LANKAVATARA SOETRA

De Afdaling op Lanka

Hoofdstuk 3: Over Vergankelijkheid


Tekst 49

Daarna zei Mahamati: de Gezegende heeft, nogmaals, gezegd dat het (ultieme) Weten onafhankelijk van enig ondersteunend fenomeen verkregen wordt; hij heeft gezegd dat wat men er ook over zegt, het niet meer is dan een gedachtenconstruct, en hij heeft gezegd dat, waneer dit gedachtenconstruct niet als een (tastbare of zelfs denkbare) werkelijkheid wordt opgevat, zowel het grijpen-naar als de grijper zelf ophouden, en hij heeft gezegd dat, zodra er dus geen grijpen-naar meer is, die vorm van kennis die gekend is onder de naam onderscheiden niet meer voortgaat te functioneren. Nu dan, Gezegende, (hoe komt het dat de allesoverstijgende kennis niet gevonden of aangeduid kan worden?) Kan het niet aangeduid worden omdat we de algemeenheid en individualiteit van dingen, hun veelvuldigheid, of hun eenheid niet herkennen? Of kan het niet aangeduid worden omdat (concepten als) individualiteit, algemeenheid, veelvuldigheid, en zelf-aard elkaar uitsluiten? Of kan het niet aangeduid worden omdat we ervan gescheiden zijn door dingen als muren, bergen, steen, een kasteelmuur, of aarde, wind, water, of vuur? Of slagen we er niet in die allesoverstijgende kennis als voorwerp van (her)kennen te bereiken omdat onze zintuigen te jong of te oud zijn, of omdat we blind zijn? Gezegende, zou de allesoverstijgende kennis niet aangeduid kunnen worden omdat we er niet in slagen er individualiteit, algemeenheid, eenheid, en veelheid in te ontdekken, dan, Gezegende, kan het geen allesoverstijgende kennis zijn, dan moet het niet-weten (ajnana) genoemd worden, want ondanks het feit dat de te kennen fenomenen zich aan ons zouden presenteren zouden we ze niet kennen. En ook, als allesoverstijgende kennis niet aangeduid kan worden vanwege het feit dat individualiteit, algemeenheid, veelvuldigheid, en zelf-aard elkaar uitsluiten, dan is (ook) dat niet-weten (ajnana). Gezegende, dit is niet (het) Weten. Gezegende, waar er ook maar iets is dat gekend kan worden, daar ontwikkelt zich het Weten; waar zoiets niet is, daar ontwikkelt het zich niet -- weten is uitsluitend mogelijk als er iets is dat voor weten in aanmerking komt. Nogmaals, als de allesoverstijgende kennis niet aangeduid kan worden omdat er die obstructies zijn, die muren, bergen, steen, die kasteelmuur, of aarde, wind, water, of vuur, of als er obstructie is in de vorm van afstand of te grote nabijheid, of omdat de zintuigen niet (volledig) ontwikkeld zijn - als in het geval van een kind, of wanneer er ouderdom of blindheid is, - dan is dat wat niet aangeduid kan worden niet het Weten, dan is het niet-weten, want het te kennen fenomeen is daar, maar ons kenvermogen is niet toereikend.

De Gezegende zei: (ik heb het hier) niet (over) niet-weten. Mahamati, dit (,waar ik het over heb,) is allesoverstijgende kennis, niet niet-weten. Ik zeg dit niet omdat er een verborgen lading onder zit, ik zeg dit omdat, wanneer het (ultieme) Weten onafhankelijk van enig ondersteunend fenomeen verkregen is, welke uitspraak we er ook over doen, die uitspraak niet meer is dan een gedachtenconstruct. Die allesoverstijgende kennis valt niet aan te duiden omdat we inzien dat niets in de wereld buiten het bewustzijn is en daardoor wordt waargenomen, en het valt niet aan te duiden omdat we inzien dat deze (zogenaamde) externe fenomenen waar predikaten als bestaan of niet-bestaan aan gehangen worden er (in ultieme zin) niet zijn. Daar dit niet aan te duidene de realiteit is, is er geen evolueren van het gekende of kennen zelf, en daar (op deze wijze) de drievoudige bevrijding is gerealiseerd, is er de (allesoverstijgende) kennis. Maar, onder invloed van het gewoontepatroon (vasana) van verkeerd redeneren over bestaan danwel niet-bestaan, (een proces) dat al aan de gang is vanaf de tijd zonder begin, zijn de logici niet in staat hier (de juiste) kennis van te hebben, en zonder die kennis te bezitten begeven ze zich (niettemin) in (discussies over) externe objecten, substanties, vormen, indicaties, bestaan en niet-bestaan. En niettegenstaande dat, (d.w.z. niettegenstaande die afwezigheid van juiste kennis) verklaren ze dat het tot stilstand komen van onderscheid-aanleggen Enkel-Bewustzijn is. Onderwijl stevig gehecht aan gedachten omtrent een ego, een zelf, een ziel, en alles wat daarmee samenhangt, zijn ze in werkelijkheid niet in staat te begrijpen wat Enkel-Bewustzijn bedoelt, en gaan ze voort met onderscheid aanleggen tussen kennen en dat wat gekend wordt. En omdat ze voortgaan het kennen en dat wat gekend wordt van elkaar te onderscheiden, denken ze in termen van bestaan en niet-bestaan, en (,mij nazeggend,) verklarend dat er niets valt aan te duiden, verblijven ze (niettemin, dankzij hun verkeerde inzichten) in de sfeer waarin de vernietigingsleer zijn geldigheid heeft.

Er wordt gezegd:
58. Als het weten er niet in slaagt de wereld-van-objecten te zien, die nochthans onder handbereik is, dan is er niet-weten, geen Weten; dan is er sprake van de leer der logici.

59. Als het weten er niet in slaagt, met of zonder nabije of verre obstructies, zijn eigen unieke object, dat zich overigens niet als object presenteert, te zien, dan is er verkeerd weten.

60. Als het weten er, vanwege slecht functionerende zintuigen als gevolg van jeugd (kindheid), de oude dag, en blindheid, niet in slaagt zijn eigen object, aanwezig en wel, te kennen, dan is (ook) dat verkeerd weten.

Mahamati, de onwetenden en eenvoudigen van geest dansen en springen maar in het rond met hun verkeerde redeneringen, domheden, en onderscheidingen-van-een-zelf; ze kunnen de waarheid van zelf- realisering en wat er met woorden over gezegd is niet begrijpen. Vastgeklonken aan de wereld-van-objecten die (overigens) in en uit bewustzijn zelve is, gooien ze zich op de (schriftelijk) vastgelegde leringen die (niet meer dan) een vlot en vaardig middel (upaya) zijn, en waaruit de waarheid van zelf-realisatie niet juist te peuren valt, (dat wil zeggen,) die waarheid die onbezoedeld is door (antwoorden te zoeken op) de viervoudige propositie (tetralemma).

Mahamati zei: Gezegende, het is zoals u zegt. Gezegende, vertelt u mij alstublieft over de karakteristieke kenmerken van de waarheid van zelf-realisatie, en vertelt u mij over de (vastgelegde) leringen daaromtrent. Wanneer u dat doet zullen wij, Bodhisattva-mahasattvas, in de toekomst, begrijpend waar ze over gaan, onszelf verre kunnen houden van valse profeten onder de logici, van de geleerden en al diegenen die zich in het Voertuig der Toehoorders en Zelf-Verlichtten bevinden.
De Gezegende zei: Mahamati, luister dan goed en overdenk wat ik ga zeggen.
Zeker, Gezegende, zei Bodhisattva-mahasattva Mahamati, en hij luisterde.

De Gezegende zei: Mahamati, er zijn twee manieren waarop in het verleden, heden, en de toekomst de waarheid, die behaald werd door de Tathagatas, die Arhat zijn, en Volmaakt Verlicht, verkondigd werd, wordt, en verkondigd zal worden. De opgetekende Leer tot zich nemen is een manier; het vestigen van zelf-realisatie is een andere. Mahamati, dit wordt bedoeld met bestudering van de toespraken: er is een varieteit aan canonieke teksten en opgetekende toespraken die behulpzaam zijn bij het onderwijzen der mensen, al naar gelang hun disposities en geneigdheden. En wat is de waarheid van zelf-realisatie die de yogin helpt zich af te wenden van onderscheiden van wat in en uit bewustzijn zelve wordt waargenomen? Daar is een verheven staat van innerlijk bereiken die niet meer terugvalt naar dualismen als eenheid en anderheid, tweeheid en niet-tweeheid, een staat die het Opslagbewustzijn, het denken, en het superviserende bewustzijn te boven gaat, die niets van doen heeft met logica, redeneren, theoretiseren, en illustreren; dit is een verheven staat die ondeskundige logici nooit gesmaakt hebben, noch de geleerden, Toehoorders en Zelf-Verlichtten die terug zijn gevallen naar (het rijk van) de dualistische visie op zijn en niet-zijn -- dit nu noem ik zelf-realisatie. Dit, Mahamati, is karakteristiek voor de waarheid van zelf-realisatie en het spreken daarover, en hierin dienen jullie Bodhisattva-mahasattvas je te bekwamen.

Er wordt gezegd:
61. Ik heb twee manieren om de waarheid te onderwijzen: zelf-realisatie en uiteenzetten. Voor de onwetenden zet ik (de Dharma) uiteen, en voor de yogin (onthul) ik de zelf-realisatie.

Toelichting bij tekst 49


Tekst 50