Inleiding bij de studie van het Mahayana Boeddhisme

Anonym

Zie ook ' Wat is Mahayana Boeddhisme? '

De lezer van de Lanka, en van Mahayana-soetras in het algemeen wordt verondersteld een gedegen kennis te hebben van de aanvangsleer. Nagenoeg alle scholen van Boeddhisme die zich voor hun instructies richten naar de soetras, de Leerredes, hebben een min of meer uitgebreid pakket aan teksten over basisbegrippen. Die basisbegrippen zijn: kennis van de Vier Nobele Waarheden, het Achtvoudige Pad, Afhankelijk, Voorwaardelijk Ontstaan, karma en wedergeboorte, de leer omtrent de bewustzijnen, de dhatus, ayatanas, en enige andere Abhidharma-kennis over het functioneren van lichaam en geest. Bovendien dient u uiteraard het levensverhaal van Shakyamuni Boeddha te kennen.

De drie Boeddha-gestalten

Een woordje over Boeddha. In de Lankavatara Soetra wordt de persoon Boeddha in het derde hoofdstuk bij name genoemd: Gautama, ofwel Sakyamuni Boeddha. Niettemin wordt op een aantal plaatsen gesproken over de Drie Boeddha- gestalten: de Dharmata-Boeddha of Oorspronkelijke Boeddha, de Sambhogakaya - Boeddha of het Vreugdevolle Resultaatslichaam van Boeddha dat aan ons in diepe en succesvolle meditatie kan verschijnen, en de Transformatie-Boeddha , d.w.z. de Boeddha die zich in mensengedaante vertoont. De twee laatstgenoemden zijn manifestaties van de Dharmata-Boeddha die ook wel het Boeddhalichaam wordt genoemd. Dit is een kenmerk van het Mahayana Boeddhisme zoals zich dat ontwikkeld heeft na de Prajna Paramita (Perfectie van Wijsheid) geschriften. Daarin worden slechts twee Boeddha vormen genoemd. 

SOCIALE STRATIFICATIE EN DHARMA-UITLEG

Iedere taal is beperkt in zijn woordenschat. Wanneer alle sprekers van die taal dezelfde culturele en religieuze achtergrond hebben, zijn de in die taal gebruikte woorden niet voor tweeerlei uitleg vatbaar; alle deelnemers begrijpen de betekenis van een x-woord. Anders wordt dat zodra of wanneer er culturele en/of religieuze verschillen binnen een taalgebied ontstaan. Op zo'n moment moeten diegenen die een nieuw cultuur-element of een nieuwe religieuze uiting onder woorden willen brengen, met het beperkte woorden-arsenaal aan de slag om nieuwe of andere betekenissen over het voetlicht te brengen. Iets dergelijks heeft zich in India vanaf het vroegste begin voorgedaan: verschillende sociale lagen binnen de bevolking hadden, en hebben, een deels verschillende culturele bagage, terwijl er ook religieuze en atheistische uitingen ontstonden die onderling min of meer afweken in hun taalgebruik. Dat betekent dat er nieuwe filosofieen ontstonden die dezelfde woorden gebruikten als de "oude", maar daar nieuwe en andere bedoelingen mee hadden. Dit was in India des te meer het geval, zie alleen maar het feit dat niet alle (sub-)kasten gerechtigd waren de Veda te bestuderen. 

Nu waren Boeddha's eerste gezellen afkomstig uit verschillende kasten: de Ksatrya-kaste (de Boeddha), de Vaishya-kaste (Yashas, de zesde toevluchtnemer), en een paar andere kasten en/of subkasten waarover ons niets werd bericht. Zeker is in ieder geval dat de eersten die Boeddha onderrichtte de Veda kenden, en onder de indruk moeten zijn geweest van niet alleen Boeddha's kennis dezer werken, maar ook van de nieuwe inhoud die hij gaf aan oude begrippen. Die nieuwe inhoud vernemend kwamen ze tot Ontwaken: ze hadden "iets gehoord dat nog niet eerder gehoord werd."

Latere volgelingen echter, en zeker latere generaties buiten India zelve, waren niet per definitie op de hoogte van beide betekenissen van gebruikte begrippen; ze kenden slechts de nieuwe inhoud, en niet de vedische. Dit heeft vertalers van buiten India Bharat voor de moeilijkheid gesteld woorden te zoeken voor begrippen waarvan zij soms wel, soms niet beseften dat deze diepere gronden reikten dan op het eerste oog waarneembaar. Deze problematiek komen we voluit tegen in de Lankavatara Soetra. In het bespreken van de standpunten der "geleerden" moeten we bijna allemaal toegeven onvoldoende op de hoogte te zijn van de oude Vedische inhoud van bepaalde woorden. Een voorbeeld daarvan is de dharma/adharma-discussie uit het eerste hoofdstuk.

DE PLAATS VAN DE GURU

Hoewel reeds in de vroege Kleine Voertuig-teksten manuscripten voorkomen waarin Boeddha niet spreekt tenzij iemand hem vragen stelt, is het in het merendeel der Mahayana-geschriften gebruikelijk dat de tekst is opgebouwd op een vraag-en-antwoord stramien - zo ook de Lankavatara Sutra. De Indoloog Gavin Flood volgend moet gezegd worden dat dit gebruik in het Hinduisme pas vaste regel werd met de zuidelijke tantras, en wel vanaf de zesde eeuw. De Lankavatara Sutra, niet ouder zijnd dan in ieder geval de zesde eeuw, volgt hierin dus wellicht een "moderne" trend, en geeft daarmee latere generaties Boeddhisten aanleiding te menen dat slechts de woorden van een door Boeddha's kracht geinspireerde guru een zekere canonieke waarde gegeven kunnen worden. 

ZUIVERHEID VAN FILOSOFIE

Naar westers inzicht dient een filosofie "zuiver" te zijn: Platonisme dient platoons te zijn zonder accreties van andere filosofieen; Protestantisme dient protestants te zijn zonder katholieke insluipingen. Dat is de norm. Voldoet een filosofie daar niet aan, dan wordt ze verbasterd genoemd. Die maatstaf werd, en wordt op een aantal plaatsen nog steeds gehanteerd door geleerden die Boeddhisme bestuderen. Papers van westerse academici tonen niet zelden die hang naar zuiverheid: men wenst een zuivere Yogacara-tekst te ontmoeten, of een zuivere Madhyamaka-tekst. Die hang naar dit soort zuiverheid hebben Boeddhistische meesters nooit gehad. Wanneer iemand, althans binnen de Mahayana, levend in een relatieve afzondering, geconfronteerd werd met een voorheen onbekende Dharma-interpretatie, uit ditzelfde Grote Voertuig, dan werd zo'n interpretatie met enthousiasme omarmd en zo mogelijk geintegreerd in het eigen denken. Derhalve, wanneer Lanka's auteurs omstandig, en succesvol, de Enkel-Bewustzijn-stroming verdedigen, dan brengen ze eer aan Asanga's en Vasubhandhu's werken, en steunen voorts niet weinig op de eerder genoemde Bloemenkrans-soetra, met name op het daarin opgenomen werk "De Tien Stadia" (Dasabhumika shastra). En waar ze een zekere formele logica hanteerden gingen ze bovendien te rade bij de werken van de grote Nagarjuna. Met dit instrumentarium in handen werd een poging ondernomen om in die tijd levende, niet-boeddhistische filosofieen te weerleggen.