LANKAVATARA SOETRA

De Afdaling op Lanka

Hoofdstuk 3: Over Vergankelijkheid


Tekst 48

Toen sprak Mahamati weer: De Gezegende zegt dat de dingen die door het onderscheid-aanleggend bewustzijn in een grote varieteit worden waargenomen een zelf-aard (Substantie) ontberen; hij zegt dat er slechts 'de aard die maar verbeeld is' (parikalpita) is. Gezegende, als er slechts parikalpita is, en als niets in de wereld aantoonbaar een zelf-aard (Substantie) heeft, komt het er dan, afgaand op uw eigen verklaring, niet hier op neer dat er noch bezoedeling, noch zuiverheid is - want alle dingen zijn naar hun ware aard immers slechts parikalpita (de aard die maar verbeeld is)?

De Gezegende antwoordde: Mahamati, zo is het. Zelf-aard in de dingen is wat onwetenden en eenvoudigen van geest zich voorstellen, maar zoals zij het zich voorstellen is het niet. Mahamati, er slechts dat wat parikalpita voortovert; niets kan aangetoond worden als voorzien van zelf-aard. Echter, Mahamati, de wijzen, zij die Juiste Wijsheid hebben, Juist Inzicht, Juiste Alles Overstijgende Visie, bevestigen een zelf-aard in de fenomenen.

Daarop zei Mahamati: Gezegende, als er volgens de wijzen, volgens hen die Juiste Wijsheid, het Juiste Inzicht, en de Juiste Alles Overstijgende Visie hebben die het menselijke en het goddelijke oog te boven gaat, een zelf-aard in de fenomenen is, en als er (tegelijkertijd) geen zelf-aard is zoals de onwetenden en eenvoudigen van geest die onderscheiden, hoe zal het die laatsten dan mogelijk zijn hun onderscheid-aanleggen af te werpen - ze hebben immers geen enkele mogelijkheid het 'Fundament van Nobele Geboorte' (arya-bhava-vastu) te herkennen! Want, Gezegende, ze (d.w.z. hun manier van zien) staat noch op zijn kop, noch niet op zijn kop. Waarom is dat? (Ik zeg dat) Dat is omdat ze met geen mogelijkheid een inzicht kunnen verwerven in de ware aard van dat Fundament van Nobele Geboorte, want, immers, ze beschouwen het evolueren der dingen aan de hand van dat aspect van zijn en niet-zijn. En, Gezegende, dat Fundament kan niet iets zijn dat enkel de wijzen kunnen onderscheiden, want de ware aard (van dat Fundament) kan, in zichzelf, niet als object gekenschetst worden; immers, Gezegende, wat de wijzen zien als de zelf-aard van dat Fundament is (eveneens) niet meer dan een geestesgestalte waar ze predikaten oorzakelijkheid of niet-oorzakelijkheid aan hangen. Dat wil zeggen, ook zij (de wijzen) koesteren, op hun eigen manier, een notie over het bestaande (,compleet) met zelf-aard, en ze zullen ervan zeggen dat dit wel een heel andere sfeer betreft (dan die van de onwetenden). En zo begaan ze de fout van niet-eindigheid, want wat de zelf-aard van die realiteit (d.w.z. dat Fundament) uitmaakt kan onmogelijk gekend worden (en impliciet postuleren ze hiermee dus eeuwigheid). Gezegende, wat uit fantaseren ontstaat kan niet de zelf-aard van de realiteit (of het Fundament) zijn. Hoe is het mogelijk dat, terwijl van fenomenen wordt gezegd dat ze bestaan op grond van verbeelding, het tegelijkertijd mogelijk is dat ervan gezegd wordt dat ze niet zijn zoals ze worden verbeeld?

Gezegende, afhankelijk van de manier waarop verbeelding werkt kan de zelf-aard van de verbeeldde realiteit verschillen(d worden waargenomen), want wanneer de oorzaak (d.w.z. de manier waarop verschillende individuen naar de werkelijkheid kijken) niet identiek is, kan ook die gekoesterde werkelijkheid niet identiek zijn (d.w.z. niet door ieder individu identiek worden waargenomen). Gezegende, u zegt echter dat, alhoewel zowel in de wijze als in de onwetende het fantaseren voortgaat te evolueren, het alleen de laatsten zijn die niet in staat zijn de werkelijkheid te zien zoals ze is. En tegelijkertijd zegt u dat de reden voor de uitspraak dat dingen niet werkelijk zijn wat ze lijken te zijn er alleen maar is om er voor te zorgen dat alle wezens hun onderscheid-aanleggen afwerpen. Gezegende, is het dan niet zo dat u alle wezens, teneinde hen te bevrijden van noties over zijn en niet-zijn, op uw beurt aanleiding geeft een bestaansvisie te ontwikkelen waarin materieel, objectief bestaan aangenomen wordt wanneer u hen vertelt dat ze de zelf-aard van de realiteit (het Fundament) zouden moeten aannemen; brengt u hen er zo niet toe zich te hechten aan het Rijk van Nobele Wijsheid (terwijl hechten toch afgeworpen dient te worden)?

De Gezegende antwoordde: Mahamati, het is niet zo dat ik de waarheid van het Solitaire ontken, noch dat ik, door een leerstelling als die over de in-zichzelf-bestaande realiteit te verkondigen, terugval naar de 'Alles-is' leer. Echter, om alle wezen te bevrijden van angst, wezens die vanaf het begin zonder begin verslaafd zijn aan noties over zelf-aard, daarom zeg ik dat er de waarheid van het Solitaire is, en dat doe ik nadat ik hen met behulp van Nobele Wijsheid heb doen inzien dat de Werkelijkheid, in zijn zelf-aard, voorwerp van hechten is (terwijl hechten toch afgeworpen dient te worden). Mahamati, ik heb geen zelf-aard-doctrine. Maar, Mahamati, zij die in zichzelf de waarheid van het Solitaire hebben gerealiseerd, zoals het is, en die daarin verblijven, zij zullen zien dat (ook) verkeerd (denken) vormloos is. Weten ze, deze kennis hebbend, eenmaal dat al het waargenomene in en uit bewustzijn zelve is, dan weerhoudt die kennis hen ervan de wereld-van-objecten te bezien onder haar aspecten van zijn of niet-zijn. Dan zijn ze gepokt en gemazeld in (de kennis over) zoheid, die verkregen wordt nadat de drievoudige bevrijding (uit hebzucht, haat, en onwetendheid) er is; dan hebben ze, dankzij de wijsheid die ze in zichzelf hebben gerealiseerd een inzicht in de zelf-aard van alle dingen, en derhalve ontsnappen ze aan ideeen over de realiteit, ideeen die hen nergens anders zouden leiden dan naar ofwel de eeuwigheids-, ofwel de vernietigingsleer.

En verder, Mahamati, de stelling: "Alle dingen zijn ongeboren" wordt niet door de Bodhisattva-mahasattvas verdedigd - ze heeft geen geldigheid. Waarom is dat? Dat is omdat gezegd moet worden dat alles waar ook maar iets over vastgesteld wordt automatisch valt onder het hoofdstuk 'zijn'. Zo'n stelling wordt gekarakteriseerd en gekwalificeerd met (het concept) 'ontstaan'. Wanneer de Bodhisattva-mahasattvas dus zeggen dat alle dingen ongeboren zijn, dan vernietigt die uitspraak tegelijkertijd, en automatisch zichzelf (d.w.z. de werkelijkheid die ermee aangeduid wordt). De stelling 'alle dingen zijn ongeboren' staat tegenover die tegenovergestelde (:alle dingen zijn geboren), want zoiets (een dergelijke vaststelling) ontstaat uit het principe van tegenpolen. Zelfs waar, binnen de context van (het denken over) bestaan (als zodanig), deze stelling over niet-ontstaan zijn geldigheid heeft, dan is daarin nog geen plaats voor de gedachte 'niet-ontstaan', want de stelling dat alle dingen ongeboren zijn vindt zijn vernietiging in zijn afhankelijk zijn van de twee polen van een syllogisme. Mahamati, wat betreft de stelling over het niet-ontstaan van zijn en niet-zijn: die stelling moet, om geldigheid te hebben, binnen het kader van "bestaan" vallen - echter, geen voorkomen kan aangemerkt worden als zijnde bestaand danwel niet-bestaand. Mahamati, als je het niet-bestaan van alle dingen moet vaststellen met een stelling over niet-ontstaan, dan doet die poging niets anders dan de eigenste stelling vernietigen, daarom moet je hem niet aanhouden. Omdat gebruikmaken van syllogismen vele fouten voortbrengt, en omdat er door gebruikmaking van onderdelen van zo'n syllogisme een verwarde janboel aan redeneringen optreedt, daarom moet je die stelling niet aanhouden.

Zoals het is met (de stelling) "alle dingen zijn ongeboren", zo is het ook met "alle dingen zijn ledig en hebben geen zelf-aard". Bodhisattva-mahasattvas dienen geen van beide (stellingen) te verkondigen. In plaats daarvan, Mahamati, moeten Bodhisattva-mahasattvas er de nadruk op leggen dat dingen, naar hun zelf-aard, Maya-gelijk zijn, droomgelijk, want ze worden enerzijds (fysiek) waargenomen, en anderzijds ook weer niet, en zo worden alle dingen op twee manieren beschouwd, afhankelijk van de aanwezigheid van ofwel wijsheid, ofwel onwetendheid. Laat mij vaststellen dat alle dingen Maya-gelijk zijn, droomgelijk, behalve in de angstige geest der onwetenden. Mahamati, de onwetenden en eenvoudigen van geest zijn verslaafd aan opinies over zijn en niet-zijn; geconfronteerd (met de Boeddha-Dharma) bibberen ze al te gemakkelijk van angst. Mahamati, schrik ze niet af.

Er wordt gezegd:
48. Er zijn geen zelf-aard, gedachtenconstructen, werkelijkheid, of Opslagbewustzijn. Al deze zijn even zovele onderscheidingen in de geest der onwetenden die in logisch argumenteren net zo goed zijn als een lijk.

49. Alle dingen zijn ongeboren - dit zeggen de geleerden; (echter,) niets is ooit geboren, dingen zijn onderling afhankelijk en voorwaardelijk ontstaan.

50. "Alle dingen zijn ongeboren" - de alles overstijgende wijsheid maakt dergelijk onderscheid niet. Wanneer op basis van (de theorie van) oorzakelijkheid een conclusie wordt bereikt, dan is daar onjuist oordelen aan voorafgegaan.

51. Zoals mensen met staar een haarnet menen te zien, zo zien de onwetenden, als gevolg van onderscheid-aanleggen het bestaan (als ware het waar).

52. De drievoudige wereld is niet meer dan een gedachtenconstruct (prajnapti), de zelf-aard ervan bevat geen werkelijkheid. Op basis van deze gedachten-geconstrueerde werkelijkheid gaan logici voort met hun onderscheid-aanleggen.

53. Individuele (fysieke) vorm, realiteit, gedachten-constructen - dit zijn (slechts) mentale abberaties; mijn zonen zullen, dit alles overstijgend, daarheen hun schreden richten waar geen onderscheiden is.

54. Wanneer er een luchtspiegeling is wordt de gedachte aan water gekoesterd waar geen water is - althans, zo zien de onwetenden dat: de wijzen weten beter.

55. Het inzicht der wijzen die het rijk van zonder-beelden-zijn bewonen, is zuiver, geboren uit de drievoudige bevrijding, vrij van geboren worden (ontstaan) en vernietiging (vergaan).

56. (In die staat) waar alle dingen zijn weggevaagd is er voor de yogin zelfs geen zonder-beelden-zijn meer; wanneer bestaan en niet-bestaan eender (samata) zijn, wordt tot de wijze de vrucht (van zijn oefening in niet-dualiteit) geboren.

57. Hoe houdt bestaan op te bestaan? Hoe komt er (de staat van) hetzelfde zijn? Zolang er in de geest begrip ontbreekt, zolang is er turbulentie, binnenin, van buiten, en tussen deze twee. Is er eenmaal ophouden (nirodha) dan neemt de geest eenderheid waar.

Toelichting bij tekst 48


Tekst 49