LANKAVATARA SOETRA

De Afdaling op Lanka

Hoofdstuk 2: de verzameling van alle Dharmas


Tekst 20

Toen zei Bodhisattva-mahasattva Mahamati: Gezegende, volgens uw leer is het eeuwig-ondenkbare de verheven staat van zelf-realisatie, is ze de hoogste realiteit. Is het echter niet zo dat ook de geleerden over het eeuwig-ondenkbare spreken en het de scheppende kracht noemen?

De Gezegende antwoordde: Nee, Mahamati, het eeuwig-ondenkbare zoals de geleerden zich dat voorstellen, dat wil zeggen als karakteristiek voor hun schepper, kan geen stand houden. Waarom niet, omdat (,naar mijn analyse,) hun idee van eeuwig-ondenkbaar het idee van oorzaak (van dat eeuwig-ondenkgbare) uitsluit. Mahamati, als hun idee van het eeuwig-onvoorstelbare niet conform een oorzakelijkheidsfilosofie is, hoe kan het dan houdbaar zijn? Anderzijds, zou het idee van eeuwig-ondenkbaar wel conform een oorzaak die in zichzelf berust zijn, dan is inderdaad het woord eeuwig op zijn plaats. Maar omdat hun filosofie over een schepper berust op een daarachter gelegen oorzaak, daarom kan het niet eeuwig-ondenkbaar zijn. Maar, Mahamati, mijn hoogste realiteit is het (ware) eeuwig-ondenkbare, want het is conform aan het concept van voorwaarden en condities, en het is voorbij bestaan en niet-bestaan (d.w.z. voorbij dualisme). Omdat het de verheven staat van zelf-realisatie is heeft het zichzelf als karakteristiek (is het niet-twee). Omdat het zichzelf, de hoogste realiteit, onderbouwt is het een oorzaak-in-zichzelf. Omdat het ver is van bestaan en niet-bestaan (de relatieve wereld) is daarin geen handelen (want ook handelen is kernloos). Omdat het niet in de zelfde categorie ingedeeld kan worden als ruimte (lege lucht), Nirvana, en ophouden (nirodha), daarom is het eeuwig. Daarom is het (,mijn,) eeuwig-ondenkbare niet hetzelfde als dat van de geleerden; de Tathagata's eeuwig-ondenkbare is "datheid" (tathata) hetgeen zij, gebruik makend van nobele wijsheid in zichzelf realiseerden.
Laat de Bodhisattva-mahasattva zich daarom disciplineren om zodoende, nobele wijsheid inzettend, de waarheid van zelf-realisatie te bereiken, hetgeen het eeuwig-ondenkbare zelve is.

Verder, Mahamati, heeft het eeuwig-ondenkbare van de geleerden niet eeuwigheid als karakteristiek omdat het een niet-eeuwige oorzaak heeft; wat zij aanzien voor eeuwig is niet eeuwig, want het heeft de kracht niet zichzelve te veroorzaken. Als, verder, Mahamati, de geleerden de eeuwigheid van hun eeuwig-ondenkbare bewijzen als in tegenspraak met schepping, en daarmee het niet eeuwig zijn van geschapen dingen tonen, dan kan ik, een zelfde redenering volgend, bewijzen dat hun eeuwigheid de naam niet verdient, precies omdat geschapen dingen niet eeuwig zijn; ze ontstaan (althans, in de gedachtengang van de geleerden).

Als, nogmaals, Mahamati, dat eeuwig-ondenkbare van de geleerden zich conformeert aan de idee van een oorzaak, dan is wat zij de karakteristiek van een oorzaak noemen een niet-entiteit, vergelijkbaar met hazehorens. Dan is hun eeuwig-ondenkbare niet meer dan gepraat, onderscheid-aanleggen; en daarin ligt dan de geleerden's fout. Waarom? omdat praten en onderscheid-aanleggen hazehorens genoemd kunnen worden; ze hebben niet de karakteristiek van het zelf-geschapene.

Bovendien, Mahamati, is mijn eeuwig-ondenkbare werkelijk eeuwig omdat het zijn ontstaan vindt in de verheven staat van zelf-realisatie, en omdat het (bovendien) niets van doen heeft met een schepper (,en) met bestaan en niet-bestaan. Mijn (gerealiseerde) eeuwigheid is geen afgeleide van redeneringen die gebaseerd zijn op externe (in de wereld-van-objecten bestaande) noties over bestaan en niet-bestaan, over eeuwigheid en niet-eeuwigheid. Zou het eeuwig-ondenkbare eeuwig zijn op basis van redeneringen over niet-bestaan en eeuwigheid van externe dingen, dan kunnen we van deze opvatting van het eeuwig-ondenkbare zeggen dat de geleerden niet begrijpen wat bedoeld wordt met het karakteristieke zelf-veroorzaakte. Omdat zij de staat van zelf-realisatie, die bereikt kan worden door Nobele Wijsheid in te zetten niet bezitten, slaat hun verhandeling nergens op.

Toelichting bij tekst 20

- "Het eeuwig-ondenkbare de verheven staat van zelf-realisatie, is ... de hoogste realiteit." Uit tekst 8 moeten we begrijpen dat deze hoogste realiteit identiek is aan wat daar de "zelf-aard, het eerste principe" wordt genoemd. Die Hoogste Realiteit is zevenvoudig: de wereld van het denken, van Kennen, van supranormaal Weten, van denken-in-dualiteit, voorbij de bodhisattva-stadia, en de Tathagata's wereld waarin hij zijn realisatie toont. Merk op dat ons dagelijkse op-zijn-kop denken (het denken in dualiteit) net zo goed deel uitmaakt van de Hoogste Realiteit als de Boeddha-sfeer.

- Voorwaarden en condities.
Moge de Mahayana dan, in hoogste analyse, het idee van veranderlijkheid verwerpen, dat echter de illusoire gestalten ontstaan en bestaan op basis van onder- en achterliggende voorwaarden en condities valt aan te tonen.

- "Maar, Mahamati, mijn hoogste realiteit is het (ware) eeuwig-ondenkbare, want het is conform het concept van voorwaarden en condities."
Met deze zin verwijzen we naar bovenstaande opmerking waar gezegd wordt dat de gewone wereld van denken in tegengestelden deel uitmaakt van de hoogste realiteit. Met andere woorden, samsara en verlichting zijn een, daar is geen dualiteit. Merk op dat in de laatste zin van deze alinea het eeuwig-ondenkbare, de hoogste realiteit nirvana ontstijgt; ook het hechten aan een dergelijk concept moeten we overboord zetten.

- "Daarom is het (d.w.z., mijn) eeuwig-ondenkbare niet hetzelfde als dat van de filosofen." Hier wordt verteld dat er geen externe "Eerste Oorzaak" is, maar dat de realisatie zelf het absolute eindpunt is, en niet iets dat daar dan weer aan voorbij gaat.

- "Als, verder, Mahamati, de filosofen de eeuwigheid van hun eeuwig-ondenkbare bewijzen door (de filosofie van) schepping aan te voeren ..."
De gedachtengang achter deze passage is, dat, waar het eeuwig-ondenkbare en de geschapen dingen niet identiek en onverbrekelijk aan elkaar verbonden zijn, het een niet uit het ander kan voorkomen; daarmee is dan het eeuwig-ondenkbare van de filosofen niet de scheppende kracht die zij veronderstellen het te zijn, maar niet meer dan een spel van woorden.


Tekst 21

Verder, Mahamati, weten zij die bang zijn voor het lijden dat inherent is aan het onderscheid maken tussen enerzijds geboren worden en sterven, en anderzijds Nirvana, niet dat deze twee niet van elkaar gescheiden zouden moeten worden. Verder is het zo dat, omdat zij zien dat de van elkaar te onderscheiden fenomenen geen werkelijkheid hebben, ze (als gevolg daarvan) denken dat Nirvana het verder vernietigen is van de zintuigen en de sferen waarin deze operatief zijn. Mahamati, ze zijn zich er niet van bewust dat Nirvana het Opslagbewustzijn is waar op het moment van zelf-realisatie een ommekeer en afwenden (paravritti) plaats vindt. Daarom spreken de onozelen in termen als "Drie Voertuigen", en hebben ze het niet over de staat van Enkel-Bewustzijn waarin zich geen beelden (bv. geen onderscheiden Voertuigen, yanas,) aftekenen. Daarom hechten zij die de leer van de Tathagatas uit het verleden, het heden en de toekomst niet kennen, leringen die ideeen als "externe wereld" behandelen - die toch in en uit bewustzijn zelve zijn, aan de notie dat er een wereld is buiten het bewustzijn, en daardoor gaan ze maar voort en voort door het wiel van geboren woren en sterven (samsara).

Verder is het zo, Mahamati, dat, zoals de leringen van alle Tathagatas uit het verleden, het heden, en de toekomst verklaren, alle dingen ongeboren zijn. Waarom? Omdat ze werkelijkheid ontberen, omdat ze manifestaties van (het Opslag-)bewustzijn zijn; omdat ze niet ontstaan uit bestaan of niet-bestaan, daarom zijn ze ongeboren. Mahamati, alle fenomenen zijn als hazehorens, als horens op een paard, een ezel, of een kameel. De simpelen van geest echter, toegewijd als ze zijn aan hun verkeerde voorstellingen van zaken, zien dingen (als objectief bestaand) waar ze niet zijn. Daarom: alle dingen zijn ongeboren. Dat alle dingen naar hun zelf-aard ongeboren zijn (is een wetenschap die) tot het rijk van zelf-realisatie behoort die dankzij Nobele Wijsheid aan het licht komt; in essentie behoort het niet tot het rijk van dualisme, niet tot dat van onderscheid-aanleggen, zo geliefd bij de onwetenden en de simpelen van geest. De zelf-aard en de kenmerken van lichaam, eigenschappen en verblijfplaats komen (slechts) aan het licht wanneer de onwetenden het Opslagbewustzijn voorstellen als dat wat enerzijds het grijpen is, en anderzijds het gegrepene. Op dat moment vervallen ze in een dualistische visie aangaande het bestaan waar ze (vervolgens) ontstaan, bestaan, en verdwijnen in (menen te) herkennen, en koesteren ze de gedachte dat alle dingen geboren zijn (uit een oorzaak) en onderhevig aan onderscheid naar bestaan en niet-bestaan. Daarom, Mahamati, disciplineer je (in zelf-realisatie).

Toelichting bij tekst 21

- " ... Nirvana het Opslagbewustzijn is..." Merk op dat ook hier weer wordt verteld dat het ultieme en het relatieve, d.w.z. nirvana en samsara, een zijn, want in het Opslagbewustzijn liggen de zaden van alle handelen (goed en minder goed) opgeslagen, en het beweegt mee met de op het relatieve vlak actief zijnde zintuig-bewustzijnen.

- "... alle dingen geboren zijn (uit een oorzaak) ..."
Het kan niet genoeg benadrukt worden dat Boeddhisme het geboren worden uit een (Eerste) oorzaak afwijst, maar daarentegen zegt dat er voorwaarden en condities zijn die het mogelijk maken dat een of ander fenomeen zich toont, danwel weer verdwijnt. Een illustratie daarvoor is de vergelijking van de pot en het stof waaruit die pot gemaakt is uit het eerste hoofdstuk: de voorwaarden en condities zijn hier aarde, water, de handen van de pottenbakker en hitte van zon of vuur. Als gevolg van een samenkomen van deze gegevens kan er een pot ontstaan; onbreekt er al was het maar een van die voorwaarden, dan is de fabricage van een aarden pot niet mogelijk.

Tekst 22