droom, of illusiegelijk. Er zijn fenomenen, maar (de term) oorzakelijkheid is niet van toepassing.

88. (Vraag:) Vertel me over het ongeborene, dat wat geen zelf-aard bezit, dat wat ledig (sunyata) is. (Antwoord:) Worden dingen in wijsheid gezien dan is "samenstellen" er niet op van toepassing. Daarom zeg ik dat ze ledig zijn, ongeboren, en zonder zelf-aard.

89. Men denkt dat er een samenkomen (van samenstellende onderdelen) is; de wereld lijkt te bestaan, maar in werkelijkheid is bestaan (een woord dat) niet toepasbaar (is). Zoals de geleerden het zien is het niet; is samenstellen opgehouden, dan valt er niets meer waar te nemen (waarvan gezegd kan worden dat het zelf, substantie bezit).

90. Als een droom, een haarnet, Maya, de stad der Gandharvas en een luchtspiegeling die oorzaaksloos aan ons verschijnen, zo zijn de vele dingen op de aarde.

91. Het ongeboren-zijn is aantoonbaar, wordt dit (aspect van de Boeddha- Dharma) uiteengezet, dan is er geen eind aan mijn Dharma-oog. Verklaart iemand oorzaaksloosheid dan zijn de geleerden (die afhankelijk, voorwaardelijk ontstaan niet kennen) ontzet.

92. (Mahamati:) Hoe verschijnt de theorie over oorzaaksloosheid? Wie verklaart ze, en waar, en waarom?
(De Gezegende:) Wanneer de samengestelde dingen (samskrta) worden gezien als noch onderhevig, noch ontstegen aan oorzakelijkheid, dan is de geleerden's opinie over ontstaan en vergaan terzijde gesteld.

93. (Mahamati:) Is niet-zijn het ongeborene of heeft niet-zijn oorzakelijkheid nodig (om er ueberhaupt over te kunnen spreken)? Of is niet-zijn de naam van een zijnde dat werkelijkheid ontbeert? Vertelt u mij dit alstublieft.

94. (De Gezegende:) Niet-zijn is niet het ongeborene; het kan het ook stellen zonder oorzakelijkheid; het is niet een naam voor iets, noch is het een naam van iets dat werkelijkheid ontbeert.

95. Hier is een werkelijkheid die noch behoort tot de Toehoorders, noch tot de Zelf-Verlichtten, noch tot de geleerden. Noch behoort die werkelijkheid de Bodhisattvas toe die zich (nog) in het zevende stadium bevinden. Dit is karakteristiek voor het ongeborene.

96. Ik zeg dat dit het ongeborene is: (1) het opzij zetten van opinies over oorzaak en conditie, (2) het opgeven van de idee over iets dat veroorzaakt, (3) het vestigen van Enkel-Bewustzijn.

97. Ik zeg dat dit het ongeborene is: (1) het verwijderen van (het idee over) oorzakelijkheid, (2) het verwijderen van zowel het verbeeldde als het verbeelden, (3) bevrijd zijn van de tegengestelden van zijn en niet-zijn.

98. Ik zeg dat dit het ongeborene is: (1) de geest bevrijd van de wereld- van-objecten, (2) het vrij zijn van de twee (eerste) svabhavas, (3) een revolutie aan de basis van het bewustzijn.

99. Geen extern (buiten het bewustzijn) bestaan, geen niet-bestaan, zelfs niet het grijpen van de geest; een droom, een haarnet, Maya, de stad der Gandharvas, een luchtspiegeling, het achterlaten van alle filosofische opinies - dit karakteriseert het ongeborene.

100. Zo moeten ook deze (volgende) woorden begrepen worden: ledigheid, zonder zelf-aard zijn. Echter, ledigheid is niet ledig in de zin dat er iets ontbreekt, nee, ledigheid is het ongeborene (het zelf- of ensloze).

101. Een systeem (of samengestelde) kan verrijzen of verdwijnen als gevolg van oorzakelijkheid; waar er een uiteenvallen van een systeem (of samengestelde) is, daar is noch geboorte (verrijzen), noch verdwijnen (vernietigen).

102. Wanneer er temidden van zo'n systeem een (van de samenstellende delen) uiteenvalt, dan, volgens de geleerden, houdt zo'n bestaan, dat gekend wordt als eenheid of afgezonderdheid, op (te bestaan).

103. (Maar) niets is ontstaan, zijn is niet, niet-zijn is niet; nergens kun je iets vinden dat zowel zijn als niet-zijn is; alleen wanneer er een systeem is, verrijzen dingen en vallen ze uiteen.

104. Alleen wanneer het nodig is om binnen het kader van relatieve waarheid te spreken, heb ik het over een keten van onderlinge afhankelijkheid; het is nodeloos te spreken over (weder)geboorte (of ontstaan) wanneer die keten doorbroken is.

105. Daar niets als aanjager gekend kan worden is er het ongeborene, vrij van de vergissingen die de geleerden daaromtrent maken. Ik spreek hierover wanneer ik mij moet begeven in de sfeer van relatieve waarheid, alleen dan heb ik het over een sequentie, en dit is iets dat de onwetenden niet begrijpen.

106. Als er al ergens iets ontstaan is buiten die sequentie (buiten die keten van voorwaardelijk ontstaan), dan is er hier een (d.w.z. ikzelf) die je mag beschouwen als een advokaat van niet-oorzakelijkheid, want hij (ik, Boeddha,) vernietigt die sequentie (maakt een einde aan wedergeboren worden).

107. Als zo'n sequentie werkt als een lamp die alle dingen aan het daglicht brengt, dan betekent dat, dat er zich iets (een aanjager) buiten die sequentie bevindt.

108. Geen fenomeen heeft zelf-aard, dingen zijn ongeboren, en naar hun ware aard zijn ze als de lege lucht; dingen die zich buiten de keten zouden bevinden, dat is de verbeelding der onwetenden.

109. Er is een andere vorm van het ongeborene: de zelf-essentie der fenomenen zoals de wijzen dat realiseren; ontstaan ervan is niet-ontstaan, en in dit niet-ontstaan ligt de herkenning (van verlichting).

110. Wordt deze hele wereld gezien als een sequentie, en niets dan een sequentie, dan verblijft de geest in ruste.

111. Onwetendheid, begeerte, karma (handelen) en dergelijke vormen de innerlijke schakels; een lepel, klei, een pot, een wiel, of zaden, de elementen en dergelijke, dat zijn de uiterlijke schakels.

112. Als er enig ander bestaan is dat ontstaat uit zo'n aaneenschakeling, dan is dat niet in overeenstemming met de theorie over aaneenschakeling, dan worden de regels van juist filosoferen niet toegepast.

113. Indien een object tot ontstaan komt en niettemin niet bestaat, hoe, met behulp van welke oorzaakstheorie, kun je het dan herkennen? Dingen zijn er op basis van onderling afhankelijk ontstaan, dat is de reden voor de term afhankelijk, voorwaardelijk ontstaan (of oorzakelijkheid, maar dan gezien vanuit boeddhistisch perspectief).

114. Temperatuur, vocht, beweeglijkheid, vastheid (d.w.z. de vier elementen) - de onwetenden onderscheiden dergelijke zaken; er is een systeem van onderlinge relatie, geen ding bestaat op zichzelf, vandaar dat ik het begrip zelf-aard (ziel of substantie) ontken.

115. Een arts dient medicijn toe afhankelijk van de ziekte, hoewel er in principe (van genezen als zodanig) geen verschil is; het verschil is er afhankelijk van de varieteit aan ziekten.

116. Zo ook genees ik generaties wezens van hun lijdensvolle passies; ik geef ze mijn Dharma als medicijn, met inachtneming van de kracht van hun geest (d.w.z. van hun meer of minder koppig vasthouden aan verkeerde meningen).

117. Mijn Dharma is altijd gelijk, maar de passies en geestkracht in de wezens verschillen. Er is slechts Een Voertuig. Verheven is het Achtvoudige Pad.

Toelichting bij tekst 54


- Vierde alinea, de "verblijfplaats van niet-handelen." Eerder vroegen we ons af wat met "verblijfplaats" wordt bedoeld. Hier zien we dan dat dit woord staat voor een geestestoestand, of meditatieve sfeer.


Tekst 55