LANKAVATARA SOETRA

De Afdaling op Lanka

Hoofdstuk 3: Over Vergankelijkheid

Tekst 43

Tekst 44

Toen stelde Mahamati de Gezegende de volgende vraag: Gezegende, vertelt u mij over zijn en niet-zijn van alle dingen, want wanneer alle andere Bodhisattva-mahasattvas eenmaal bevrijd zullen zijn van noties over zijn en niet-zijn, dan zullen we snel volmaakte verlichting ervaren.

De Gezegende antwoordde: Mahamati, luister dan goed en overdenk wat ik ga zeggen; ik zal spreken.

Mahamati zei: Zeker, Gezegende, en hij luisterde.

Toen zei de Gezegende: Mahamati, mensen in deze wereld zijn afhankelijk van twee dingen: ze zijn afhankelijk van een idee over bestaan en van een idee over niet-bestaan. Al doende vallen ze in een van de twee uitersten, die van totale negatie, en die van alles-is-eeuwig, en zo beelden ze zich bevrijding in waar er geen bevrijding is. Wel, Mahamati, wie zijn die mensen die afhankelijk zijn van de idee van bestaan? Dat zijn diegenen die menen dat de wereld veroorzaakt is door iets werkelijk bestaands; ze menen dat de werkelijk bestaande en wordende wereld niet verrijst uit een niet-bestaande oorzaak. Ze zullen niet zo denken in het geval de wereld iets niet-bestaands is. Dus hebben ze het over een werkelijk bestaande wereld die veroorzaakt is door iets werkelijks. Dit is de realistische ('alles bestaat eeuwig") visie op oorzakelijkheid; er zijn er die deze visie aanhangen.

Dan, Mahamati, wat bedoel ik met afhankelijk zijn van het idee van niet-bestaan? Mahamati, dat betekent dat iemand begeerte, haat en onwetendheid aanvaardt en niettemin zegt dat er niets reeels is dat begeerte, haat, en onwetendheid samenstelt. Dan, Mahamati, is er een ander die de realiteit van dingen afwijst omdat er geen individuele merktekens (aan te wijzen) zijn. En dan is er nog een ander die, ziend dat de Boeddhas, Toehoorders, en Zelf-Verlichtten vrij van begeerte, haat en onwetendheid zijn - omdat geen ding individuele kenmerken heeft - (denken dat begeerte, haat, en onwetendheid) niet bestaan.

Zeg me, Mahamati, wie van de hier besprokenen werkt zichzelf naar de ondergang?

Mahamati antwoordde: Gezegende, dat is degeen die begeerte, haat, en onwetendheid zijnssubstantie toekent, om ze daarna als verwerpelijk te beschouwen. Zei de Gezegende: Mahamati! dat heb je goed gezegd, dat heb je voortreffelijk gezegd! Niet alleen werkt zo iemand die begeerte, haat, en onwetendheid, zowel als bestaand als niet-bestaand werkelijkheidswaarde toekent zichzelf naar de ondergang, hij ruineert bovendien dat wat "Boeddha", "Toehoorder", en "Zelf-Verlichtte" betekent. Waarom is dat? Dat is omdat je van de passies, innerlijk en uiterlijk, moet afblijven, want ze zijn noch verschillend, noch niet-verschillend. Mahamati, blijf zowel innerlijk als uiterlijk af van begeerte, haat, en onwetendheid want ze zijn substantieloos. Mahamati, omdat er geen "ens" is in begeerte, haat, en onwetendheid, is hij (die dit niet beseft) iemand die dat ruineert wat Boeddha, de Toehoorder, en de Zelf-Verlichtten uitmaakt. De Boeddhas, Toehoorders, en Zelf-Verlichtten zijn vanaf het begin bevrijd; ze zijn bevrijd omdat er in hen geen aanleiding is voor gebondenheid, noch voor binding. Mahamati, waar er een staat van gebondenheid is, is er binden en een oorzaak voor gebondenheid. Iemand die zo zou spreken is gedoemd. Mahamati, deze zienswijzen karakteriseren zowel de totale negatie, als de alles-is-eeuwig-filosofie (ofwel nihilisme en realisme, ofwel vernietigingsleer en eeuwigheidsleer).

Ik heb nu gesproken tegen de achtergrond van de diepere betekenis van deze dingen. Nog beter houd je vast aan een zelf-idee zo groot als berg Soemeroe dan dat je over ledigheid (sunyata) denkt vanuit een ik-gerichte opinie over bestaan en niet-bestaan. Iemand die in zijn zelfingenomenheid denkt in termen van bestaan of niet-bestaan, richt zichzelf te gronde. Zij die genoegen scheppen in ideeen over individualiteit en algemeenheid kunnen niet begrijpen dat de externe wereld niets anders is dan (een reflectie van) bewustzijn zelve, en dat ze derhalve geen realiteit heeft. En omdat ze dit niet begrijpen zien ze externe dingen als vergankelijk, want ze lijden ieder moment onder veranderingen die elkaar van moment tot moment opvolgen, (ze zien fenomenen) die splijten en uiteenvallen, terwijl (in die droomvisie) de skandhas, dhatus en ayatanas elkaar opvolgen en samenkomen, ze nu eens verschijnen en dan weer verdwijnen. Zij die het zo zien, en daarbij geen acht slaan op wat de heilige teksten zeggen, geven zich over aan verkeerd onderscheid-aanleggen, en zijn net zo gedoemd (als diegenen waar ik het eerder over had).

Daarom zeg ik:

9. Waar er een dualiteit tussen bestaan en niet-bestaan is, daar is mentaal samenstellen; verdwijnt deze sfeer, dan verdwijnt intellectueel handelen volledig (en blijft slechts niet-handelend schouwen).

10. Als je niet grijpt naar een externe wereld, dan is er noch veroorzaken, noch werkelijkheid; dan is er de essentie van zo-is-het (tathata), het rijk van de wijze.

11. Zij die geloven dat iets uit iets dat nooit bestond geboren werd, en denken dat dit nu gelijktijdig (met het geschapene) tot bestaan komt, om dan weer te verdwijnen - hetgeen hen leidt tot de vaststelling dat er, vanwege oorzakelijkheid, ontstaan, bestaan, en verdwijnen is - dezulken staan niet werkelijk in mijn Dharma.

12. Bestaan toont zich, noch vanwege de geleerden, noch vanwege de Boeddhas, noch vanwege mijzelf of iemand anders, maar omdat er afhankelijk, voorwaardelijk onstaan is - hoe kun je (,dit wetend,) spreken over niet-bestaan?

13. Wanneer (je weet dat) bestaan er is als gevolg van afhankelijk, voorwaardelijk ontstaan, kun je toch geen niet-bestaan aantonen! Het is omdat er verkeerde visies zijn, doctrines over ontstaan, bestaan, en niet-bestaan, dat bestaan en niet-bestaan worden gepostuleerd.

14. Wanneer er de realisering is dat niets is geboren, en niets vergaat, dan valt er met geen mogelijkheid bestaan of niet-bestaan aan te tonen, dan wordt de wereld als uitgedoofd (nirodha?) gezien.

Tekst 45

Toelichting bij tekst 44

- De alinea vlak voor vers 9: "En omdat ze dit niet begrijpen zien ze externe dingen als vergankelijk." Vergankelijkheid is een van de kern- concepten van de boeddhistische aanvangsleer: alles is, relatief gezien, vergankelijk. De student van Boeddhisme wordt geleerd dit zo te zien en zo vrij te komen van excessief hechten. Dit is niet onjuist; echter, het is het eerste deel van de waarheid. De volle waarheid is dat al die dingen waar men aan zou kunnen hechten geen zijns-substantie hebben, en dat er naar laatste analyse dus niets is dat kan ontstaan of vergaan. Het thema is hiervoor al meerdere keren ter sprake gebracht.

- Vers 13 (en 12): - "Wanneer (je weet dat) bestaan er is als gevolg van afhankelijk, voorwaardelijk ontstaan, kun je toch geen niet-bestaan aantonen!"
Er is de leer over pratitya samutpada, afhankelijk, voorwaardelijk ontstaan. In deze leer is geen sprake van oorzakelijkheid of geschapenheid, maar van voorwaarden-scheppende omstandigheden. Ook in die visie kan er geen sprake zijn van bestaan of niet-bestaan in de zin van al dan niet geschapen - of dat scheppende nu wel of niet werkelijkheidswaarde heeft.
In de vertaling van deze passage is de keuze tussen 'oorzakelijkheid' en 'afhankelijk, voorwaardelijk bestaan' een bewuste geweest. Een andere mogelijke vertaling had kunnen leiden tot 'hun (de geleerden's) oorzakelijkheidsleer', resp. 'mijn oorzakelijkheidsleer', maar omdat er, zoals gezegd, in Boeddhisme geen sprake is van oorzaak of schepping, is gekozen voor de eerste oplossing.


Tekst 45