LANKAVATARA SOETRA

De Afdaling op Lanka

Hoofdstuk 3: Over Vergankelijkheid

Tekst 44

Tekst 45

Toen stelde Bodhisattva-mahasattva de Gezegende opnieuw een vraag: Gezegende, Welgegane, Tahtagata, Arhat, Volmaakt Verlichtte, Beste van Allen, toon me alstublieft wat karakteristiek is aan de (opperste) realisatie opdat de andere Bodhisattva-mahasattvas en ikzelf grondig bekend raken met de betekenis ervan en we snel de verhevenste vorm van verlichting behalen, waarna we, onhafhankelijk van anderen, niet meer op drift raken door speculeren en filosoferen.

De Gezegende zei: Mahamati, luister dan goed en overdenk wat ik nu ga zeggen.
Bodhisattva-mahasattva Mahamati antwoordde: Dat zal ik zeker doen, en hij luisterde.
Daarop zei de Gezegende: Je kunt de realisatie die alle Toehoorders, Zelf-Verlichtten, en Bodhisattvas behaalden onderbrengen in twee categorieen: de realisering zelf, en de (er op van toepassing zijnde) leer. Mahamati, 'realisering zelf' verwijst naar dat innerlijke rijk waar die realisering plaatsvindt. Wat daar karakteristiek aan is, is dat het niets van doen heeft met woorden, onderscheid-aanleggen, en letters, dat het leidt naar het rijk van dat-wat-niet-meer-uitstroomt' (anasrava), dat het de staat is van een innerlijke ervaring, dat het volkomen ontdaan is van filosofische aannames als wel als van boosaardige verschijningen, en dat het, door filosofische aannames en boosaardige verschijningen te vernietigen, in zijn eigen licht staat, dat van die innerlijke realisering. Dit, Mahamati, zijn de karakteristieken van realisering.

Dan, Mahamati, wat bedoel ik met de (er op van toepassing zijnde) leer (d.w.z. de Dharma)? Die leer vind je doorheen de negen onderdelen waaruit de canon bestaat. Die leer is ver verwijderd van dualistische noties over bestaan en niet-bestaan, over eenheid en anderheid. En daar het begint met het toepassen van vlotte en vaardige middelen (upaya), leidt het alle wezen tot (een eerste) inzicht (in de Dharma), zodat eenieder die zich daar vervolgens toe aangetrokken voelt de op die persoon toegesneden instructies kan ontvangen. Daarom, Mahamati, moeten de Bodhisattva-mahasattvas en jijzelf je inspannen om dit zo te zien.

15. Realisering en Dharma, persoonlijk aan het doel geraken en instructies in de Dharma - zij die ogen hebben en de verschillen zien zullen niet door filosofische visies op een zijspoor gebracht kunnen worden.

16. In welk object dat de onwetende zich dan ook maar kan inbeelden, is enige waarheid (te ontdekken). Bevrijding is daar waar geen wereld- van-objecten is; hoe is het dan mogelijk dat dit niet wordt nagestreefd door hen die niet meer doen dan fantaseren!

17. De wereld der Samengestelden (samskrta) wordt gezien als een voortgaan van geboren-worden-en-dood; doorheen dat proces wordt de visie over dualiteit aangewakkerd, en vanwege deze foutieve instelling wordt (de Waarheid) niet gezien.

18. Er is maar een enkele waarheid: nirvana. Nirvana heeft niets van doen met het intellectualiseren (manas). De (als uit onderdelen bestaande) waargenomen wereld is gelijk een (holle) plataan; ze lijkt op een droom, op een visioen.

19. Daar is geen hebzucht, geen haat, en ook geen onwetendheid, en, nogmaals, daar is geen zelf. Met begeerte (trsna) als uitgangspunt ontstaan de skandhas: droomgelijk.

Toen stelde Bodhisattva-mahasattva Mahamati een andere vraag en zei: Gezegende, Welgegane, vertelt u mij over dat wat karakteristiek is aan de fout die bestaat in 'het veronderstellen dat er een aard is, hetgeen niet zo is' (abhutaparikalpa). Gezegende, vertelt u mij over het hoe, het wat, het waarom, en het wie van dit abhuta-parikalpa, dat, wanneer het eenmaal is ontstaan en voortgaat (als ware het een realiteit) datgene is dat gekend wordt onder die naam: abhuta-parikalpa. Ik bedoel, op wat voor soort gedachte kun je de term abhuta-parikalpa toepassen? Wat voor soort onderscheid-aanleggen moet fout genoemd worden?

De Gezegende zei: Mahamati, dat heb je goed gezegd, heel goed gezegd! Jij (die ik toestond mij vragen te stellen) denkt over deze zaak die het bevragen waard is voor het welzijn van velen, voor het welzijn en het geluk van velen, uit mededogen met de wereld, ten bate van de menigten, voor het welzijn en het geluk van zowel hemelingen als mensen. Daarom, Mahamati, luister goed en overdenk wat ik ga zeggen.
Mahamati zei: Zeker, Gezegende, en hij luisterde.

Toen zei de Gezegende: wanneer er een voorstellen van een menigte aan objecten is, hetgeen verkeerd is, en wanneer daar aan gehecht wordt, dan ontwikkelt het onderscheiden zich (als vanzelf). En, Mahamati omdat mensen uit alle macht hechten aan (het willen) vastgrijpen (en vasthouden), en omdat ze nog niet zeker zijn dat de wereld-van-objecten in en uit bewustzijn zelve is, en omdat ze (daarom naar een onheilzame staat) gevallen zijn waarin er sprake is van een dualistische visie over bestaan en niet-bestaan, en omdat ze (als het ware) gevoed worden door de gewoontepatronen die bestaan uit de inzichten en onderscheidingen der geleerden, daarom stellen ze zich een menigte aan buiten het bewustzijn bestaande objecten voor, en raken daar aan gehecht. En als gevolg wordt er een systeem van mentaal-actief zijn onderscheiden, dat wil zeggen, een bewustzijn en wat daartoe behoort, en zo wordt er over gesproken (als ware het reeel), en (samen) met de idee dat er een ego, een ziel is - plus wat daartoe behoort - functioneert dat systeem zo verder.

Mahamati bevestigde: zoals u zegt, Gezegende: wanneer er dit abhuta-parikalpa is met betrekking tot objecten die als buiten het bewustzijn worden voorgesteld, wanneer daaraan wordt gehecht, dan gaat 'het veronderstellen dat er een aard is, hetgeen niet zo is' (abhutaparikalpa) voort en voort. Dan vallen deze mensen in de dualistische visie over bestaan en niet- bestaan, dan koesteren ze de inzichten en onderscheidingen der filosofen, inzichten die gebaseerd zijn op grijpen en dat waarnaar gegrepen wordt (subject en object). En naarmate ze een menigte aan buiten het bewustzijn bestaande objecten waarnemen (als waren die reeel), en naarmate ze daar gehecht aan raken wordt een systeem van mentaal actief zijn - dat wil zeggen, bewustzijn en wat daartoe behoort - onderscheiden en wordt daar in dier voege over gesproken, en dat gaat zo voort vanwege het feit dat de externe wereld niet herkend wordt als in en uit bewustzijn zelve; en zo wordt aan die menigte dingen angstvallig vastgehouden, en wordt er van gezegd dat het bestaat, danwel niet-bestaat. Gezegende, gaan we hier van uit, dan moet gezegd worden dat de menigte aan buiten het bewustzijn veronderstelde objecten, gekarakteriseerd als ze zijn door het dualistische (idee van) bestaan danwel niet-bestaan, noch bestaat, noch niet-bestaat, en is een en ander derhalve niet geschikt als onderwerp voor filosofische gestalte-geving. Gezegende, net zo moeten we van de hoogste realiteit (paramartha satya) zeggen dat deze leeg is (in de zin zoals hiervoor gezegd), (moeten we zeggen) dat deze een proeve van echtheid niet kan doorstaan, dat (een poging tot) zintuiglijk waarnemen ervan niets oplevert, dat we er geen syllogistische argumenten op los kunnen laten, en dat het niet geschikt is voor redeneringen aan de hand van illustreren, beredeneren, en dergelijke. Maar, Gezegende, hoe komt het, enerzijds, dat het onderscheiden van veelvuldigheid wordt gezegd voort te gaan en operatief te zijn als gevolg van de kracht van hechten, dat het zich vastklampt aan dat veelvoud van externe onwerkelijkheden, terwijl, anderzijds, het hechten aan de hoogste realiteit (datzelfde) onderscheiden - dat zijn eigen weg volgt - niet doet ontstaan? Gezegende, is het niet oneerlijk als u op een moment zegt: 'het (hechten) doet (onderscheid-aanleggen, met als resultaat geestesgestalten) ontstaan', terwijl u op een ander moment zegt: 'dat doet het niet'? De Gezegende zegt dat, afhankelijk van, en hechtend aan de tweedeling tussen zijn en niet-zijn, er opinies in werking treden die karakteristiek zijn voor 'het veronderstellen dat er een aard is, hetgeen niet zo is' (abhutaparikalpa), net als wanneer een tovenaar een groep verschillende mensen tevoorschijn tovert die toch werkelijkheid ontberen, geen echte vorm hebben. Zo zijn er gefantaseerde kenmerken van bestaan en niet-bestaan, en leidt (dit fantaseren) naar meer; (echter,) onderscheid-aanleggen (of abhuta- parikalpa) bestaat niet. Als dit allemaal waar is, hoe komt het dan dat een gewoon, menselijk wezen zo verzot is op dualisme?

De Gezegende antwoordde: Inderdaad, Mahamati, 'het veronderstellen dat er een aard is, hetgeen niet zo is' (abhutaparikalpa) treedt niet in werking, noch wordt het afgeworpen. Waarom is dat? Omdat er met betrekking tot zijn of niet-zijn geen in werking treden van abhutaparikalpa is, omdat een gewaarworden van 'echte' objecten, niet werkelijk is; omdat alles dat waargenomen wordt niets dan bewustzijn zelve is. Mahamati, 'het veronderstellen dat er een aard is, hetgeen niet zo is' (abhutaparikalpa) treedt niet in werking, noch wordt het afgeworpen. Echter, Mahamati, ten gerieve van de onwetenden die verslaafd zijn aan het onderscheiden van een menigte aan verschillende dingen - die niettemin toch in en uit bewustzijn zelve zijn, zeg ik dat onderscheiden, dat als eerste functie het produceren van gevolgen heeft, ontstaat dankzij het hechten aan dat aspect van veelvuldigheid dat karakteristiek is aan de objecten. Hoe anders, Mahamati, kunnen de onwetenden en simpelen van geest een inzicht ontwikkelen in de geest zelve die ze als onderscheiden van andere dingen zien; hoe kunnen ze anders zichzelf bevrijd zien van een opvatting over zelf en wat daartoe behoort; hoe kunnen ze anders zichzelf bevrijden van de verkeerde opvatting over oorzaak en gevolg? En voorts, hoe anders kunnen ze tot de herkenning komen dat er niets dan bewustzijn zelve is om zo, aan de basis van hun bewustzijn (cittasraya), een ommekeer te bewerkstelligen! Hoe anders kunnen ze een helder inzicht verwerven in de (bodhisattva-)stadia, en de innerlijke realisering der Tathagatas bereiken, een realisering die de vijf Dharmas, de drie Svabhavas en het idee over werkelijkheid en onderscheid-aanleggen overstijgt! Daarom, Mahamati, zeg ik dat 'het veronderstellen dat er een aard is, hetgeen niet zo is' verrijst uit ons hechten aan de veelheid aan onwerkelijke objecten, en dat bevrijding ontstaat uit ons grondig begrijpen van wat 'werkelijkheid' betekent: dat wat is zoals het is. (En ik zeg dat bevrijding ontstaat) uit de (ware) betekenis van 'veelvoud aan objecten', die uit abhuta-parikalpa voortkomen.

Daarom wordt er gezegd:
20. Zij die de wereld zien als tot ontplooiing komend als gevolg van voorwaarden en condities zijn net zo gehecht aan deze noties als aan de viervoudige propositie; zij zijn niet in staat mijn Dharma te begrijpen.

21. Op geen enkele wijze kan de wereld het predikaat 'bestaan' of 'niet-bestaan' opgeplakt krijgen, noch komt ze in aanmerking voor 'zijn zowel als niet-zijn' - zoals de onwetenden mogen denken die de wereld als onderhevig aan voorwaarden en condities veronderstellen.

22. Wanneer gezien wordt dat de wereld (niet in aanmerking kan komen voor predikaten als) zijn, niet-zijn, of zowel zijn als niet-zijn, dan treedt er een ommekeer in het bewustzijn op en wordt (het weten van) zelfloosheid gerealiseerd.

23. Zouden alle dingen zijn ontstaan uit een oorzaak, dan is wat ook maar ontstaan is uit een oorzaak een gevolg, en uit een gevolg ontstaat niets.

24. Een resultaat brengt geen resultaat voort; (denk je zo, dan) zie je een dubbel resultaat, hetgeen fout is; omdat een resultaat geen geboorte kan geven aan een resultaat, kan er geen resultaat uit resultaat ontstaan.

25. Wanneer de Samengesteldheden (alswel als het samenstellen - samskrta) wordt gezien als vrij van dat wat ergens van afhankelijk is versus (dat wat) afhankelijkheid (veroorzaakt, d.w.z. object en subject), dan zie je zonder enige twijfel Enkel-Bewustzijn; daarom onderwijs ik Enkel-Bewustzijn.

26. Het (bewustzijn als) norm is de verblijfplaats van de zelf-aard die niets van doen heeft met een veroorzaakte wereld; ik spreek over deze norm en over de brahmavihara.

27. Zelf en ziel zijn waarheden die bij gedachtenconstructen behoren; daarin is geen werkelijkheid; de zelf-aard der skandhas is ook een gedachten-construct, want ook daarin is geen werkelijkheid.

28. Het eender zijn (samata) bestaat uit vieren: individuele vorm, oorzaak, het tot bestaan komen, en niet-zelf; dit is het werkterrein der yogins.

29. (Is je geest) ver verwijderd van alle filosofische opinies, is ze vrij van het verbeeldde en het verbeelden, vrij van niet-bereiken (van nirvana), en van niet-ontstaan, dan is er, wat ik noem, de bewustzijns-norm.

30. Ik spreek noch over bestaan, noch over niet-bestaan; ik spreek uitsluitend over Enkel-Bewustzijn dat niets van doen heeft met bestaan of niet-bestaan, en dat als gevolg vrij is van mentaal bezig zijn.

31. Zoheid (tathata), ledigheid (sunyata), de sfeer waarin de Dharma operatief is (dharmadhatu), de diverse gestalten van het wilslichaam - dit noem ik Enkel-Bewustzijn.

32. Een veelvoud aan objecten wordt operatief vanwege het samenkomen van gewoontepatronen en onderscheid-aanleggen. Dit is bewustzijn-geboren, maar wordt door de mensen gezien als iets dat buiten bewustzijn bestaat - dit te zien noem ik Enkel-Bewustzijn.

33. Een wereld buiten het bewustzijn is niet; een veelvoud aan objecten is iets dat bewustzijn waarneemt (schept). Lichaam, eigendom, en verblijfplaats, dit noem ik Enkel-Bewustzijn.

Tekst 46

Toelichting bij tekst 45

- "Met begeerte (trsna) als uitgangspunt ontstaan de skandhas." Zie eerdere aantekeningen over pratitya samutpada.

- "Het veronderstellen dat er een aard is, hetgeen niet zo is (abhutaparikalpa)." Zie teksten 1 en 27 voor 'parikalpita': 'de aard die maar verbeeld is.' Een soortgelijke interpretatie kwam u al vaker tegen onder de term "fantaseren". Het verschil is dat hier niet alleen verbeelden, fantaseren, gissen wordt afgewezen, maar dat dit verbeelden, of gissen, of fantaseren - als mentaal gebeuren - ook zijnsloos is.

- Abhuta-parikalpa en de vertaling ervan wordt in dit tekstgedeelte afgewisseld met 'onderscheid-aanleggen'; naar diepste betekenis komen beide interpretaties overeen maar heeft het gebruik van abhuta-parikalpa het voordeel dat er meer naar de onwezenlijkheid van een AARD van onderscheiden wordt verwezen dan in de term 'onderscheid-aanleggen'.

- De voorlaatste zin van de alinea beginnend met: Mahamati bevestigde... "Onderscheid-aanleggen bestaat niet." Ook het mentale functioneren is 'ens-loos'.

- De alinea beginnend met: "De Gezegende antwoordde: Inderdaad, Mahamati,..."
Ook uit de zin "Omdat er met betrekking tot zijn of niet-zijn geen in werking treden ... niets dan bewustzijn zelve is" moeten we waarschijnlijk begrijpen dat er zowel gesproken wordt over de zijns-loosheid van zowel het mentaal bezig zijn, als van dat waar dat niet reeele mentale functioneren mee bezig meent te zijn.

- Vers 20. lijkt in tegenspraak met wat eerder over afhankelijk, voorwaardelijk onstaan en over het tetralemma werd gezegd. De bedoeling is waarschijnlijk dat de bodhisattva ook het hechten aan deze - relatieve - waarheden loslaat en ziet dat ook hier alleen sunyata, het illusoire opereert.

- Bij verzen 23 en 24 moeten we weer denken aan Nagarjuna's Mulamadhyamaka karika, het eerste hoofdstuk, waarin hij spreekt over 'condities'. Gebruik de zoekfunctie voor de naam Nagarjuna.

- "26. Het (bewustzijn als) norm is de verblijfplaats van de zelf-aard ... de brahmavihara."
De zelf-aard van wat hier norm genoemd wordt, en dat synoniem zou kunnen zijn met bewustzijn in zijn meest zuivere staat, is uiteraard de 'niet-aard'. Het laatste woord brahmavihara is hier gekozen omdat ze zowel datgene covert wat er waarschijnlijk in de Sanskriet-tekst staat, als dat waar de chinese vertalers voor gekozen hebben.


Tekst 46