LANKAVATARA SOETRA

De Afdaling op Lanka

Hoofdstuk 2: de verzameling van alle Dharmas

Tekst 13

Terwijl de zintuigbewustzijnen zo doorgaan met functioneren gaan de yogins de meditatie genaamd samapatti binnen en zijn zich er nochthans niet van gewaar dat er nog steeds subtiele sporen van gewoontepatronen zijn. Ze denken namelijk dat ze die meditatieve staat binnengaan vanwege het feit dat ze een eind gemaakt hebben aan de (werking van de) zintuigbewustzijnen. Maar in feite zijn in deze staat de zintuigbewustzijnen niet tot een eind gebracht, en wanneer ze zich gewaar menen te zijn van een uitdoving van de zintuigbewustzijnen, hebben ze in feite slechts een eind gebracht aan de externe wereld waar ze niet meer aan hechten. En zo, Mahamati, is het met het subtiele functioneren van het Opslagbewustzijn dat niet gemakkelijk te begrijpen is, behalve door de Tathagata en die Bodhisattvas die zich (in de drie laatste van de 10) stadia bevinden. Voor hen die de disciplines van de Toehoorders, de Zelf-Verlichtten en geleerden beoefenen is het, zelfs wanneer ze hun kracht van samadhi en bovennatuurlijke vermogens aanwenden, niet gemakkelijk te onderscheiden.

Alleen deze volgende (wier handelen ik hierna beschrijf) zijn in staat een inzicht te krijgen in de flux van (het Opslag-)bewustzijn zelve, ook al bevindt het zich in de wereld van het relatieve weten (onderscheiden). Deze (yogins) begrijpen ten volle alle aspecten van de stadia van Bodhisattvaschap, en dit dankzij hun alles overstijgende weten. Zij verkrijgen een volledig begrip van alle separate proposities; zij zaaien het zaad van goedheid in Boeddhalanden zonder tal; ze houden zich verre van onderscheid aanleggen en foutievelijk redeneren, ontstaan als gevolg van de erkenning dat er een externe wereld is - terwijl deze toch in en uit bewustzijn zelve is. Zij zijn geneigd zich op een afgelegen plaats terug te trekken om zich aan meditatieve discipline te wijden, of dit nu op een laag, een middelmatig, of een verheven niveau geschiedt. Hen zullen de Boeddhas de handen opleggen, Boeddhas die in eindeloze sferen verblijven; zij zullen zelf-controle waarmaken, de (10 Boeddha en Bodhisattva-)krachten, de supranormale faculteiten, en de samadhis.

Mahamati, zij zijn in staat de citta, manas en manovijnana te kennen, bewustzijns-staten die de taak uitvoeren van het onderscheiden van een externe wereld, hoewel die toch in en uit bewustzijn zelve is. Deze (yogins) zijn in staat de oceaan van geboorte en dood over te steken, een oceaan die verrijst als gevolg van handelen (met geest en lichaam), verlangen, en onwetendheid. Mahamati, daarom moeten de yogins zich toeleggen op die discipline die hen door goede vrienden (leraren - kalyanamitra) en Boeddhas zijn gegeven.

Toen reciteerde de Gezegende de volgende verzen:
99. Het is als de golven die zich boven het oceaan-oppervlak verheffen, opgejaagd door de wind dansen ze zonder onderbreking voort.

100. Op vergelijkbare manier wordt ook het Opslagbewustzijn voortdurend in beweging gehouden door de winden veroorzaakt door (het waarnemen van) objecten. Samen met de ("lagere" of "gewonen") zintuigen die als golven van veelvuldigheid zijn danst ze voort en voort.

101. Donkerblauw, rood, (het wit van) zout, hoornschelp, melk, honing, geuren van fruit en bloemen, en stralen van de zon,

102. zijn noch verschillend van elkaar, noch niet-verschillend; hun onderlinge relatie is te vergelijken met die tussen de oceaan en zijn golven; zo is de relatie tussen de zeven bewustzijnen en de citta (Opslagbewustzijn).

103. Net zoals al die verschillende golven in de oceaan worden opgezweept, ieder weer anders, zo manifesteren zich de bewustzijnen in het Opslagbewustzijn.

104. Voor zover het hun vorm betreft zijn de citta, manas en vijnana van elkaar te onderscheiden; de acht zouden echter niet als separate substanties gezien moeten worden, want er is noch het gekwalificeerde (object), noch dat wat kwalificeert (subject).

105. Zoals er geen verschil is tussen de oceaan en zijn golven, zo ook is er geen sprake van evoluties van de bewustzijnen binnenin de citta.

106. Karma wordt in de citta opgeslagen; de manas (het actieve denken) beschouwt het (d.w.z. het handelen); het wordt herkend door het superviserende bewustzijn, en de zichtbare wereld wordt onderscheiden door de vijf zintuig-bewustzijnen.

107. (Hier spreekt Bodhisattva-mahasattva Mahamati:) Verschillende kleuren zoals donkerblauw presenteren zich aan het bewustzijn. Grote Wijze, vertelt u mij, hoe moet ik dat zien, de overeenkomst tussen al die kleuren en de golven van de oceaan?

108. (De Boeddha antwoordt:) (In ultieme analyse) is er niet zoiets als varieteit in kleuren of verschil in golven; het is alleen maar ten behoeve van hen die geringe kennis hebben dat er gesproken wordt over de citta en evoluerende vormen.

109. Zoiets als evolueren binnenin de citta is er niet; (wat er wel of niet plaatsvindt) valt niet te begrijpen. (En overigens:) zou er begrijpen zijn, dan zou er iets zijn dat begrijpt (of vaststelt), als in het geval van (zichtbare) golven.

110. Lichaam, eigenschappen en verblijfplaats worden als vormen in de geest voorgesteld, en zo lijken ze te evolueren, net als die golven op de oceaan.

111. (Weer vraagt Mahamati:) De oceaan lijkt te dansen, toont "golfachtigheid". Hoe moet ik dan begrijpen dat (ik), logisch redenerend, een evolueren in het Opslagbewustzijn niet zo moet zien, niet zoals de oceaan en zijn golven?

112. (De Boeddha antwoordt weer:) Dat het Opslagbewustzijn wordt vergeleken met de oceaan doe ik alleen maar ten behoeve van de onwetenden; de vergelijking is niet meer dan een illustratie.

113. (Mahamati:) Vanaf het moment dat de dag aanbreekt schijnt de zon op alle mensen, zonder onderscheid te maken, of ze nu hoog of laag zijn, zo ook zoudt u, Licht der Wereld, onwetenden de waarheid moeten verkondigen.

114. (Mahamati:) Hoe komt het dat u, die toch in de Dharma is geinstalleerd, de waarheid niet verkondigt? (Boeddha:) Ook al zou ik de waarheid verkondigen, dan nog is ze niet in de geest.

115. Op een (enkel) moment verrijzen golven boven de oceaan, of reflecties in een spiegel, of beelden in een droom, zo plotseling reflecteert de geest(es-activiteit) zich binnen het veld van de zintuigen.

116. Omdat de condities tekort schieten, daarom evolueren de bewustzijnen stapsgewijs. De functie van het superviserende bewustzijn is het herkennen, en het denken laat er zijn licht over schijnen,

117, terwijl de wereld (-van-objecten) zich presenteert aan de vijf bewustzijnen. (Maar,) wanneer we in de staat van samahita verkeren, ondervinden we niets gradueels (niets dat stapsgewijs voortgaat).

118. Ik onderwijs als een meesterschilder die kleuren kiest om daar een schilderij mee te maken. Het (resulterende) beeld is niet in de kleuren, noch in het doek, noch in de afbeelding (maar in de geest).

119. Om het de wezens naar de zin te maken wordt een beeld in kleuren afgebeeld, (maar) wat (werkelijk) onderwezen wordt gaat daaraan voorbij, want de waarheid (tattva - "datheid") is voorbij de woorden.

120. Mijzelf in de Dharma vestigend predik ik de yogins de waarheid. Met waarheid bedoel ik de staat van zelf-realisatie; die staat is voorbij categoriseren en onderscheiden (:de relatieve wereld).

121. Ik onderwijs het de zonen van de Overwinnaar, ze is niet bedoeld voor onwetenden. Wat men meent waar te nemen als menigvuldigheid is een niet-bestaand beeld.

122. De leer zelve wordt daarom op verschillende manieren onderwezen, ze kan tot overtredingen (van orderegels of Dharmaprincipes) leiden; wanneer ze niet op ieder punt het absolute doel treft, is de leer geen leer.

123. Een dokter geeft medicijn in overeenstemming met de ziekte, zo ook onderwijzen de Boeddhas in overeenstemming met de mentaliteit van ieder (individueel) wezen.

124. Inderdaad, dit rijk van de geest kan niet betreden worden door de geleerden en de Toehoorders; wat de Leiders onderwijzen is het rijk van zelf-realisatie.

Tekst 14

Toelichting bij tekst 13

Bij de verzen vanaf nr. 99: Het beeld van de oceaan en zijn golven - we bevinden ons nog steeds op het eiland Lanka - wordt hier zo krachtig in de het geheugen geprent dat deze metafoor sindsdien telkens en telkens weer is opgedoken, zelfs in teksten geschreven door auteurs van wie we met redelijkheid mogen vermoeden dat deze zich nooit aan de boorden van het zilte nat bevonden.

De verzen die hierna volgen zijn in een buitengewoon aantrekkelijke vorm gegoten: beiden, leraar en leerling hangen als het ware over de railing van een brug en bespreken de diepste waarheden van het leven. Lijkt Mahamati te zeggen: ik begrijp dat het niet uit te leggen valt, maar toch, hoe zou ik het kunnen zien? Kijk, antwoordt Boeddha, ik geef een voorbeeld, maar maak er geen dogma van, blijf niet hangen in letters en woorden.

Vers 109. De consequentie van de hier voorgestelde redenering zou zijn dat er in dat geval een waarnemer en het waargenomene zou zijn; dat zou echter dualiteit betekenen, hetgeen de Lanka ferm van de hand wijst.
Impliciet wordt hier verwezen maar de vedische Mimamsa-school die zegt dat kennis drie factoren heeft: het gekende object, het kennende subject, en kennen als zodanig. Dit wijst de Lanka van de hand.

Vers 112. Geen enkele vergelijking of metafoor voldoet wanneer Boeddha spreken moet over het hetzelfde zijn van samsara en nirvana; niettemin spreekt hij hier, met een "je moet toch wat"-instelling.

Vers 114. De vraag: N.l. niet gewoon zegt zoals het is, zonder omhaal of voorbeelden en metaforen.

Vers 116. "Omdat de condities tekort schieten..." Omdat het handelen, lelijk gezegd "karmeren" geen halt is toegeroepen, daarom blijven de zintuigbewustzijnen in beweging.

117: Samahita. Dit is een meditatieve geestestoestand waarin alle zintuiglijke ervaren als het ware samengebald op een bepaalde plaats verzameld is.


Tekst 14