LANKAVATARA SOETRA

De Afdaling op Lanka

Hoofdstuk 3: Over Vergankelijkheid


Tekst 52

Opnieuw sprak Bodhisattva-mahasattva Mahamati en zei: Gezegende, Tathagata, Arhat, Volmaakt Verlichtte, vertelt u mij alstublieft over de zelf-aard van Boeddhaschap opdat wij Bodhisattva-mahasattvas een goed begrip verwerven van de Tathagata's zelf-aard, opdat zowel wij als anderen tot Ontwaken kunnen geraken.

De Gezegende zei: Mahamati, vraag wat je wilt, ik zal antwoorden.
Mahamati zei: Gezegende, moet ik de Tathagata, die Arhat is, en Volmaakt Verlicht, beschouwen als geschapen of ongeschapen, als een oorzaak of als een gevolg; kan hij omschreven worden of niet? Is hij een uitdrukking of dat wat uitdrukking geeft; is hij kennis of dat wat gekend moet worden? Verschilt de Gezegende van al deze uitdrukkingen of niet?

De Gezegende antwoordde: Zo je al dergelijke woorden zou kunnen gebruiken om de Tathagata, die Arhat is, en Volmaakt Verlicht, te omschrijven, dan moet gezegd worden dat hij noch geschapen, noch ongeschapen is, noch een oorzaak, noch een gevolg. Waarom is dat? Omdat je zo in de fout van dualistisch denken zou vervallen. Mahamati, ware de Tathagata iets gemaakts, dan zou hij impermanent zijn, in dat geval zou al het samengestelde(,dus impermanente,) Tathagata zijn, hetgeen iets is dat noch ik, noch de andere Tathagatas wensen. Ware de Tathagata iets niet-samengestelds, dan zouden, daar zijn essentie het Resultaat is, alle voorbereidingen (op Tathagataschap) zinloos zijn, ongeschapen, vergelijkbaar met hazehorens of het kind van een onvruchtbare vrouw. Mahamati, dat wat noch oorzaak, noch gevolg is, is noch een zijnde, noch een niet-zijnde, en dat wat noch een zijnde, noch een niet-zijnde is valt buiten het tetralemma. Mahamati, het tetralemma behoort de wereld toe. Dat wat buiten dat tetralemma valt is niet meer dan woorden, is als het kind van een onvruchtbare vrouw, want, Mahamati, zo'n kind bestaat alleen in woorden, en (zowel de omschrijving ervan als de gedachte er aan) valt buiten het tetralemma. En daar het er buiten staat weten de wijzen dat het onmeetbaar is. Zo moeten de wijzen alle omschrijvingen van Tathagata verstaan.

Ik heb verklaard dat alle dingen zelfloos zijn. Daarmee bedoel ik dat ze substantieloos zijn, vandaar: zelfloosheid (anatta). Wat ik (overigens ook) zeg is dat ieder ding zijn eigen individuele gestalte heeft, niet te vinden in een ander ding; een koe en een paard zijn niet hetzelfde. Mahamati, ik zeg dat de (ware) aard van een koe en een paard noch van elkaar verschillen, noch niet van elkaar verschillen, vandaar: noch zijn, noch niet-zijn. Echter, geen van hen is zonder individuele kenmerken, elk heeft zijn eigen karakter. Mahamati, zo is het met alle dingen, ze zijn niet zonder eigen individualiteit, ze zijn wat ze zijn, en dat is tegelijk de reden waarom de onwetenden en eenvoudigen van geest, gewend als ze zijn aan prapanca (obsessief onderscheiden), de betekenis van zelfloosheid niet vermogen te vatten; ze zijn inderdaad nog niet bevrijd van prapanca. En het is tegen deze achtergrond dat je mijn woorden over het sunyata (ledig), ongeboren, en zonder zelf-aard zijn van alle dingen moet begrijpen.

En nu zien we hoe de Tathagatas en de skandhas noch verschillend, noch niet-verschillend zijn. (Want) ware hij niet verschillend van de skandhas, dan zou hij, daar de skandhas een samengestelde, een composiet zijn, impermanent zijn (want composieten hebben de neiging uiteen te vallen). Zouden Tathagata en skandhas verschillend zijn, dan zouden het twee verschillende entiteiten zijn, zoals de os gescheiden kan worden van zijn horens. Waar ze dezelfde gestalte (nl. sunyata) hebben, zijn ze niet van elkaar verschillend, waar de een lang en de ander kort is (naar de maatstaven van het relatieve denken), zijn ze verschillend; zo zijn alle dingen. Daarom Mahamati, (mag je zeggen dat) de rechterhoren verschilt van de linker, en omgekeerd, (mag je zeggen:) de een is langer dan de ander. En hetzelfde geldt voor al die van elkaar te onderscheiden kleuren. Zo ook zijn de Tathagata en de skandhas noch verschillend, noch niet-verschillend.

Op dezelfde manier doorredenerend kun je zeggen dat de Tathagata noch verschilt, noch niet verschilt van bevrijding, (maar) het is geoorloofd hem te beschrijven in termen van bevrijding. Ware de Tathagata verschillend van bevrijding, dan zou hij als een fysiek, vormhebbend object zijn, dan zou hij impermanent (sterfelijk) zijn. Ware hij niet verschillend, dan zou er geen verschil waar te nemen zijn met dat wat de yogins behalen. Maar, Mahamati, het verschil (tussen Tathagata en de yogins) is waar te nemen. Om al deze redenen moet je zeggen: er is verschil, noch geen verschil.

En daarom zeg ik: kennis is noch verschillend noch niet-verschillend van het gekende. Mahamati, dat wat eeuwig noch niet-eeuwig is, oorzaak noch resultaat, resultaat-veroorzakend noch niet-resultaat-veroorzakend, het weten noch dat wat geweten kan worden, aangeduid noch dat wat aanduidt, skandhas noch verschillend van de skandhas, het tot uiting gebrachte noch dat wat tot uiting brengt, noch vereend in eenheid, noch in anderheid, in tweeheid, noch in niet-tweeheid - al dit is ver verwijderd van alle kwalificeren en kwantificeren. Dat wat ver verwijderd is van kwalificeren en kwantificeren is niet in woorden uit te drukken; dat wat niet in woorden uit te drukken is, is ongeboren; dat wat ongeboren is kan niet vergaan; dat wat niet vergaan kan is als lege lucht (ruimte), en, Mahamati, lege lucht is oorzaak noch gevolg. Dat wat oorzaak noch gevolg is, is niet-geconditioneerd. Dat wat niet geconditioneerd is gaat alle doelloze redeneren te boven; dat wat alle doelloze redeneren te boven gaat, is Tathagata. Mahamati, dit is de essentie van volmaakte verlichting; dit is de zelf-aard van Boeddhaschap - ver verwijderd van alle (in dualiteit opererende) zintuigen, van kwalificeren en kwantificeren.

Er wordt gezegd:
79. Dat wat vrij is van de zintuigen, van kwantificeren en kwalificeren is oorzaak noch gevolg; het is ver van zowel (relatieve) kennis als van dat wat gekend kan worden; het is ver van aanduiden en van dat wat aangeduid kan worden.

80. Want skandhas, voorwaardelijk ontstaan, en verlichting vallen (naar hun ware aard) door niemand waar te nemen; dat wat niemand kan waarnemen, - hoe kun je het aanduiden?

81. Dat (ongeconditioneerde) is gemaakt noch niet-gemaakt, oorzaak noch gevolg, skandhas noch niet-skandhas, noch iets anders dan deze (of soortgelijke) combinatie(s).

82. Het onderscheid-aanleggen is niet in staat het zijn ervan waar te nemen, doch er kan evenmin gezegd worden dat het niet bestaat; dat is de zelf-aard der dingen.

83. Spreek je over zijn, dan is er niet-zijn; spreek je over niet-zijn, dan is er zijn; daar niet-zijn niet vastgesteld kan worden, kan er ook niet over zijn gesproken worden.

84. Zij die slechts de woorden volgen, niet wetend wat bedoeld wordt met zelf-ziel en zelfloosheid, zijn ondergedompeld in dualisme; ze zijn verward en onvolmaakt, en leiden de onwetenden naar dezelfde verwarring en onvolmaaktheid.

85. Diegenen die mijn Dharma zien als vrij van alle bezoedelingen, die zien het goed, die brengen wereld-leiders (cakravartin) niet tot (morele) bezoedeling.

Tekst 53

Toelichting bij tekst 52

Dit tekstgedeelte is bedoeld voor diegenen die, doordrongen van de onbeschrijfbaarheid en van het illusiegelijk zijn van alle dingen, al te gemakkelijk zouden vervallen in een zombie-achtige geestestoestand waaruit alle waardering voor en vreugde in het relatieve leven zijn verdwenen. Het geneesmiddel daartegen wordt hier aangereikt: ook al zijn alle fenomenen substantieloos, en in die substantieloosheid identiek aan elkaar, ze manifesteren zich nog wel degelijk als van elkaar te onderscheiden individuele gestalten, elk met zijn eigen karakter, nut en waardigheid. Het zijn deze woorden waar meester Zhiyi (5e eeuw) groot belang aan is gaan hechten.

- Tetralemma in deze passage staat voor een filosofisch construct opbouwen op basis van enigerlei van de vier geledingen van het tetralemma - als zelfstandige propositie - hetgeen fout is.

- De alinea beginnend met: "Op dezelfde manier voortgaand ..."
" ... ware de Tathagata verschillend van bevrijding, ... zou hij impermanent (sterfelijk) zijn." De westerse boeddhistische wereld is over het algemeen opgevoed met de leer rond Shakyamuni Boeddha als sterfelijk wezen. Hij werd, zij het op wonderbaarlijke wijze geboren, en stierf zoals alle mensen doen. Mahayana gaat echter uit van Boeddhaschap als zodanig waar de individuele Boeddha, rondgaand over de aarde, een manifestatie van is; ook al valt het lichaam uiteen, Boeddhaschap blijft bestaan, en derhalve kan van Boeddha niet gezegd worden dat hij sterfelijk is, maar ook niet dat hij onsterfelijk is. Ook hier zien we weer hoe de Lanka de Avatamsaka soetra's hoofdthema weerspiegelt. Opnieuw een citaat uit Zangen vanuit Tushita: "Vorm is Boeddha niet, / noch is hij dat wat hoorbaar is. / Doch, niet zonder vorm en stem / kan Boeddha's groot Vermogen waargenomen worden."

Vers 83. Hier wordt de Nagarjuniaanse redeneertrant toegepast. In zijn Mulamadhyamakakarika, het hoofdstuk over Het Onderzoeken van Condities (MKV(P)p.85; MKV(V)p.29) zegt Nagarjuna (1e/2e eeuw) bijvoorbeeld:
"Wanneer dingen niet (beschouwd kunnen worden als) verrezen zijn(d), dan kun je ook niet spreken over ophouden (of verdwijnen). Spreek je (toch) over verdwijnen, wat zou daarvan dan wel de conditionerende factor kunnen zijn (anders dan dat wat verrezen is, hetgeen niet aantoonbaar is)! Daarom kun je ook niet spreken over een onmiddellijk onderliggende conditie."

Vers 85. Wereld-leiders, cakravartin. Dit vers toont aan dat Boeddhistisch meesters in het verleden, en soms vandaag, raadgevers van, laten we zeggen, regeringsleiders zijn geweest. Een cakravartin noemde zich een heerser die meende over de hele dan bekende wereld te regeren. Zo'n wereld strekte zich soms uit over wel heel de Ganges-vlakte, of heel Noord-Thailand, of heel Oost-Myanmar.

Tekst 53